Wiskunde  ·  1A  ·  Eerste graad

Vierhoeken en cirkels

Van het vierkant tot de vlieger — en de cirkel, de meest symmetrische figuur van allemaal

Hoofdstuk 8

Vierhoeken en cirkels

Vier hoeken, vier zijden — maar welk een verscheidenheid! Van het vierkant tot de vlieger, van de ruit tot de trapezium. En dan de cirkel, de meest symmetrische vlakke figuur van allemaal. In dit hoofdstuk leer je de eigenschappen van alle belangrijke vierhoeken en van de cirkel kennen.

1

Vierhoeken — overzicht en eigenschappen

Een vierhoek is een vlakke figuur die begrensd wordt door precies 4 rechte zijden en 4 hoeken. De zijden verbinden de vier hoekpunten met elkaar. Alle figuren die je in dit hoofdstuk tegenkomt — parallelogrammen, rechthoeken, ruiten, vierkanten, trapeziums en vliegers — zijn vierhoeken.

Begrip Vierhoek

Een vierhoek is een vlakke figuur met 4 zijden, 4 hoeken en 4 hoekpunten. De zijden mogen niet over elkaar kruisen (een gewone of convexe vierhoek). De som van alle binnenhoeken is altijd 360°.

Stelling — Hoekensomstelling voor vierhoeken

De som van de vier binnenhoeken van een willekeurige vierhoek is steeds 360°.

α1 + α2 + α3 + α4 = 360 °

Bewijs (idee): elke vierhoek kan verdeeld worden in twee driehoeken door een diagonaal te tekenen. De hoekensomstelling voor driehoeken geeft 2 × 180° = 360°.

Hiërarchie van vierhoeken

Niet alle vierhoeken zijn gelijk: sommige hebben extra eigenschappen. Zo heeft een parallelogram twee paar evenwijdige zijden, een rechthoek is een bijzonder parallelogram met rechte hoeken, en een vierkant combineert de eigenschappen van zowel de rechthoek als de ruit. De figuur hieronder toont hoe de verschillende vierhoeken zich tot elkaar verhouden.

Hiërarchie van vierhoeken: vierhoek boven, dan trapezium, parallelogram, vlieger, dan rechthoek en ruit, dan vierkant Vierhoek Trapezium Parallelogram Vlieger Rechthoek Ruit Vierkant 2 paar // zijden 4 rechte hoeken 4 gelijke zijden alles gecombineerd Hiërarchie van vierhoeken. Naar beneden in de boom: meer bijzondere eigenschappen. Het vierkant staat onderaan en erft alle eigenschappen van de rechthoek én de ruit.
💡 Denkvraag

Bekijk de hiërarchie. Is elk vierkant ook een rechthoek? Is elke rechthoek ook een vierkant? Leg het verschil uit met een voorbeeld.

2

Parallelogram, rechthoek, ruit en vierkant

De vier belangrijkste bijzondere vierhoeken vormen een familie: elk is een speciaal geval van de vorige. We bespreken ze achtereenvolgens, telkens met hun definitie, eigenschappen en een illustratie.

Het parallelogram

Definitie Parallelogram

Een parallelogram is een vierhoek waarbij de tegenovergestelde zijden evenwijdig zijn. Dat wil zeggen: de twee paar overstaande zijden lopen nooit naar elkaar toe of van elkaar weg.

Eigenschappen van het parallelogram:

De rechthoek

Definitie Rechthoek

Een rechthoek is een parallelogram waarbij alle vier de hoeken rechte hoeken zijn (elk 90°). Omdat het een parallelogram is, gelden ook alle eigenschappen van het parallelogram.

Extra eigenschappen van de rechthoek (bovenop die van het parallelogram):

De ruit

Definitie Ruit

Een ruit is een parallelogram waarbij alle vier de zijden gelijk van lengte zijn. Een ruit heeft de vorm van een scheve ruit of diamant.

Extra eigenschappen van de ruit (bovenop die van het parallelogram):

Het vierkant

Definitie Vierkant

Een vierkant is tegelijk een rechthoek en een ruit: het heeft 4 gelijke zijden en 4 rechte hoeken. Het vierkant is de meest bijzondere vierhoek in de parallellogramfamilie.

