Wiskunde  ·  1A  ·  Eerste graad

Bewerkingen met
gehele getallen

Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen — ook met negatieve getallen

Hoofdstuk 2

Bewerkingen met gehele getallen

Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen zijn de vier basisbewerkingen van de wiskunde. In dit hoofdstuk pas je ze toe op gehele getallen — inclusief negatieve getallen — en leer je de juiste volgorde van bewerkingen.

1

Optellen en aftrekken van gehele getallen

In het dagelijkse leven kom je voortdurend negatieve getallen tegen: de temperatuur daalt tot −5 °C, een rekening staat −20 euro in het rood, een lift gaat naar verdieping −2. Zodra je met negatieve getallen begint te rekenen, moet je een aantal regels kennen voor het bepalen van het teken van het resultaat.

De sleutel tot optellen en aftrekken met gehele getallen ligt in twee eenvoudige principes: gelijke tekens optellen en verschillende tekens aftrekken. We werken dit hieronder stap voor stap uit.

Teken van de som: gelijke en verschillende tekens

Wanneer je twee gehele getallen optelt, gelden er twee gevallen op basis van hun tekens:

Regel — Optellen van gehele getallen

Gegeven twee gehele getallen a en b:

Gelijke tekens: a + b = teken × (|a| + |b|) — het resultaat heeft hetzelfde teken als a en b.

Verschillende tekens: a + b = tekengrootste × ( |a| − |b| ) — het resultaat heeft het teken van het getal met de grootste absolute waarde.

Rekenvoorbeeld 1

Bereken (−5) + 8.

  • Bepaal de tekens: het eerste getal is negatief (−5), het tweede is positief (+8). De tekens zijn verschillend.
  • Bepaal de absolute waarden: |−5| = 5 en |8| = 8.
  • Bereken het verschil van de absolute waarden: 8 − 5 = 3.
  • Geef het teken van het getal met de grootste absolute waarde: |8| > |−5|, dus het resultaat is positief.

(−5) + 8 = +3 = 3

Getallenas die (−5) + 8 visualiseert: begin bij −5, spring 8 naar rechts, eindig op 3 −7 −6 −5 −4 −3 −2 −1 0 1 2 3 4 5 + 8 start uitkomst Getallenas: we starten op −5 (rood) en zetten 8 stappen naar rechts. We belanden op 3 (goud). Dus (−5) + 8 = 3.
Rekenvoorbeeld 2

Bereken 3 − (−4).

  • Hoofdregel: een negatief getal aftrekken is hetzelfde als het tegengestelde ervan optellen: a − (−b) = a + b.
  • Herschrijf de bewerking: 3 − (−4) = 3 + 4.
  • Tel op: 3 + 4 = 7.

3 − (−4) = 3 + 4 = 7

De redenering achter de hoofdregel: “aftrekken” en “het tegengestelde optellen” zijn twee beschrijvingen van dezelfde bewerking. Als iemand jou 4 euro schuld kwijtscheldt (−(−4)), is dat exact hetzelfde als je 4 euro geven (+4). In beide gevallen ga je er 4 euro op vooruit.

💡 Denkvraag

De temperatuur was gisteren −3 °C. Vandaag is ze −7 °C. Wat is het temperatuursverschil? Stel de berekening op als een aftrekking van gehele getallen en los ze op.

2

Vermenigvuldigen van gehele getallen

Bij het vermenigvuldigen van gehele getallen is het bepalen van het teken van het product een cruciale stap. De absolute waarde bereken je gewoon als bij positieve getallen — je vermenigvuldigt de absolute waarden. Maar het teken van het resultaat volgt uit een vaste regel.

Je kunt de tekensregel intuïtief begrijpen via herhaalde optelling: 3 × (−4) = (−4) + (−4) + (−4) = −12. Als je een negatief getal driemaal optelt, wordt het resultaat negatiever en dus negatief. Voor twee negatieve factoren volgt de regel uit de wiskundige consistentie van de bewerking.

