Figuren bewegen, draaien en spiegelen — meetkunde in beweging
Transformaties beschrijven hoe figuren bewegen of veranderen in het vlak. Spiegelen, verschuiven, draaien en vergroten zijn dagelijkse handelingen die wiskundig precies beschreven kunnen worden. Symmetrie is een bijzondere eigenschap die in de kunst, de natuur en de architectuur overal opduikt.
Een spiegeling of reflectie beeldt elk punt P van het vlak af op een punt P′ aan de andere kant van een vaste rechte, de spiegelingsas. Het beeld P′ ligt even ver van de as als het originele punt P, en de verbindingslijn PP′ staat loodrecht op de as.
Een spiegeling over een as l is een transformatie waarbij elk punt P wordt afgebeeld op een punt P′ zodat de as l de loodrechte middelloodlijn is van het segment PP′. Punten die op de as liggen, worden op zichzelf afgebeeld.
Bij een spiegeling gelden de volgende regels:
Bij een spiegeling blijven afstanden en hoeken bewaard. Dat wil zeggen: als twee punten A en B worden gespiegeld naar A′ en B′, dan is |AB| = |A′B′|. De gespiegelde figuur heeft dus dezelfde vorm en dezelfde afmetingen als het origineel. Een dergelijke transformatie noemen we een isometrie (afstandsbewarende afbeelding).
Spiegel punt A(2, 3) over de y-as. Wat zijn de coördinaten van het beeld A′?
A′ = (−2, 3)
Driehoek met hoekpunten P(1, 2), Q(4, 2) en R(3, 5). Bepaal het beeld bij spiegeling over de x-as.
De hoekpunten van het beeld zijn P′(1, −2), Q′(4, −2) en R′(3, −5).
Kun je een figuur bedenken die na spiegeling over een bepaalde as op zichzelf valt? Wat is er bijzonder aan zo’n figuur? Welk woord gebruiken we daarvoor?
Bij een translatie of verschuiving schuift elk punt van het vlak over dezelfde vector = (a, b). De vector geeft aan hoever en in welke richting elk punt verschuift: a eenheden horizontaal en b eenheden verticaal.
Een translatie over vector (a, b) beeldt elk punt P(x, y) af op het punt P′(x + a, y + b). Alle punten verschuiven over dezelfde afstand in dezelfde richting. Een translatie heeft geen vaste punten (tenzij a = b = 0).
Verschuif punt B(3, −1) over vector = (−2, 4). Bepaal de coördinaten van B′.
B′ = (1, 3)
Verschuif driehoek met hoekpunten D(0, 0), E(4, 0) en F(2, 3) over vector (3, 2). Geef de nieuwe coördinaten.
D′(3, 2), E′(7, 2), F′(5, 5)
Bij een rotatie of draaiing draait elk punt van het vlak over een bepaalde hoek α rond een vast punt, het draaipunt of rotatiecentrum. De afstand van elk punt tot het draaipunt blijft bij een rotatie gelijk.
Een rotatie met draaipunt M en hoek α beeldt elk punt P af op een punt P′ zodat |MP| = |MP′| en de hoek P̂MP′ = α. We draaien positief in tegenwijzerzin (positieve hoek) of in wijzerzin (negatieve hoek).
Voor rotaties van 90°, 180° en 270° rond de oorsprong O(0, 0) bestaan handige formules:
Bij een rotatie blijven afstanden en hoeken bewaard: |AB| = |A′B′| voor alle punten A en B. Bovendien behoudt de figuur zijn oriëntatie (links-rechts verhouding), in tegenstelling tot een spiegeling. Een rotatie over 360° geeft de identiteitsafbeelding.
Draai punt C(4, 2) over 90° tegenwijzerzin rond de oorsprong. Wat is het beeld C′?
C′ = (−2, 4)
Bij een homothetie of schaalafbeelding wordt een figuur vergroot of verkleind vanuit een vast punt, het homothetiecentrum (of middelpunt). De schaalfactor k bepaalt hoeveel groter of kleiner het beeld wordt.
Een homothetie met centrum M en factor k beeldt elk punt P af op een punt P′ zodat = k · . Als centrum = oorsprong, dan geldt de eenvoudige formule hieronder.
Bij een homothetie met factor k blijven alle hoeken bewaard (de figuur behoudt zijn vorm — we noemen dit gelijkvorming), maar alle afstanden worden vermenigvuldigd met |k|: |A′B′| = |k| · |AB|. Het beeld is dus altijd gelijkvorming maar niet noodzakelijk congruent met het origineel.
Vergroot driehoek met hoekpunten G(1, 1), H(3, 1) en I(2, 3) met factor 2 vanuit de oorsprong. Bepaal de hoekpunten van het beeld.
G′(2, 2), H′(6, 2), I′(4, 6)
Een figuur heeft symmetrie wanneer een transformatie de figuur op zichzelf afbeeldt. Er zijn drie soorten symmetrie die je moet kennen: lijn-, punt- en rotationele symmetrie.
