Wiskunde  ·  1A  ·  Eerste graad

Getallen en
getalverzamelingen

Van tellen tot de getallenas — de bouwstenen van alle wiskunde

Hoofdstuk 1

Getallen en getalverzamelingen

Getallen zijn de bouwstenen van de wiskunde. In dit hoofdstuk leer je de verschillende soorten getallen kennen, hoe ze geordend worden op een getallenas, en welke verzamelingen wiskundigen gebruiken om over getallen te praten.

1

Soorten getallen

Wiskundigen ordenen getallen in verzamelingen op basis van hun eigenschappen. Elke verzameling heeft een eigen symbool en een eigen naam. Het is belangrijk dat je deze verzamelingen kent, want ze vormen de taal waarmee wiskundigen over getallen praten.

De natuurlijke getallen ℕ

De meest eenvoudige getallen zijn de natuurlijke getallen. Dit zijn de getallen die je gebruikt om te tellen: 0, 1, 2, 3, 4, … Ze beginnen bij nul en gaan oneindig ver door. Het symbool voor de verzameling van alle natuurlijke getallen is ℕ (een dubbele N, afgeleid van het woord Natuur).

Definitie — Natuurlijke getallen = { 0 , 1 , 2 , 3 , 4 , }

Je gebruikt natuurlijke getallen elke dag: het aantal leerlingen in de klas, het nummer van je huis, de score van een voetbalwedstrijd. Nul is ook een natuurlijk getal: als een team geen doelpunten scoort, is de score 0 — dat is een echte waarde, geen afwezigheid van een waarde.

Begrip Natuurlijke getallen ℕ

De verzameling van alle niet-negatieve gehele getallen: 0, 1, 2, 3, … Natuurlijke getallen zijn altijd groter dan of gelijk aan nul en hebben nooit een decimaal of breukgedeelte.

De gehele getallen ℤ

Soms zijn getallen kleiner dan nul: de temperatuur in de winter, een schuldpositie op een bankrekening, de verdieping −1 in een ondergrondse parking. Hiervoor breiden we de verzameling uit met de negatieve gehele getallen. De verzameling van alle gehele getallen wordt aangeduid met ℤ (een dubbele Z, van het Duitse woord Zahlen, wat “getallen” betekent).

Definitie — Gehele getallen = { , 3 , 2 , 1 , 0 , 1 , 2 , 3 , }

Elk natuurlijk getal is ook een geheel getal, maar niet omgekeerd: −5 is een geheel getal, maar géén natuurlijk getal. De gehele getallen lopen oneindig ver in beide richtingen.

Begrip Gehele getallen ℤ

De verzameling van alle gehele getallen, inclusief de negatieve: …, −3, −2, −1, 0, 1, 2, 3, … Gehele getallen hebben nooit een decimaal of breukgedeelte.

De rationale getallen ℚ

Wanneer je twee gehele getallen deelt, krijg je niet altijd een geheel getal. Als je een pizza in vier gelijke stukken snijdt en er drie eet, heb je 34 van de pizza gegeten. Getallen die geschreven kunnen worden als een breuk pq waarbij p en q gehele getallen zijn en q ≠ 0, noemen we rationale getallen. Het symbool is ℚ (van het Latijnse quotiens, wat “quotiënt” betekent).

Definitie — Rationale getallen = { pq | p , q , q 0 }

Voorbeelden van rationale getallen: 12, 34, 73, 0,75 (want 0,75 = 34), en zelfs 5 (want 5 = 51). Alle gehele getallen zijn dus ook rationale getallen.

De reële getallen ℝ

Er bestaan getallen die niet als een breuk van twee gehele getallen geschreven kunnen worden. Zo is de zijde van een vierkant met oppervlakte 2 gelijk aan √2 ≈ 1,41421356… — een getal met oneindig veel decimalen die geen patroon herhalen. Ook het beroemde getal π ≈ 3,14159265… is zo’n getal. Deze noemen we irrationale getallen. Samen met de rationale getallen vormen ze de verzameling van alle reële getallen ℝ.

In dit hoofdstuk werken we hoofdzakelijk met de naturlijke, gehele en rationale getallen. De reële getallen komen in latere hoofdstukken uitgebreider aan bod.

Stelling — Inclusierelatie tussen getalverzamelingen

Elke getalverzameling is een deelverzameling van de volgende, grotere verzameling:



Dit betekent: elk natuurlijk getal is ook een geheel getal, elk geheel getal is ook een rationaal getal, en elk rationaal getal is ook een reëel getal.

