Oplossen, opstellen en interpreteren — de taal van de balans
Een vergelijking is een wiskundige zin die zegt dat twee uitdrukkingen gelijk zijn. Vergelijkingen van de eerste graad zijn de meest fundamentele — ze komen voor in élke tak van de wiskunde en in talloze praktische situaties. In dit hoofdstuk leer je ze systematisch oplossen.
In de wiskunde kom je twee soorten uitdrukkingen tegen: een uitdrukking die iets berekent (bv. ), en een vergelijking die twee uitdrukkingen gelijkstelt met behulp van het gelijkheidsteken. Een vergelijking bevat altijd een gelijkheidsteken en stelt een vraag: voor welke waarde van de onbekende klopt de gelijkheid?
Een vergelijking is een wiskundige bewering van de vorm linkerlid = rechterlid, waarbij minstens één onbekende (meestal aangeduid met x) voorkomt. Een vergelijking van de eerste graad bevat de onbekende enkel tot de eerste macht — er zijn geen termen met of hogere machten.
De oplossing (of wortel) van een vergelijking is de waarde van de onbekende die het linkerlid en het rechterlid gelijk maakt. De verzameling van alle oplossingen heet de oplossingsverzameling. Een vergelijking van de eerste graad heeft precies één oplossing (tenzij de vergelijking ofwel altijd waar ofwel nooit waar is).
Het onderscheid tussen een uitdrukking en een vergelijking is fundamenteel:
Controleer of een oplossing is van de vergelijking .
De oplossingsverzameling is {3}.
Twee vergelijkingen zijn gelijkwaardig als ze dezelfde oplossingsverzameling hebben. Wanneer je een vergelijking oplost, vervang je ze stap voor stap door eenvoudigere gelijkwaardige vergelijkingen, tot je uitkomt bij een vergelijking van de vorm (getal). Elke toelaatbare bewerking bewaart de oplossing.
Is een oplossing van ? Controleer door invullen. Wat zou je moeten doen als je alleen de vergelijking hebt en de oplossing nog niet kent?
Het basisprincipe bij het oplossen van een vergelijking is de balans. Stel je een weegschaal voor: het linkerlid en het rechterlid liggen in evenwicht. Zolang je aan beide kanten hetzelfde doet, blijft de balans in evenwicht — en dus blijft de vergelijking kloppen. Dit is de kern van alle algebraïsche manipulatie.
De strategie is eenvoudig: breng alle termen met x naar het linkerlid en alle getallen naar het rechterlid. Uiteindelijk staat er dan getal.
De volgende bewerkingen zetten een vergelijking om in een gelijkwaardige vergelijking (dezelfde oplossingsverzameling):
Los op:
Oplossingsverzameling: {5}
Los op:
Oplossingsverzameling: {3}
Waarom mag je beide leden niet door nul delen? Wat zou er misgaan met de oplossing? Denk aan een voorbeeld zoals na deling door 0.
Veel vergelijkingen bevatten haakjes of breuken. Daarvoor werken we eerst de vergelijking uit voordat we de x isoleren. Door een gestructureerde aanpak te volgen, mak je de opgave altijd herleidbaar tot het eenvoudige geval van sectie 2.
Gebruik de distributieve eigenschap: . Let op het teken als het getal voor het haakje negatief is.
Vermenigvuldig alle termen van beide leden met het kleinste gemene veelvoud (kgv) van de noemers. Zo verdwijnen alle breuken en werk je verder met een gewone vergelijking.
Los op:
Oplossingsverzameling: {4}
Los op:
Oplossingsverzameling: {4,5}
Los op:
Oplossingsverzameling: {18}
Een van de krachtigste toepassingen van vergelijkingen is het oplossen van tekstproblemen. Je vertaalt een beschreven situatie in een wiskundige vergelijking, lost die op, en interpreteert het antwoord in de context van het probleem.
Jana heeft 3 keer zoveel spaargeld als Tom. Samen hebben ze €240. Hoeveel heeft elk?
Tom heeft €60, Jana heeft €180.
