Wiskunde  ·  1A  ·  Eerste graad

Vergelijkingen van
de eerste graad

Oplossen, opstellen en interpreteren — de taal van de balans

Hoofdstuk 15

Vergelijkingen van de eerste graad

Een vergelijking is een wiskundige zin die zegt dat twee uitdrukkingen gelijk zijn. Vergelijkingen van de eerste graad zijn de meest fundamentele — ze komen voor in élke tak van de wiskunde en in talloze praktische situaties. In dit hoofdstuk leer je ze systematisch oplossen.

1

Wat is een vergelijking?

In de wiskunde kom je twee soorten uitdrukkingen tegen: een uitdrukking die iets berekent (bv. 2x+1), en een vergelijking die twee uitdrukkingen gelijkstelt met behulp van het gelijkheidsteken. Een vergelijking bevat altijd een gelijkheidsteken en stelt een vraag: voor welke waarde van de onbekende klopt de gelijkheid?

=
Begrip Vergelijking

Een vergelijking is een wiskundige bewering van de vorm linkerlid = rechterlid, waarbij minstens één onbekende (meestal aangeduid met x) voorkomt. Een vergelijking van de eerste graad bevat de onbekende enkel tot de eerste macht — er zijn geen termen met x2 of hogere machten.

x
Begrip Oplossing (wortel)

De oplossing (of wortel) van een vergelijking is de waarde van de onbekende die het linkerlid en het rechterlid gelijk maakt. De verzameling van alle oplossingen heet de oplossingsverzameling. Een vergelijking van de eerste graad heeft precies één oplossing (tenzij de vergelijking ofwel altijd waar ofwel nooit waar is).

Uitdrukking versus vergelijking

Het onderscheid tussen een uitdrukking en een vergelijking is fundamenteel:

Rekenvoorbeeld

Controleer of x=3 een oplossing is van de vergelijking 2x+1=7.

  • Vul x=3 in het linkerlid in: 2×3+1=6+1=7
  • Vergelijk met het rechterlid: het linkerlid geeft 7, het rechterlid is ook 7.
  • Beide leden zijn gelijk: de vergelijking klopt. Dus x=3 is een oplossing. ✓

De oplossingsverzameling is {3}.

Gelijkwaardige vergelijkingen

Twee vergelijkingen zijn gelijkwaardig als ze dezelfde oplossingsverzameling hebben. Wanneer je een vergelijking oplost, vervang je ze stap voor stap door eenvoudigere gelijkwaardige vergelijkingen, tot je uitkomt bij een vergelijking van de vorm x= (getal). Elke toelaatbare bewerking bewaart de oplossing.

💡 Denkvraag

Is x=5 een oplossing van 4x3=17? Controleer door invullen. Wat zou je moeten doen als je alleen de vergelijking hebt en de oplossing nog niet kent?

2

Eenvoudige vergelijkingen oplossen

Het basisprincipe bij het oplossen van een vergelijking is de balans. Stel je een weegschaal voor: het linkerlid en het rechterlid liggen in evenwicht. Zolang je aan beide kanten hetzelfde doet, blijft de balans in evenwicht — en dus blijft de vergelijking kloppen. Dit is de kern van alle algebraïsche manipulatie.

De strategie is eenvoudig: breng alle termen met x naar het linkerlid en alle getallen naar het rechterlid. Uiteindelijk staat er dan x= getal.