Regel — Teken bij vermenigvuldiging

Het teken van het product van twee gehele getallen:

(+) × (+) = +  —  twee positieve factoren geven een positief product
(−) × (−) = +  —  twee negatieve factoren geven een positief product
(+) × (−) = −  —  een positieve en een negatieve factor geven een negatief product
(−) × (+) = −  —  idem (volgorde van de factoren maakt niet uit)

Korte samenvatting: gelijke tekens → positief product; verschillende tekens → negatief product.

Overzicht tekensregels — vermenigvuldiging
Factor 1
Factor 2
Product
+
+
+
+
+
+
(a) × (b) = a×b (a,b>0)
Rekenvoorbeeld 3

Bereken (−3) × (−4).

  • Bepaal de tekens van de factoren: beide zijn negatief. Twee negatieve factoren geven een positief product.
  • Bereken de absolute waarden: |−3| = 3 en |−4| = 4.
  • Vermenigvuldig de absolute waarden: 3 × 4 = 12.
  • Pas het teken toe: het product is positief → +12 = 12.

(−3) × (−4) = +12 = 12

Rekenvoorbeeld 4

Bereken (−6) × 5.

  • Bepaal de tekens: het eerste getal is negatief, het tweede positief. Dus verschillende tekens → negatief product.
  • Bereken het product van de absolute waarden: 6 × 5 = 30.
  • Pas het negatieve teken toe: −30.

(−6) × 5 = −30

Let op: als je meer dan twee factoren vermenigvuldigt, tel je het aantal negatieve factoren. Is dat een even aantal, dan is het product positief; is het een oneven aantal, dan is het product negatief.

×
Begrip Tekensregel bij vermenigvuldiging

Het product van twee gehele getallen met gelijke tekens is altijd positief. Het product van twee getallen met verschillende tekens is altijd negatief. De absolute waarde van het product is het product van de absolute waarden van de factoren.

💡 Denkvraag

Wat is het teken van (−1) × (−1) × (−1) × (−1) × (−1)? Verklaar je redenering zonder de berekening volledig uit te werken. Wat is de algemene regel voor een even of oneven aantal negatieve factoren?

3

Delen van gehele getallen

Deling is de omgekeerde bewerking van vermenigvuldiging. Als 3 × 4 = 12, dan is 12 ÷ 4 = 3 en 12 ÷ 3 = 4. Deze relatie tussen vermenigvuldiging en deling geldt ook voor gehele getallen, en de tekensregel voor deling is identiek aan die voor vermenigvuldiging.

Regel — Teken bij deling

Voor het quotiënt ab (met b ≠ 0) geldt:

Gelijke tekens → positief quotiënt: (+)(+)=+   en   ()()=+

Verschillende tekens → negatief quotiënt: (+)()=   en   ()(+)=

Deling door nul is niet gedefinieerd.

Gehele deling met rest

Wanneer je twee gehele getallen deelt en het resultaat niet opnieuw een geheel getal is, spreek je van een gehele deling met rest. Je schrijft dan:

Definitie — Gehele deling met rest a = b × q + r met 0 r < |b|

a = het deeltal  •  b = de deler  •  q = het quotiënt  •  r = de rest

Rekenvoorbeeld 5

Bereken (−18) ÷ (−3).

  • Bepaal de tekens: beide zijn negatief. Gelijke tekens → positief quotiënt.
  • Deel de absolute waarden: 18 ÷ 3 = 6.
  • Pas het positieve teken toe: +6 = 6.
  • Controleer: (−3) × 6 = −18 ✓

(−18) ÷ (−3) = 6

Rekenvoorbeeld 6

Bereken (−15) ÷ 4. Wat merk je op?

  • Bepaal het teken: negatief gedeeld door positief → negatief quotiënt.
  • Deel de absolute waarden: 15 ÷ 4 = 3 rest 3 (want 4 × 3 = 12 en 15 − 12 = 3).
  • Als gehele deling: het quotiënt is −3 en de rest is 3 (want −15 = 4 × (−4) + 1  —  zie opmerking).
  • Als breuk of rationaal getal: 154 = 3,75 . Dit is een rationaal getal — het behoort tot ℚ maar niet tot ℤ.