Alle eigenschappen van het vierkant:

Vier bijzondere vierhoeken: parallelogram, rechthoek, ruit en vierkant met aanduidingen Parallelogram A B C D Rechthoek A B C D Ruit Vierkant De vier bijzondere parallelogrammen. Rode rechthoekjes = rechte hoeken; rode streepjes = gelijke zijden; stippellijnen = diagonalen; gele boogjes = gelijke hoeken.
Samenvatting — eigenschap diagonalen

Parallelogram: diagonalen halveren elkaar.
Rechthoek: diagonalen halveren elkaar én zijn gelijk van lengte.
Ruit: diagonalen halveren elkaar én staan loodrecht op elkaar.
Vierkant: diagonalen halveren elkaar, zijn gelijk van lengte én staan loodrecht op elkaar.

3

Trapezium en vlieger

Naast de parallelogramfamilie zijn er nog twee belangrijke vierhoeken die je moet kennen: het trapezium en de vlieger. Beide zijn geen parallelogrammen, maar hebben wel hun eigen bijzondere eigenschappen.

Het trapezium

Definitie Trapezium

Een trapezium is een vierhoek met precies één paar evenwijdige zijden. Die twee evenwijdige zijden noemen we de bases van het trapezium. De andere twee zijden (de poten) zijn niet evenwijdig.

We onderscheiden twee soorten:

Stelling — Gelijkbenig trapezium

In een gelijkbenig trapezium zijn de twee basishoeken (de hoeken bij dezelfde basis) gelijk aan elkaar.

Met andere woorden: als AB ∥ DC en AD = BC, dan is hoek A = hoek B en hoek D = hoek C.

De vlieger (deltavorm)

Definitie Vlieger

Een vlieger is een vierhoek met twee paar aangrenzende (naast elkaar liggende) zijden die gelijk zijn. De gelijke zijden grenzen aan dezelfde hoekpunten, in tegenstelling tot het parallelogram waar de gelijke zijden tegenover elkaar liggen.

Stelling — Diagonalen van de vlieger

In een vlieger staan de twee diagonalen loodrecht op elkaar. Bovendien halveert de hoofddiagonaal (die de twee hoekpunten verbindt waar ongelijke zijden samenkomen) de andere diagonaal. De langste diagonaal is een symmetrie-as van de vlieger.

Gelijkbenig trapezium links en vlieger rechts met gelabelde zijden en eigenschapmarkeringen A B C D Gelijkbenig trapezium AB ∥ DC A B C D Vlieger Links: gelijkbenig trapezium met evenwijdige bases (gele pijltjes) en gelijke poten (rode streepjes). De basishoeken zijn gelijk (oranje boogjes). Rechts: vlieger met twee paar gelijke aangrenzende zijden; de diagonalen staan loodrecht op elkaar en de goudgele stip toont het halveringspunt.
💡 Denkvraag

Kan een trapezium ook een parallelogram zijn? Kan een vlieger ook een ruit zijn? Bespreek beide gevallen en geef aan wanneer dat wel of niet kan.

4

De cirkel

De cirkel is de meest symmetrische vlakke figuur: hij ziet er vanuit elke richting hetzelfde uit. Een cirkel kan worden omschreven als de verzameling van alle punten die precies even ver van één vast punt liggen.

Definitie Cirkel

Een cirkel is de verzameling van alle punten in een vlak die op een vaste afstand r liggen van een vast punt M, het middelpunt. De vaste afstand r heet de straal van de cirkel.

Begrippen bij de cirkel

Cirkel met middelpunt M, straal r, diameter d, koorde en een goudkleurige sector sector d = 2r r r koorde boog M P Q R ← diameter d = RQ (door M) → Cirkel met middelpunt M, straal r (rood), diameter d = 2r (stippellijn), een koorde (blauw) en een goudkleurige sector. De boog is het deel van de cirkelomtrek.

Omtrek en oppervlakte van een cirkel

De omtrek van een cirkel heet ook wel de circumferentie. Om hem te berekenen, hebben we het beroemde getal π (pi) nodig. Dit is een irrationaal getal: π ≈ 3,14159… Het is de verhouding tussen de omtrek en de diameter van elke cirkel, ongeacht de grootte.

Formule — Omtrek van een cirkel O = 2 π r = π d
Formule — Oppervlakte van een cirkel A = π r2

De volledige afleiding van deze formules volgt in Hoofdstuk 11. Hier leer je ze al toepassen.

Rekenvoorbeeld

Bereken de omtrek en de oppervlakte van een cirkel met straal r = 5 cm. Gebruik π ≈ 3,14159.