Stelling — Vier gelijkwaardige transformaties

De volgende bewerkingen zetten een vergelijking om in een gelijkwaardige vergelijking (dezelfde oplossingsverzameling):

  1. Optellen: hetzelfde getal optellen bij beide leden.
  2. Aftrekken: hetzelfde getal aftrekken van beide leden.
  3. Vermenigvuldigen: beide leden vermenigvuldigen met hetzelfde getal (≠ 0).
  4. Delen: beide leden delen door hetzelfde getal (≠ 0).
Balansschaal die de vergelijking 3x−5=10 visualiseert. Na het optellen van 5 bij beide kanten worden beide schalen gelijkgetrokken tot 3x=15. 3x−5 10 3x − 5 = 10 +5 aan beide kanten 3x 15 3x = 15 Door 5 op te tellen bij beide leden blijft de balans in evenwicht: 3x − 5 = 10 wordt 3x = 15. De gouden stip toont dat de schaal nu perfect in evenwicht is.
Rekenvoorbeeld

Los op: 3x5=10

  • Tel 5 op bij beide leden om de constante naar rechts te brengen: 3x5+5=10+5  ⇒  3x=15
  • Deel beide leden door 3 om x te isoleren: 3x3=153  ⇒  x=5
  • Controleer: vul x=5 in: 3×55=155=10

Oplossingsverzameling: {5}

Rekenvoorbeeld

Los op: 2x+8=2

  • Trek 8 af van beide leden: 2x=28=6
  • Deel beide leden door −2 (let op het teken!): x=62=3
  • Controleer: 2×3+8=6+8=2

Oplossingsverzameling: {3}

💡 Denkvraag

Waarom mag je beide leden niet door nul delen? Wat zou er misgaan met de oplossing? Denk aan een voorbeeld zoals 2=5 na deling door 0.

3

Vergelijkingen met haakjes en breuken

Veel vergelijkingen bevatten haakjes of breuken. Daarvoor werken we eerst de vergelijking uit voordat we de x isoleren. Door een gestructureerde aanpak te volgen, mak je de opgave altijd herleidbaar tot het eenvoudige geval van sectie 2.

Stap 1: Expandeer haakjes

Gebruik de distributieve eigenschap: a(b+c)=ab+ac. Let op het teken als het getal voor het haakje negatief is.

Stap 2: Maak gelijknamig (bij breuken)

Vermenigvuldig alle termen van beide leden met het kleinste gemene veelvoud (kgv) van de noemers. Zo verdwijnen alle breuken en werk je verder met een gewone vergelijking.

Rekenvoorbeeld

Los op: 2(x+3)=4x2

  • Expandeer het haakje: 2x+6=4x2
  • Trek 2x af van beide leden (x naar rechts verplaatsen): 6=2x2
  • Tel 2 op bij beide leden: 8=2x
  • Deel door 2: x=4
  • Controleer: links 2(4+3)=14, rechts 4×42=14

Oplossingsverzameling: {4}

Rekenvoorbeeld

Los op: 3(2x1)2(x+4)=7

  • Expandeer beide haakjes. Let op het min-teken voor het tweede haakje:
    6x32x8=7
  • Combineer gelijksoortige termen: (6x2x)+(38)=7  ⇒  4x11=7
  • Tel 11 op bij beide leden: 4x=18
  • Deel door 4: x=184=92=4,5
  • Controleer: 3(2×4,51)2(4,5+4)=3×82×8,5=2417=7

Oplossingsverzameling: {4,5}

Rekenvoorbeeld

Los op: x3+2=x21

  • Bepaal het kgv van de noemers 3 en 2: kgv(3, 2) = 6. Vermenigvuldig elk term met 6: 6×x3+6×2=6×x26×1
  • Vereenvoudig: 2x+12=3x6
  • Trek 2x af van beide leden: 12=x6
  • Tel 6 op bij beide leden: x=18
  • Controleer: links 183+2=6+2=8, rechts 1821=91=8

Oplossingsverzameling: {18}

Systematische stappen voor vergelijkingen van de eerste graad
1. Expandeer  —  werk alle haakjes uit (distributief)
2. Elimineer breuken  —  vermenigvuldig met kgv van noemers
3. Verzamel  —  groepeer x-termen links, getallen rechts
4. Isoleer  —  combineer gelijksoortige termen aan elke kant
5. Bereken  —  deel beide leden door de coëfficiënt van x
6. Controleer  —  vul de gevonden waarde altijd in om te verifiëren
4

Vergelijkingen opstellen vanuit een tekst

Een van de krachtigste toepassingen van vergelijkingen is het oplossen van tekstproblemen. Je vertaalt een beschreven situatie in een wiskundige vergelijking, lost die op, en interpreteert het antwoord in de context van het probleem.