Venn-diagram van getalverzamelingen: N binnen Z binnen Q binnen R π, √2 −½, ¾ −3, −1 0, 4 Venn-diagram: elke binnenste verzameling is een deelverzameling van de buitenste. Reële getallen zoals π en √2 zijn irrationaal en vallen buiten ℚ.
💡 Denkvraag

Zoek drie voorbeelden in je dagelijks leven van elk type getal: een situatie waar je een natuurlijk getal gebruikt, een geheel getal (eventueel negatief), en een rationaal getal (breuk of kommagetal). Bespreek met je buur.

2

De getallenas

Om getallen visueel voor te stellen en te vergelijken, gebruiken wiskundigen een getallenas: een rechte lijn waarop elk reëel getal één vaste positie heeft. Links liggen de kleinere getallen, rechts de grotere. Het middelpunt is altijd nul, ook wel het oorsprong of de nulpunt van de as genoemd.

Hoe werkt dat in de praktijk? Je kiest een vaste eenheidslengte (bv. 1 cm per eenheid), plaatst nul in het midden, en markeert daarna alle gehele getallen op gelijke afstand. Breuken en kommagetallen komen tussen de gehele getallen te staan.

Getallenas van −5 tot +5 met maatstrepen en labels −5 −4 −3 −2 −1 0 1 2 3 4 5 De getallenas met gehele getallen van −5 tot +5. Het nulpunt (rood) is het middelpunt. Pijlen geven aan dat de as in beide richtingen doorgaat.

Absolute waarde

De absolute waarde van een getal is de afstand van dat getal tot nul op de getallenas. Afstanden zijn altijd positief of nul, nooit negatief. We noteren de absolute waarde met twee verticale strepen: |x|.

Definitie — Absolute waarde

De absolute waarde van een getal x is de afstand van x tot nul:

|x| = x   als x ≥ 0     |x| = x   als x < 0

Voorbeelden:

Rekenvoorbeeld

Welk getal heeft de grootste absolute waarde: −7 of 4?

  • Bepaal de absolute waarde van −7: |7|=7
  • Bepaal de absolute waarde van 4: |4|=4
  • Vergelijk de twee absolute waarden: 7 > 4, dus −7 heeft de grootste absolute waarde.

Antwoord: −7 heeft de grootste absolute waarde, namelijk 7.

Let op het verschil: −7 is kleiner dan 4 (want −7 ligt verder links op de getallenas), maar de absolute waarde van −7 is góóter dan de absolute waarde van 4. Absolute waarde en grootte zijn twee verschillende begrippen.

3

Getallen vergelijken en ordenen

Om te zeggen dat het ene getal groter of kleiner is dan een ander, gebruiken wiskundigen speciale vergelijkingssymbolen. Je hebt er vier:

Op de getallenas geldt altijd: een getal dat meer naar rechts staat is gróter; een getal dat meer naar links staat is kleiner. Dit geldt ook voor negatieve getallen, en dat is iets wat vergissingen uitlokt: −2 is groter dan −5, want −2 staat rechts van −5 op de getallenas.

Stelling — Negatieve getallen vergelijken

Voor negatieve getallen geldt: hoe groter het getal na het minteken, hoe kleiner het getal zelf.

Voorbeeld: −8 < −3 < −1 < 0 < 2 < 5

Stelregel: gebruik de getallenas — links is kleiner, rechts is groter.

Rekenvoorbeeld

Orden de volgende getallen van klein naar groot: −3, 7, −1, 0, −8, 2.

  • Teken een (mentale) getallenas en zoek de positie van elk getal: −8 ligt het meest links, dan −3, dan −1, dan 0, dan 2, dan 7 het meest rechts.
  • Lees de volgorde af van links naar rechts (= van klein naar groot).
  • Schrijf de volgorde op.

Antwoord: −8 < −3 < −1 < 0 < 2 < 7

Getallenas met de zes punten −8, −3, −1, 0, 2, 7 aangeduid als gekleurde cirkels −8 −7 −6 −5 −4 −3 −2 −1 0 1 2 3 4 5 6 7 8 De zes getallen −8, −3, −1, 0, 2 en 7 aangeduid op de getallenas. Van links naar rechts gelezen geeft de volgorde van klein naar groot.
💡 Denkvraag

Kun jij uitleggen waarom −100 kleiner is dan −1, ook al is 100 veel groter dan 1? Gebruik de getallenas om je redenering te verduidelijken.

4

Rekenen met tegengestelden en omgekeerden

Twee begrippen die je heel vaak tegenkomt in de wiskunde zijn het tegengestelde en het omgekeerde (ook wel het tegenovergestelde of de inverse genoemd) van een getal. Ze zijn heel verschillend, maar worden soms door elkaar gehaald. Het is belangrijk om het onderscheid goed te kennen.