De omtrek van een rechthoek is 46 cm. De lengte is 5 cm meer dan de breedte. Vind de afmetingen.
Breedte = 9 cm, lengte = 14 cm.
Papa is nu 3 keer zo oud als zijn dochter. Over 10 jaar is hij 2 keer zo oud als zijn dochter. Hoe oud zijn ze nu?
De dochter is nu 10 jaar, papa is nu 30 jaar.
Bedenk zelf een eenvoudig probleem dat je met een vergelijking van de eerste graad kunt oplossen. Schrijf de vergelijking op en los ze op. Ruil je probleem met een klasgenoot en los dat van hem/haar op.
Soms zijn er twee onbekende grootheden en zijn er ook twee vergelijkingen beschikbaar. Zo'n koppel van vergelijkingen heet een stelsel van vergelijkingen. We schrijven het als:
De oplossing van een stelsel is het koppel (x, y) dat beide vergelijkingen tegelijk waar maakt. Grafisch is dit het snijpunt van twee rechten in een assenstelsel.
Bij de methode van substitutie druk je één onbekende uit in de andere via één vergelijking, en vervangt dat dan in de andere vergelijking. Zo krijg je een vergelijking met slechts één onbekende, die je al kunt oplossen.
Los op: en
Oplossing: x = 7, y = 3
Een notitieboekje kost €2 meer dan een pen. Samen kosten 1 notitieboekje en 1 pen €6,50. Wat kost elk?
Pen = €2,25 | Notitieboekje = €4,25
Wat zou de grafische betekenis zijn als twee rechten evenwijdig zijn? Wat zou dat betekenen voor het stelsel van vergelijkingen? En wat als de twee rechten samenvallen?
Bij een vraagstuk weet je meestal welke leerstof je net hebt gezien, en sluit de oplossingsmethode daarbij aan. Bij een echt probleem ligt de aanpak niet op voorhand vast: je moet zelf een geschikte methode kiezen. Daarvoor gebruik je heuristieken, zoekstrategieën die je op weg helpen.
Een heuristiek is een zoekstrategie of vuistregel die je helpt om een probleem aan te pakken. Een heuristiek garandeert geen oplossing, maar geeft je wel een verstandige eerste stap wanneer je niet meteen weet hoe te beginnen.
Een vraagstuk uit het dagelijks leven los je in twee bewegingen op. Eerst mathematiseer je: je vertaalt de tekst naar wiskunde (een schets, tabel of vergelijking). Je lost het wiskundige probleem op. Daarna demathematiseer je: je vertaalt het resultaat terug naar de context, met een antwoordzin en een controle of het realistisch is.
Mathematiseren = een stuk werkelijkheid vertalen naar een wiskundig model. Demathematiseren = het wiskundige antwoord terugvertalen naar de context en nagaan of het klopt. Samen vormen ze de twee richtingen van het modelleren.
Houd bij een lastig probleem deze strategieën bij de hand:
Ik denk aan een getal. Ik tel er 4 bij op, vermenigvuldig met 3 en kom uit op 27. Welk getal was het?
Antwoord: het getal was 5.
Een slak kruipt overdag 3 m omhoog langs een muur van 10 m en glijdt ’s nachts 2 m terug. Na hoeveel dagen is ze boven? Welke heuristiek helpt hier het best: een tekening, een tabel per dag, of een vergelijking? Pas op voor de valkuil bij de laatste dag — en doe een realiteitscheck.
Het woord algebra — rekenen met letters en vergelijkingen — heeft een verrassende oorsprong. We danken het aan de Perzische geleerde al-Khwarizmi, die rond het jaar 820 werkte in het “Huis van Wijsheid” in Bagdad.
Het woord algebra komt van het Arabische al-jabr uit de titel van al-Khwarizmi’s boek. Het betekent zoiets als “het herstellen”: termen van de ene kant van het gelijkteken naar de andere brengen — precies wat je doet bij de balansmethode.