Aanpak — Tekstprobleem naar vergelijking
  1. Kies een variabele: ken een letter toe aan de onbekende grootheid (bv. x = …).
  2. Schrijf de vergelijking op: vertaal de tekst stap voor stap naar wiskundige symbolen.
  3. Los op: gebruik de technieken van de vorige secties.
  4. Interpreteer: geef het antwoord terug in de context — vermeld de eenheid en controleer of het antwoord logisch is.
Rekenvoorbeeld — Spaargeld

Jana heeft 3 keer zoveel spaargeld als Tom. Samen hebben ze €240. Hoeveel heeft elk?

  • Kies variabele: stel T = het spaargeld van Tom (in €). Dan heeft Jana 3T.
  • Stel vergelijking op: samen is T+3T=240
  • Los op: 4T=240T=60
  • Bereken Jana: 3×60=180
  • Controleer: 60+180=240 ✓ en 180 = 3 × 60 ✓

Tom heeft €60, Jana heeft €180.

Rekenvoorbeeld — Rechthoek

De omtrek van een rechthoek is 46 cm. De lengte is 5 cm meer dan de breedte. Vind de afmetingen.

  • Kies variabele: stel b = de breedte (in cm). Dan is de lengte b+5.
  • Omtrekformule: 2(b+b+5)=46
  • Expandeer: 2(2b+5)=464b+10=46
  • Trek 10 af: 4b=36b=9 cm
  • Lengte: 9+5=14 cm. Controleer omtrek: 2(9+14)=2×23=46

Breedte = 9 cm, lengte = 14 cm.

Rekenvoorbeeld — Leeftijden

Papa is nu 3 keer zo oud als zijn dochter. Over 10 jaar is hij 2 keer zo oud als zijn dochter. Hoe oud zijn ze nu?

  • Kies variabele: stel d = de huidige leeftijd van de dochter. Dan is papa nu 3d jaar oud.
  • Over 10 jaar: dochter is d+10, papa is 3d+10. Conditie: 3d+10=2(d+10)
  • Expandeer: 3d+10=2d+20
  • Trek 2d af en trek 10 af van beide leden: d=10
  • Papa is nu 3×10=30 jaar. Controleer: over 10 jaar is papa 40, dochter 20: 40 = 2 × 20 ✓

De dochter is nu 10 jaar, papa is nu 30 jaar.

💡 Denkvraag

Bedenk zelf een eenvoudig probleem dat je met een vergelijking van de eerste graad kunt oplossen. Schrijf de vergelijking op en los ze op. Ruil je probleem met een klasgenoot en los dat van hem/haar op.

5

Vergelijkingen met twee onbekenden

Soms zijn er twee onbekende grootheden en zijn er ook twee vergelijkingen beschikbaar. Zo'n koppel van vergelijkingen heet een stelsel van vergelijkingen. We schrijven het als:

Stelsel van twee vergelijkingen { v1:ax+by=c v2:dx+ey=f

De oplossing van een stelsel is het koppel (x, y) dat beide vergelijkingen tegelijk waar maakt. Grafisch is dit het snijpunt van twee rechten in een assenstelsel.

Methode van substitutie

Bij de methode van substitutie druk je één onbekende uit in de andere via één vergelijking, en vervangt dat dan in de andere vergelijking. Zo krijg je een vergelijking met slechts één onbekende, die je al kunt oplossen.