Als rationaal getal: 154 =3,75  ∈  ℚ

Wanneer de deling geen geheel getal oplevert, stap je vanzelf over naar de wereld van de rationale getallen (ℚ), die je in een later hoofdstuk uitgebreider zult bestuderen. Voor nu is het voldoende te weten dat ab altijd een rationaal getal is zolang b ≠ 0.

💡 Denkvraag

Waarom mag je nooit door nul delen? Probeer uit te leggen wat er “mis” zou gaan als je een getal door 0 zou mogen delen. Hint: wat zou 6 ÷ 0 = x betekenen als je dit vertaalt naar een vermenigvuldiging?

4

Volgorde van bewerkingen

Wanneer een wiskundige uitdrukking meerdere bewerkingen combineert, is de volgorde waarmee je ze uitvoert essentieel. Zonder een vaste afspraak zou 3 + 4 × 2 enerzijds 14 kunnen zijn (als je van links naar rechts werkt) of 11 (als je vermenigvuldiging voorrang geeft). Wiskundigen wereldwijd hebben hierover dezelfde afspraken gemaakt.

In België en Nederland onthouden leerlingen de prioriteitsvolgorde vaak met de ezelsbruggetje: “Haakjes, Machten, Maal en Delen, Plus en Min”. De eerste letters geven de volgorde aan: haakjes hebben de hoogste prioriteit, daarna machten en wortels, dan vermenigvuldiging en deling (van links naar rechts), en als laatste optelling en aftrekking (van links naar rechts).

Regel — Prioriteit van bewerkingen (rekenvolgorde)
  1. Haakjes — bereken eerst wat tussen haakjes staat, van de binnenste naar de buitenste haakjes
  2. Machten en wortels — bereken vervolgens alle machtsverheffingen en wortels
  3. Maal en Delen — vermenigvuldiging en deling, van links naar rechts
  4. Plus en Min — optelling en aftrekking, van links naar rechts

Ezelsbruggetje: H–M–MD–PM of “Haakjes, Machten, Maal en Delen, Plus en Min

Rekenvoorbeeld 7

Bereken 3 + 4 × 2. (Waarom is het antwoord 11 en niet 14?)

  • Zijn er haakjes? Neen. Zijn er machten? Neen.
  • Voer eerst de vermenigvuldiging uit (hogere prioriteit dan optelling): 4 × 2 = 8.
  • Voer daarna de optelling uit: 3 + 8 = 11.

3 + 4 × 2 = 3 + 8 = 11   (niet 14)

Rekenvoorbeeld 8

Bereken (3 + 4) × 2. Vergelijk met het vorige voorbeeld.

  • Er zijn haakjes: bereken die eerst. 3 + 4 = 7.
  • Daarna de vermenigvuldiging: 7 × 2 = 14.

(3 + 4) × 2 = 7 × 2 = 14

De haakjes in het tweede voorbeeld veranderen de uitkomst volledig. Haakjes zijn het instrument waarmee je de standaardvolgorde kunt doorbreken. Als je een optelling eerder wilt uitvoeren dan een vermenigvuldiging, zet je die optelling tussen haakjes.

Rekenvoorbeeld 9 — Gecombineerde uitdrukking

Bereken −2 + 3 × (−4) − (6 ÷ (−2)) stap voor stap.

  • Stap 1 — Haakjes: Bereken de binnenste haakjes eerst: 6 ÷ (−2) = −3 (verschillende tekens → negatief). Nu staat er: −2 + 3 × (−4) − (−3).
  • Stap 2 — Vermenigvuldiging: 3 × (−4) = −12 (verschillende tekens → negatief). Nu staat er: −2 + (−12) − (−3).
  • Stap 3 — Aftrekken van een negatief getal: − (−3) = + 3. Nu staat er: −2 + (−12) + 3.
  • Stap 4 — Optelling van links naar rechts: −2 + (−12) = −14   (gelijke tekens: |2| + |12| = 14, negatief → −14).
  • Stap 5: −14 + 3 = −11   (verschillende tekens: |14| > |3|, negatief → −11).