Het tegengestelde van een getal

Het tegengestelde van een getal a is het getal −a. Op de getallenas ligt het tegengestelde van a even ver van nul verwijderd als a zelf, maar aan de andere kant. De som van een getal en zijn tegengestelde is altijd nul.

Eigenschap — Tegengestelde

Voor elk getal a geldt:

a + ( a ) = 0

Voorbeelden: 5 + (−5) = 0  |  (−3) + 3 = 0  |  0 + 0 = 0

Het tegengestelde van een positief getal is negatief, en omgekeerd. Het tegengestelde van nul is nul zelf.

Het omgekeerde (reciproke) van een getal

Het omgekeerde of de reciproke van een getal a (met a ≠ 0) is 1a. Het product van een getal en zijn omgekeerde is altijd 1. Je vindt het omgekeerde van een breuk door teller en noemer te verwisselen.

Eigenschap — Omgekeerde (reciproke)

Voor elk getal a ≠ 0 geldt:

a × 1a = 1

Voorbeelden: 4 × ¼ = 1  |  35 × 53 = 1

Rekenvoorbeeld

Bepaal het tegengestelde en het omgekeerde van 4 en van 35.

  • Tegengestelde van 4:   4   (want 4 + (−4) = 0)
  • Omgekeerde van 4:   14   (want 4 × ¼ = 1)
  • Tegengestelde van 35:   35   (want −⅜ + ⅜ = 0, of hier: −⅗ + ⅗ = 0)
  • Omgekeerde van 35:   wissel teller en noemer: 53   (want 35 × 53 = 1)

Van 4: tegengestelde = −4, omgekeerde = 14. Van 35: tegengestelde = 35, omgekeerde = 53.

Merk op: het omgekeerde van een negatief getal is ook negatief. Het tekengedrag blijft bewaard bij het nemen van de reciproke.

💡 Denkvraag

Welk getal is zijn eigen tegengestelde? Welk getal is zijn eigen omgekeerde? Kan één getal zowel zijn eigen tegengestelde als zijn eigen omgekeerde zijn?

5

Getalverzamelingen

Een verzameling is een groep van objecten — in de wiskunde meestal getallen — die duidelijk gedefinieerd zijn. We schrijven een verzameling tussen accolades en noemen de elementen op (of geven een beschrijvende regel).

Notatie en symbolen

De basisnotaties die je moet kennen:

Begrip Element en lidmaatschap

Als a een element is van verzameling A, schrijven we aA. Als a geen element is van A, schrijven we aA. Elke verzameling bepaalt precies welke elementen erin zitten.

Voorbeelden van verzamelingen

Stel A = {2, 4, 6, 8} (de even getallen van 2 tot en met 8). Dan geldt:

Doorsnede, unie en complement

Wanneer je twee verzamelingen hebt, kun je er nieuwe uit maken:

Voorbeeld: stel A = {1, 2, 3, 4} en B = {3, 4, 5, 6}.
Dan is A ∩ B = {3, 4} en A ∪ B = {1, 2, 3, 4, 5, 6}.

Venn-diagram van verzamelingen A = {1,2,3,4} en B = {3,4,5,6} met doorsnede {3,4} U A B 1 2 3 4 A ∩ B 5 6 Venn-diagram: A = {1, 2, 3, 4} en B = {3, 4, 5, 6}. De doorsnede A ∩ B = {3, 4} ligt in het overlappende gebied.

De Venn-diagramtechniek helpt je om verbanden tussen verzamelingen visueel te maken. Ze worden ook in andere vakken gebruikt: denk aan overlapping van eigenschappen in biologie of taalanalyse.

💡 Denkvraag

Stel C = {priemgetallen kleiner dan 10} = {2, 3, 5, 7} en D = {oneven getallen kleiner dan 10} = {1, 3, 5, 7, 9}. Bepaal C ∩ D en C ∪ D. Welke elementen zitten uitsluitend in D?

6

Talstelsels door de eeuwen heen

De manier waarop wij getallen opschrijven — met de cijfers 0 tot 9 en met posities (eenheden, tientallen, honderdtallen…) — lijkt vanzelfsprekend, maar dat is ze niet. Door de geschiedenis heen gebruikten mensen heel verschillende talstelsels.

𝒫
Begrip Talstelsel

Een talstelsel is een afgesproken manier om getallen met symbolen te noteren. Ons tientallig (decimaal) stelsel is een positiestelsel: de waarde van een cijfer hangt af van zijn plaats. In 235 is de 2 tweehonderd waard, in 523 is dezelfde 2 maar twintig waard.