Rekenvoorbeeld — Substitutie

Los op: { x+y=10   en   xy=4

  • Isoleer x uit vergelijking 2: x=y+4
  • Substitueer in vergelijking 1: (y+4)+y=102y+4=10
  • Los op voor y: 2y=6y=3
  • Bereken x: x=y+4=3+4=7
  • Controleer in beide vergelijkingen: 7 + 3 = 10 ✓ en 7 − 3 = 4 ✓

Oplossing: x = 7, y = 3

Rekenvoorbeeld — Twee producten kopen

Een notitieboekje kost €2 meer dan een pen. Samen kosten 1 notitieboekje en 1 pen €6,50. Wat kost elk?

  • Variabelen: stel p = prijs pen (in €). Dan is het notitieboekje p+2.
  • Vergelijking: p+(p+2)=6,502p+2=6,50
  • Los op: 2p=4,50p=2,25
  • Notitieboekje: 2,25+2=4,25
  • Controleer: 2,25+4,25=6,50

Pen = €2,25  |  Notitieboekje = €4,25

Assenstelsel met twee rechten x+y=10 (blauw) en x−y=4 (oker) die snijden in het punt (7,3), gemarkeerd met een gouden cirkel. 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 x 0 1 2 3 4 5 6 7 8 y x + y = 10 x − y = 4 (7, 3) Grafische voorstelling van het stelsel: de blauwe rechte x + y = 10 en de oker rechte x − y = 4 snijden elkaar in het punt (7, 3) — de gouden cirkel.
💡 Denkvraag

Wat zou de grafische betekenis zijn als twee rechten evenwijdig zijn? Wat zou dat betekenen voor het stelsel van vergelijkingen? En wat als de twee rechten samenvallen?

6

Problemen oplossen met heuristieken

Bij een vraagstuk weet je meestal welke leerstof je net hebt gezien, en sluit de oplossingsmethode daarbij aan. Bij een echt probleem ligt de aanpak niet op voorhand vast: je moet zelf een geschikte methode kiezen. Daarvoor gebruik je heuristieken, zoekstrategieën die je op weg helpen.

𝒫
Begrip Heuristiek

Een heuristiek is een zoekstrategie of vuistregel die je helpt om een probleem aan te pakken. Een heuristiek garandeert geen oplossing, maar geeft je wel een verstandige eerste stap wanneer je niet meteen weet hoe te beginnen.

Mathematiseren en demathematiseren

Een vraagstuk uit het dagelijks leven los je in twee bewegingen op. Eerst mathematiseer je: je vertaalt de tekst naar wiskunde (een schets, tabel of vergelijking). Je lost het wiskundige probleem op. Daarna demathematiseer je: je vertaalt het resultaat terug naar de context, met een antwoordzin en een controle of het realistisch is.

𝒬
Begrip Mathematiseren en demathematiseren

Mathematiseren = een stuk werkelijkheid vertalen naar een wiskundig model. Demathematiseren = het wiskundige antwoord terugvertalen naar de context en nagaan of het klopt. Samen vormen ze de twee richtingen van het modelleren.

Een gereedschapskist aan heuristieken

Houd bij een lastig probleem deze strategieën bij de hand:

Rekenvoorbeeld — van achter naar voor werken

Ik denk aan een getal. Ik tel er 4 bij op, vermenigvuldig met 3 en kom uit op 27. Welk getal was het?

  • Gegeven: eindresultaat 27. Gevraagd: het startgetal.
  • Werk van achter naar voor. De laatste bewerking was ×3, dus draai om: 27 : 3 = 9.
  • De stap daarvoor was +4, dus draai om: 9 − 4 = 5.
  • Realiteitscheck: (5 + 4) × 3 = 9 × 3 = 27 ✓

Antwoord: het getal was 5.

💡 Denkvraag

Een slak kruipt overdag 3 m omhoog langs een muur van 10 m en glijdt ’s nachts 2 m terug. Na hoeveel dagen is ze boven? Welke heuristiek helpt hier het best: een tekening, een tabel per dag, of een vergelijking? Pas op voor de valkuil bij de laatste dag — en doe een realiteitscheck.