  • Omtrek:   O=2πr=2×π×5  = 10π cm
  • Numeriek: 10 × 3,14159 ≈ 31,42 cm
  • Oppervlakte:   A=πr2=π×52=25π   cm²
  • Numeriek: 25 × 3,14159 ≈ 78,54 cm²

Omtrek ≈ 31,42 cm  |  Oppervlakte ≈ 78,54 cm²

💡 Denkvraag

Als de straal van een cirkel verdubbelt, wat gebeurt er dan met de omtrek? En met de oppervlakte? Redeneer zonder te rekenen, en controleer daarna met de formules.

5

Hoeken in een cirkel

Wanneer je hoeken tekent die te maken hebben met een cirkel, zijn er twee belangrijke soorten: de middelpuntshoek en de omtrekshoek (ook: ingeschreven hoek). Ze hangen op een elegante manier met elkaar samen.

Middelpuntshoek en omtrekshoek

Begrip Middelpuntshoek

Een middelpuntshoek is een hoek waarvan het hoekpunt in het middelpunt M van de cirkel ligt, en waarvan de twee benen door punten op de cirkel gaan. De bogen die de benen afsnijden, worden bepaald door deze hoek.

Begrip Omtrekshoek (ingeschreven hoek)

Een omtrekshoek is een hoek waarvan het hoekpunt op de cirkel zelf ligt, en waarvan de twee benen koorden zijn die op dezelfde boog steunen als de bijbehorende middelpuntshoek.

Stelling — Ingeschreven hoekstelling (vereenvoudigd)

Een omtrekshoek is steeds de helft van de middelpuntshoek die op dezelfde boog steunt.

omtrekshoek = 12 × middelpuntshoek

Alle omtrekshoeken op dezelfde boog zijn ook onderling gelijk aan elkaar.

Stelling van Thales — Omtrekshoek in halve cirkel

Als de koorde waarop de omtrekshoek steunt een diameter is, dan is de omtrekshoek gelijk aan 90°.

Met andere woorden: elk punt op een cirkel “ziet” de diameter onder een rechte hoek. Dit is de stelling van Thales.

Bewijs (idee): de diameter stemt overeen met een middelpuntshoek van 180° (een gestrekte hoek). De omtrekshoek is de helft: 180° ÷ 2 = 90°.

Cirkel met middelpuntshoek bij M en omtrekshoek bij P op dezelfde boog AB; de omtrekshoek is de helft van de middelpuntshoek α M P A B Legenda Middelpuntshoek 2α (hoekpunt = M) Omtrekshoek α (hoekpunt = P op cirkel) Boog AB (gedeeld) α = ½ × 2α omtrekshoek = ½ × middelpuntshoek De omtrekshoek α bij P is de helft van de middelpuntshoek 2α bij M. Beide hoeken steunen op dezelfde boog AB (goud). Dit geldt voor elk punt P op de grote boog.
💡 Denkvraag

Als een middelpuntshoek 80° meet, hoe groot is dan de bijbehorende omtrekshoek? En als een omtrekshoek 35° meet, hoe groot is dan de middelpuntshoek? Gebruik de stelling om te redeneren.

Oefeningen

Oefening 1

Vierhoeken herkennen aan hun eigenschappen

Geef de naam van de vierhoek die voldoet aan de gegeven eigenschappen. Er kan meer dan één antwoord mogelijk zijn — geef de meest bijzondere naam.

  1. Een vierhoek met vier gelijke zijden en vier rechte hoeken.
  2. Een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden, maar de hoeken zijn niet 90° en de zijden zijn niet allemaal gelijk.
  3. Een vierhoek met precies één paar evenwijdige zijden en twee gelijke poten.
  4. Een vierhoek waarvan de diagonalen loodrecht op elkaar staan en alle zijden gelijk zijn, maar de hoeken zijn niet 90°.
  5. Een vierhoek met twee paar aangrenzende gelijke zijden waarbij de paren niet gelijk zijn aan elkaar.
  6. Een vierhoek met vier rechte hoeken waarvan de zijden niet allemaal gelijk zijn.

Tip: gebruik de hiërarchie uit sectie 1. Begin met de meest algemene naam en werk naar de meest bijzondere.

Oefening 2

Ontbrekende hoek in een vierhoek berekenen

Bereken de ontbrekende hoek in elke vierhoek. De som van de hoeken is altijd 360°.

  1. Drie hoeken van een vierhoek meten 85°, 110° en 95°. Hoe groot is de vierde hoek?
  2. In een parallelogram is één hoek 65°. Bereken alle andere hoeken.
  3. In een trapezium zijn twee aanliggende hoeken bij de langste basis 70° en 85°. De derde hoek is 110°. Bereken de vierde hoek.
  4. In een gelijkbenig trapezium is de hoek bij de korte basis 125°. Bereken alle vier de hoeken.