Al-Khwarizmi schreef een boek met de titel Al-kitab al-mukhtasar fi hisab al-jabr wa’l-muqabala. Daarin beschreef hij stap voor stap hoe je vergelijkingen oplost door termen te verplaatsen (al-jabr) en gelijke termen aan beide kanten weg te werken (al-muqabala). Dat zijn precies de regels van de balansmethode die je in sectie 2 leerde.
Opvallend: al-Khwarizmi werkte nog zonder de symbolen +, − en x. Hij schreef alles voluit in woorden. Pas eeuwen later voerden wiskundigen de korte notatie in die wij vandaag gebruiken. Ook zijn naam leeft voort: het woord algoritme is een verbastering van “al-Khwarizmi”. Twee kernbegrippen uit dit boek — algebra en algoritme — gaan dus terug op één man.
De Arabische geleerden bewaarden bovendien de Griekse en Indiase wiskunde en breidden ze uit. Via hen bereikte onder meer het cijfer 0 en ons positiestelsel uiteindelijk Europa.
Los de vergelijking x + 5 = 12 op en benoem bij elke stap wat al-Khwarizmi al-jabr (verplaatsen) en al-muqabala (wegwerken) zou noemen. Waarom is het handiger met de symbolen +, − en x te werken dan met de uitgeschreven woorden van toen?
In het basisonderwijs loste je verdeel-vraagstukken vaak op met een tekening: de strokenmethode. Die tekening is een prima brug naar het opstellen van een vergelijking, zeker bij een ongelijke verdeling.
Bij de strokenmethode stel je een onbekende hoeveelheid voor als een rechthoekige strook. Grotere hoeveelheden teken je als langere of meerdere stroken. Zo zie je in één oogopslag hoe de delen zich tot het geheel verhouden.
Stel: samen hebben Lina en Tom 24 knikkers, maar Lina heeft er 6 meer dan Tom. Teken Toms aandeel als één strook, en Lina’s aandeel als diezelfde strook plus een stukje van 6.
De tekening zegt: tweemaal de strook, plus het extra stukje 6, is samen 24. In symbolen wordt dat een vergelijking die je met de balansmethode oplost.
Samen 24 knikkers, Lina heeft er 6 meer dan Tom. Hoeveel heeft elk?
Antwoord: Tom heeft 9 knikkers, Lina heeft er 15.
Drie vrienden verdelen € 60. De tweede krijgt dubbel zoveel als de eerste, de derde € 10 meer dan de eerste. Teken de stroken en stel de vergelijking op. Hoeveel stroken telt elk aandeel?
Oefening 1
Oplossing verifiëren
Controleer voor elke vergelijking of de gegeven waarde een oplossing is. Toon je berekening.
Tip: vul de gegeven waarde in en bereken beide leden apart. Zijn ze gelijk? Dan is het een oplossing.
Oefening 2
Eenvoudige vergelijkingen oplossen
Los elke vergelijking op. Geef de oplossingsverzameling en controleer je antwoord.
Tip: breng alle x-termen naar links en alle getallen naar rechts. Deel dan door de coëfficiënt van x.
Oefening 3
Vergelijkingen met haakjes
Expandeer de haakjes en los dan op.
Let op: als er een min-teken staat voor een haakje, verandert het teken van elke term erin. Bv. −3(x+1) = −3x − 3.
Oefening 4
Vergelijkingen met breuken
Vermenigvuldig eerst alle termen met het kgv van de noemers om de breuken te elimineren.
Tip: bij oefening 4c is kgv(3,6) = 6. Vermenigvuldig elke term met 6 en vereenvoudig.
Oefening 5
Tekstprobleem opstellen en oplossen
Stel telkens een vergelijking op, los op en geef het antwoord in een volledige zin.
Kies telkens zorgvuldig je variabele en schrijf op wat die voorstelt voordat je de vergelijking neerschrijft.
Oefening 6
Stelsel van twee vergelijkingen
Los elk stelsel op met de methode van substitutie. Controleer je antwoord in beide vergelijkingen.
Bij substitutie: isoleer eerst een variabele in de eenvoudigste vergelijking, dan substitueer je in de andere. Schrijf telkens op wat je doet.