7

Al-Khwarizmi en de Arabische algebra

Het woord algebra — rekenen met letters en vergelijkingen — heeft een verrassende oorsprong. We danken het aan de Perzische geleerde al-Khwarizmi, die rond het jaar 820 werkte in het “Huis van Wijsheid” in Bagdad.

𝒫
Begrip Algebra (al-jabr)

Het woord algebra komt van het Arabische al-jabr uit de titel van al-Khwarizmi’s boek. Het betekent zoiets als “het herstellen”: termen van de ene kant van het gelijkteken naar de andere brengen — precies wat je doet bij de balansmethode.

Al-Khwarizmi schreef een boek met de titel Al-kitab al-mukhtasar fi hisab al-jabr wa’l-muqabala. Daarin beschreef hij stap voor stap hoe je vergelijkingen oplost door termen te verplaatsen (al-jabr) en gelijke termen aan beide kanten weg te werken (al-muqabala). Dat zijn precies de regels van de balansmethode die je in sectie 2 leerde.

Opvallend: al-Khwarizmi werkte nog zonder de symbolen +, − en x. Hij schreef alles voluit in woorden. Pas eeuwen later voerden wiskundigen de korte notatie in die wij vandaag gebruiken. Ook zijn naam leeft voort: het woord algoritme is een verbastering van “al-Khwarizmi”. Twee kernbegrippen uit dit boek — algebra en algoritme — gaan dus terug op één man.

De Arabische geleerden bewaarden bovendien de Griekse en Indiase wiskunde en breidden ze uit. Via hen bereikte onder meer het cijfer 0 en ons positiestelsel uiteindelijk Europa.

💡 Denkvraag

Los de vergelijking x + 5 = 12 op en benoem bij elke stap wat al-Khwarizmi al-jabr (verplaatsen) en al-muqabala (wegwerken) zou noemen. Waarom is het handiger met de symbolen +, − en x te werken dan met de uitgeschreven woorden van toen?

8

De strokenmethode als brug naar vergelijkingen

In het basisonderwijs loste je verdeel-vraagstukken vaak op met een tekening: de strokenmethode. Die tekening is een prima brug naar het opstellen van een vergelijking, zeker bij een ongelijke verdeling.

𝒬
Begrip Strokenmethode

Bij de strokenmethode stel je een onbekende hoeveelheid voor als een rechthoekige strook. Grotere hoeveelheden teken je als langere of meerdere stroken. Zo zie je in één oogopslag hoe de delen zich tot het geheel verhouden.

Stel: samen hebben Lina en Tom 24 knikkers, maar Lina heeft er 6 meer dan Tom. Teken Toms aandeel als één strook, en Lina’s aandeel als diezelfde strook plus een stukje van 6.

Twee stroken: Tom is x, Lina is x plus 6, samen 24 Tom x Lina x 6 samen 24 Tom is één strook (x), Lina is dezelfde strook plus 6. Samen vormen ze 24, dus x + (x + 6) = 24.

De tekening zegt: tweemaal de strook, plus het extra stukje 6, is samen 24. In symbolen wordt dat een vergelijking die je met de balansmethode oplost.

Rekenvoorbeeld

Samen 24 knikkers, Lina heeft er 6 meer dan Tom. Hoeveel heeft elk?

  • Stel Toms aantal voor door x. Dan is Lina’s aantal x + 6.
  • Uit de strokentekening: x + (x + 6) = 24.
  • Herleid de linkerkant: 2x + 6 = 24.
  • Trek 6 af aan beide kanten: 2x = 18.
  • Deel beide kanten door 2: x = 9.
  • Lina heeft x + 6 = 15. Controle: 9 + 15 = 24 ✓ en 15 − 9 = 6 ✓

Antwoord: Tom heeft 9 knikkers, Lina heeft er 15.