−2 + 3 × (−4) − (6 ÷ (−2)) = −11

💡 Denkvraag

Een medeleerling berekent 10 − 2 × 3 + 1 en krijgt 25 als antwoord. Wat heeft die medeleerling fout gedaan? Wat is het correcte antwoord, en hoe zou je de uitdrukking moeten schrijven als je écht 25 als antwoord wil?

5

Eigenschappen van bewerkingen

Naast de volgorde van bewerkingen zijn er een aantal belangrijke eigenschappen die voor optelling en vermenigvuldiging gelden. Deze eigenschappen mag je gebruiken om berekeningen te vereenvoudigen en slimmer te rekenen. Ze worden geregeld toegepast in algebra en bij het oplossen van vergelijkingen.

De commutatieve eigenschap

De commutatieve eigenschap (ook: de verwisseleigenschap) zegt dat je bij optelling en vermenigvuldiging de volgorde van de termen of factoren mag verwisselen zonder het resultaat te veranderen.

Commutatieve eigenschap a+b=b+a a×b=b×a

Let op: aftrekking en deling zijn niet commutatief. 8 − 3 ≠ 3 − 8 en 12 ÷ 4 ≠ 4 ÷ 12. Verwisselen mag enkel bij optelling en vermenigvuldiging.

De associatieve eigenschap

De associatieve eigenschap (ook: de groepeerteneigeenschap) zegt dat je bij optelling en vermenigvuldiging de manier waarop je de termen groepeert mag veranderen zonder het resultaat te beïnvloeden.

Associatieve eigenschap (a+b)+c = a+(b+c) (a×b)×c = a×(b×c)

Dit is handig bij mondeling rekenen: om 17 + 38 + 3 te berekenen, groepeert je beter 17 + 3 = 20 eerst en telt dan 20 + 38 = 58. Je verandert de som niet, maar de berekening wordt makkelijker.

De distributieve eigenschap

De distributieve eigenschap is de meest gebruikte van de drie — zeker wanneer je later met algebraïsche uitdrukkingen werkt. Ze legt het verband tussen vermenigvuldiging en optelling (of aftrekking).

Distributieve eigenschap a × (b+c) = a×b + a×c a × (bc) = a×b a×c

De distributieve eigenschap werkt ook in omgekeerde richting: a×b + a×c = a×(b + c). Dat noem je factoren buiten haakjes brengen (gemeenschappelijke factor uitponden). Je zal dit later in algebra veelvuldig gebruiken.

Rekenvoorbeeld 10 — Distributieve eigenschap: slim rekenen

Bereken 7 × 99 mondeling met behulp van de distributieve eigenschap.

  • Schrijf 99 als een som/verschil dat makkelijker te berekenen is: 99 = 100 − 1.
  • Pas de distributieve eigenschap toe: 7 × (100 − 1) = 7 × 100 − 7 × 1.
  • Bereken: 7 × 100 = 700 en 7 × 1 = 7.
  • Trek af: 700 − 7 = 693.

7 × 99 = 7 × (100 − 1) = 700 − 7 = 693

Rekenvoorbeeld 11 — Distributieve eigenschap op twee manieren

Bereken −3 × (4 + (−2)) op twee manieren en controleer of je hetzelfde antwoord krijgt.

  • Methode A: haakjes eerst (rekenvolgorde)
    Bereken eerst de haakjes: 4 + (−2) = 2.
    Dan: −3 × 2 = −6.
  • Methode B: distribueren (uitvermenigvuldigen)
    Pas de distributieve eigenschap toe:
    −3 × (4 + (−2)) = (−3) × 4 + (−3) × (−2)
    = −12 + 6 = −6.
  • Beide methoden geven −6. De distributieve eigenschap klopt!