Een figuur heeft axiale symmetrie of lijnsymmetrie als er een rechte bestaat — de symmetrie-as — zodat de spiegeling van het figuur over die rechte het figuur opnieuw op zichzelf afbeeldt. De as verdeelt de figuur in twee spiegelbeeldige helften.
Een rechte l is een symmetrie-as van een figuur als de spiegeling van het figuur over l het figuur terug op zichzelf afbeeldt. De figuur valt dan volledig samen met zijn spiegelbeeld.
Een figuur heeft puntspiegeling of centrale symmetrie als er een punt M bestaat zodat de 180°-rotatie rond M het figuur op zichzelf afbeeldt. Het punt M noemen we het symmetriecentrum.
Een figuur heeft rotationele symmetrie van orde n als het figuur na een rotatie over 360°/n (en veelvouden ervan) op zichzelf valt. Een vierhoek met 4-voudig rotationele symmetrie valt al bij 90° op zichzelf; een gelijkzijdige driehoek bij 120°.
Hoeveel symmetrie-assen hebben een rechthoek, een vierkant en een regelmatige zeshoek?
Rechthoek: 2 assen | Vierkant: 4 assen | Regelmatige zeshoek: 6 assen
Zoek thuis of in de klas drie voorbeelden van voorwerpen met axiale symmetrie en één voorbeeld van puntspiegeling. Denk aan letters van het alfabet: welke letters hebben een horizontale symmetrie-as? Welke een verticale? Welke hebben geen enkele symmetrie-as?
De spiegelingen, verschuivingen en draaiingen uit dit hoofdstuk teken je met passer en geodriehoek, maar je kunt ze ook onderzoeken met de computer. Een gratis en veelgebruikt programma daarvoor is GeoGebra. Het is een digitaal meetkundeschrift waarin je punten, rechten en figuren kunt tekenen en daarna laten bewegen.
GeoGebra is gratis wiskundesoftware (via de browser of als app) waarmee je meetkundige constructies kunt maken, transformaties kunt uitvoeren en grafieken kunt tekenen. Wijzig je een gegeven, dan past de hele figuur zich meteen aan.
GeoGebra is sterk in drie soorten taken die in dit hoofdstuk terugkomen:
Het grote voordeel is dat je een gegeven kunt “vastpakken” en verslepen: terwijl je een hoekpunt beweegt, zie je het spiegelbeeld meebewegen. Zo ontdek je zelf de eigenschappen — bijvoorbeeld dat een spiegeling de lengtes behoudt maar de oriëntatie omkeert — in plaats van ze enkel te lezen.
Spiegel een driehoek om een rechte.
Antwoord: het beeld is congruent met het origineel, maar de oriëntatie (de draaizin) is omgekeerd.
Een handig hulpmiddel vervangt het denken niet. Het blijft belangrijk om te reflecteren over wanneer je de computer inzet en wanneer je het zelf doet.
Gebruik ICT wanneer je een eigenschap wilt onderzoeken, een figuur nauwkeurig en snel wilt tekenen, of een vermoeden wilt testen door iets te verslepen. Doe het uit het hoofd of op papier wanneer het om eenvoudige gevallen gaat, wanneer je een vaardigheid wilt inoefenen, of op een toets zonder computer. Wie blind op de software vertrouwt, mist het inzicht; wie nooit een hulpmiddel gebruikt, verliest tijd aan precisiewerk.
Voor welke van deze taken zou jij GeoGebra gebruiken, en voor welke reken je liever uit het hoofd: (a) het spiegelbeeld van het punt (3, 2) om de x-as bepalen, (b) onderzoeken of een rotatie over 360° een figuur altijd op zichzelf afbeeldt, (c) een nauwkeurige draaiing over 73° tekenen? Verantwoord telkens je keuze.
Oefening 1
Spiegeling over een as
Bepaal de coördinaten van de beeldpunten na de gevraagde spiegeling.
Tip: bij spiegeling over de y-as wisselt het teken van de x-coördinaat; bij spiegeling over de x-as wisselt het teken van de y-coördinaat.
Oefening 2
Translatie met een gegeven vector
Pas de gegeven translatie toe.
Oefening 3
Rotatie over 90°
Gebruik de formule voor 90° rotatie tegenwijzerzin rond de oorsprong: (x, y) → (−y, x).
Tip: voor vraag 4, pas de 90°-formule twee keer na elkaar toe op (a, b).
Oefening 4
Schaalfactor berekenen
Bij elke homothetie vanuit de oorsprong is een origineel punt en zijn beeld gegeven. Bepaal de schaalfactor k.
Oefening 5
Symmetrie herkennen en benoemen
Bepaal voor elke figuur het type symmetrie en het aantal symmetrie-assen of de orde van rotationele symmetrie.
Tip: voor een regelmatige n-hoek geldt altijd: n symmetrie-assen en rotationele orde n.
Oefening 6
Gecombineerde transformatie
Pas twee transformaties na elkaar toe op het gegeven punt.
Uitdaging: probeer voor vraag 4 beide volgorden te berekenen en vergelijk je antwoorden.