💡 Denkvraag

Drie vrienden verdelen € 60. De tweede krijgt dubbel zoveel als de eerste, de derde € 10 meer dan de eerste. Teken de stroken en stel de vergelijking op. Hoeveel stroken telt elk aandeel?

Oefeningen

Oefening 1

Oplossing verifiëren

Controleer voor elke vergelijking of de gegeven waarde een oplossing is. Toon je berekening.

  1. Is x=4 een oplossing van 5x3=17?
  2. Is x=2 een oplossing van 3x+10=4?
  3. Is x=6 een oplossing van 2(x1)=10?

Tip: vul de gegeven waarde in en bereken beide leden apart. Zijn ze gelijk? Dan is het een oplossing.

Oefening 2

Eenvoudige vergelijkingen oplossen

Los elke vergelijking op. Geef de oplossingsverzameling en controleer je antwoord.

  1. x+9=15
  2. 4x=28
  3. 2x7=11
  4. 3x+12=0
  5. 5x+3=2x+18

Tip: breng alle x-termen naar links en alle getallen naar rechts. Deel dan door de coëfficiënt van x.

Oefening 3

Vergelijkingen met haakjes

Expandeer de haakjes en los dan op.

  1. 3(x+4)=21
  2. 2(x3)+5=11
  3. 4(2x+1)=3(x+6)
  4. 5(x2)3(x+1)=9

Let op: als er een min-teken staat voor een haakje, verandert het teken van elke term erin. Bv. −3(x+1) = −3x − 3.

Oefening 4

Vergelijkingen met breuken

Vermenigvuldig eerst alle termen met het kgv van de noemers om de breuken te elimineren.

  1. x4=3
  2. x2+3=7
  3. x3x6=2
  4. 2x+13=x22

Tip: bij oefening 4c is kgv(3,6) = 6. Vermenigvuldig elke term met 6 en vereenvoudig.

Oefening 5

Tekstprobleem opstellen en oplossen

Stel telkens een vergelijking op, los op en geef het antwoord in een volledige zin.

  1. De som van drie opeenvolgende gehele getallen is 48. Wat zijn die getallen? (Stel het kleinste getal = n.)
  2. Lien heeft twee keer zoveel stickerkaarten als Warre. Als Lien er 12 weggeeft aan Warre, hebben ze allebei evenveel. Hoeveel had elk in het begin?
  3. Een trein rijdt met een gemiddelde snelheid van 90 km/u. Een auto rijdt gelijktijdig 60 km/u. De trein vertrekt 1 uur later dan de auto, maar hetzelfde traject. Na hoeveel uur haalt de trein de auto in?

Kies telkens zorgvuldig je variabele en schrijf op wat die voorstelt voordat je de vergelijking neerschrijft.

Oefening 6

Stelsel van twee vergelijkingen

Los elk stelsel op met de methode van substitutie. Controleer je antwoord in beide vergelijkingen.

  1. {  x+y=8  en   xy=2
  2. {  y=2x  en   x+y=12
  3. In een klas zijn er 32 leerlingen. Er zijn 6 meer meisjes dan jongens. Hoeveel meisjes en hoeveel jongens zijn er? Stel een stelsel op en los op.

Bij substitutie: isoleer eerst een variabele in de eenvoudigste vergelijking, dan substitueer je in de andere. Schrijf telkens op wat je doet.

Samenvatting

Stappenplan — Vergelijking van de eerste graad oplossen
  1. Expandeer alle haakjes met de distributieve eigenschap.
  2. Elimineer breuken door alles te vermenigvuldigen met het kgv van de noemers.
  3. Verzamel alle x-termen aan één kant (links) en getallen aan de andere kant (rechts).
  4. Combineer gelijksoortige termen aan elke kant.
  5. Deel beide leden door de coëfficiënt van x.
  6. Controleer door de gevonden waarde in te vullen in de oorspronkelijke vergelijking.