−3 × (4 + (−2)) = −6 (via beide methoden)

Begrip Distributieve eigenschap

De distributieve eigenschap verbindt vermenigvuldiging met optelling en aftrekking: a × (b + c) = a×b + a×c. Ze laat toe haakjes “uit te vermenigvuldigen” (en in omgekeerde richting: gemeenschappelijke factoren buiten haakjes te brengen). Dit is één van de meest fundamentele regels van de algebra.

💡 Denkvraag

Gebruik de distributieve eigenschap om 8 × 97 snel mondeling te berekenen. Schrijf je tussenstap met haakjes op. Kun je ook 13 × 21 op een slimme manier opschrijven?

Oefeningen

Oefening 1

Optellen en aftrekken met negatieve getallen

Bereken de volgende uitdrukkingen. Schrijf telkens het teken van het resultaat apart op voor je de absolute waarde uitrekent.

  1. (−8) + 3
  2. (−4) + (−9)
  3. 7 − (−5)
  4. (−6) − 4
  5. 0 − (−12)
  6. (−15) + 15

Tip: schrijf telkens de absolutewaarden op en beslis daarna over het teken. Bij aftrekken van een negatief getal mag je de bewerking eerst omschrijven naar een optelling.

Oefening 2

Tekensregels bij vermenigvuldiging en deling

Bereken en geef telkens het teken van het resultaat vóór je de absolute waarde berekent.

  1. (−5) × 7
  2. (−4) × (−6)
  3. 9 × (−3)
  4. (−20) ÷ (−4)
  5. 36 ÷ (−9)
  6. (−7) × (−2) × (−1)

Tip: voor het laatste geval tel je het aantal negatieve factoren. Even aantal → positief resultaat, oneven aantal → negatief resultaat.

Oefening 3

Volgorde van bewerkingen

Bereken de volgende uitdrukkingen. Pas de juiste volgorde van bewerkingen toe en toon je tussenresultaten.

  1. 5 + 3 × 4
  2. 20 − 4 × 3 + 2
  3. (7 − 2) × 4 − 6
  4. 3 × (2 + 5) − 4 × 3
  5. (−2) + 6 ÷ (−3)
  6. 4 × ((−3) + 1) ÷ 2

Oefening 4

Gecombineerde uitdrukking

Bereken de volgende uitdrukking volledig stap voor stap. Noteer elk tussenstap apart.

5 × (2) + (18÷(3)) (4) × 3

Werken in de juiste volgorde: eerst haakjes, dan maal/deel, dan plus/min.

Tip: markeer in de uitdrukking welke bewerking je als eerste, tweede en derde uitvoert. Werk het per stap uit zodat je geen fouten maakt met de tekens.

Oefening 5

De distributieve eigenschap toepassen

Gebruik de distributieve eigenschap om de volgende berekeningen op twee manieren uit te voeren (haakjes eerst én uitvermenigvuldigen) en controleer dat je hetzelfde antwoord krijgt.

  1. 6 × (10 − 3)
  2. (−4) × (3 + 5)
  3. (−2) × ((−5) + 7)

Gebruik de distributieve eigenschap ook slim: bereken mondeling met de truc van het vorig hoofdstuk:

  1. 8 × 98   (schrijf 98 = 100 − 2)
  2. 5 × 202   (schrijf 202 = 200 + 2)

Tip: bij mondeling rekenen kies je een “gemakkelijk” getal in de buurt (zoals een veelvoud van 10 of 100) en gebruikt de distributieve eigenschap om te corrigeren.

Oefening 6

Uitdaging — Maak een uitdrukking gelijk aan −12

Schrijf drie verschillende uitdrukkingen die elk gelijk zijn aan −12. Elke uitdrukking moet aan al deze voorwaarden voldoen:

  • Gebruik alle vier basisbewerkingen (+, −, ×, ÷) minstens één keer
  • Gebruik minstens één negatief getal als onderdeel van de uitdrukking
  • Gebruik minstens één paar haakjes

Controleer elk van je uitdrukkingen door de rekenvolgorde stap voor stap toe te passen.

Uitdaging: probeer ook een uitdrukking te schrijven waarbij de distributieve eigenschap je helpt om snel te zien dat het resultaat −12 is.

Samenvatting