Tip: voor het parallelogram: aanliggende hoeken zijn supplementair (samen 180°). Tegenovergestelde hoeken zijn gelijk.

Oefening 3

Eigenschappen van bijzondere vierhoeken

Beantwoord de volgende vragen over vierhoeken en hun eigenschappen.

  1. In een rechthoek ABCD is AB = 8 cm en BC = 5 cm. Hoe lang is de diagonaal AC? (Hint: gebruik de stelling van Pythagoras.)
  2. In een ruit met zijde 6 cm is één diagonaal 10 cm lang. Bereken de lengte van de andere diagonaal. (Hint: de diagonalen staan loodrecht op elkaar en halveren elkaar.)
  3. Een parallelogram heeft een zijde van 7 cm en een aangrenzende hoek van 120°. Wat zijn de vier hoeken?
  4. Leg uit waarom elk vierkant een ruit is, maar niet elke ruit een vierkant.

Tip voor vraag 2: teken de situatie. De halve diagonalen en een zijde vormen een rechthoekige driehoek.

Oefening 4

Cirkelberekeningen

Bereken de gevraagde grootheden. Gebruik π ≈ 3,14 of laat je antwoord in termen van π.

  1. Bereken de omtrek en oppervlakte van een cirkel met straal 9 cm. Geef het antwoord exact (in termen van π) en bij benadering.
  2. De diameter van een fietswiel bedraagt 70 cm. Hoe ver rijdt de fiets na precies 100 omwentelingen van het wiel?
  3. Een cirkel heeft een omtrek van 62,8 cm. Bereken de straal en de oppervlakte.
  4. Twee cirkels hebben stralen van respectievelijk 3 cm en 6 cm. Bereken de verhouding van hun oppervlakten.

Tip voor vraag 4: de oppervlakte schaalt als het kwadraat van de straal. Als de straal verdubbelt, wordt de oppervlakte 4 keer zo groot.

Oefening 5

Ingeschreven hoekstelling

Pas de ingeschreven hoekstelling en de stelling van Thales toe.

  1. Een middelpuntshoek in een cirkel meet 100°. Hoe groot is de bijbehorende omtrekshoek op dezelfde boog?
  2. Een omtrekshoek meet 42°. Hoe groot is de corresponderende middelpuntshoek?
  3. Drie punten A, B en C liggen op een cirkel. De middelpuntshoek AMB (bij het middelpunt M) is 130°. Punt P ligt ook op de cirkel, aan de andere kant van AB. Hoe groot is de omtrekshoek APB?
  4. Punt C ligt op een cirkel waarvan AB de diameter is. Hoe groot is de hoek ACB? Welke stelling gebruik je? Verklaar.

Tip voor vraag 3: controleer of P aan dezelfde kant of de andere kant van de boog AB ligt als M. Dat bepaalt of de omtrekshoek = ½ × middelpuntshoek of = 180° − ½ × middelpuntshoek.

Oefening 6

Ontwerpvraagstuk — plattegrond met cirkelvormige en rechthoekige ruimtes

Een architect ontwerpt een kleine recreatiezaal. De zaal is rechthoekig met afmetingen 12 m × 8 m. In de zaal worden twee cirkelvormige ruimtes (eethoeken) ingetekend, elk met een straal van 2 m. De rest van de vloer is open ruimte.

  1. Bereken de oppervlakte van de rechthoekige zaal.
  2. Bereken de totale oppervlakte van de twee cirkelvormige eethoeken samen. Geef het antwoord in termen van π en bij benadering (gebruik π ≈ 3,14).
  3. Hoeveel vierkante meter open vloerruimte blijft er over na het plaatsen van de twee eethoeken?
  4. De omtrek van elke eethoek moet omzoomd worden met een houten rand. Hoeveel meter hout is er in totaal nodig voor beide eethoeken?
  5. De architect wil een vierkant tapijt leggen dat zo groot mogelijk is en volledig binnen één eethoek past. Wat is de zijde van het grootste vierkant dat in een cirkel met straal 2 m past? (Hint: gebruik de diagonaal van het vierkant en de relatie met de cirkeldiameter.)

Uitdaging voor vraag 5: de diagonaal van het ingeschreven vierkant is gelijk aan de diameter van de cirkel. Gebruik de relatie d = z√2 voor een vierkant met zijde z.

Samenvatting