De oude Romeinen gebruikten letters: I = 1, V = 5, X = 10, L = 50, C = 100, D = 500, M = 1000. Het getal 2024 schreef je als MMXXIV. Dat leest vlot, maar rekenen ermee is lastig: probeer maar eens MMXXIV te delen door VII! De Romeinse cijfers kennen bovendien geen symbool voor nul.

De Babyloniërs rekenden ongeveer 4000 jaar geleden in een zestigtallig stelsel (grondtal 60). Daar danken we vandaag nog onze 60 minuten in een uur en 60 seconden in een minuut aan, en de 360 graden van een volledige hoek.

Waarom 10?

Ons stelsel heeft grondtal 10, hoogstwaarschijnlijk omdat we tien vingers hebben om op te tellen. Een computer gebruikt het tweetallig stelsel (grondtal 2, enkel de cijfers 0 en 1), omdat een schakelaar maar twee standen kent: aan of uit.

Simon Stevin en de kommagetallen

Lange tijd noteerde men breuken enkel als “teller op noemer”. Rekenen met 38 naast 516 was omslachtig. De Vlaamse wiskundige Simon Stevin (Brugge, 1548–1620) bracht daar verandering in. In zijn boekje De Thiende (1585) liet hij zien dat je breuken met grondtal 10 veel handiger kunt schrijven als decimale getallen, met een vaste schrijfwijze achter de eenheden.

𝒬
Begrip Decimale schrijfwijze (Simon Stevin)

In de decimale schrijfwijze zet je achter de komma de tienden, honderdsten, duizendsten… Zo wordt 3751000 eenvoudigweg 0,375. Stevin maakte hiermee het rekenen met breuken even makkelijk als rekenen met gehele getallen.

Stevins idee is rechtstreeks de voorouder van onze hedendaagse kommagetallen. Dankzij hem schrijven we een prijs als € 2,50 in plaats van als 212 euro. Wat begon als een idee uit Brugge, gebruik je vandaag elke dag in de winkel.

💡 Denkvraag

Schrijf het jaartal van jouw geboorte in Romeinse cijfers. Waarom is optellen met Romeinse cijfers zo lastig in vergelijking met ons positiestelsel? En welke breuken zou Simon Stevin als één net kommagetal kunnen schrijven: 14, 13 of 710?

Oefeningen

Oefening 1

Soorten getallen herkennen

Geef voor elk van de volgende getallen aan tot welke verzameling(en) het behoort: ℕ, ℤ, ℚ of ℝ. Meerdere antwoorden zijn mogelijk (onthoud: ℕ ⊂ ℤ ⊂ ℚ ⊂ ℝ).

  1. 7
  2. −4
  3. 23
  4. 0
  5. −0,5
  6. √5

Tip: begin bij de kleinste verzameling (ℕ) en werk naar buiten. Als een getal een breuk is die niet vereenvoudigt tot een geheel getal, behoort het tot ℚ maar niet tot ℤ.

Oefening 2

Absolute waarde berekenen

Bereken de absolute waarde van elk getal.

  1. |−9|
  2. |6|
  3. |−0,4|
  4. |72|
  5. |0|
  6. Welk van de getallen −12 en 8 heeft de grootste absolute waarde? Verklaar.

Oefening 3

Getallen ordenen op de getallenas

Orden de volgende reeksen van klein naar groot. Schrijf je antwoord met de tekens <.

  1. 5, −2, 0, −7, 3, −1
  2. −10, −6, −15, −3, −8
  3. 12, −1, 34, 0, −0,5

Tip: teken zelf een (ruwe) getallenas en zet de getallen erop voor je de volgorde opschrijft.

Oefening 4

Tegengestelden en omgekeerden

Bepaal voor elk getal het tegengestelde en het omgekeerde (indien het bestaat).

  1. 8
  2. −6
  3. 27
  4. 54
  5. 1
  6. 0 (let op: bestaat het omgekeerde van 0? Waarom wel of niet?)

Oefening 5

Werken met getalverzamelingen

Gegeven: P = {1, 3, 5, 7, 9} en Q = {1, 2, 3, 4, 5}.

  1. Bepaal P ∩ Q (de doorsnede).
  2. Bepaal P ∪ Q (de unie).
  3. Is 4 ∈ P? Verklaar.
  4. Is {1, 5} ⊂ P? Verklaar.
  5. Is {2, 3} ⊂ Q? Verklaar.
  6. Noem twee elementen die wel in Q zitten maar niet in P.

Tip: schrijf alle elementen op en markeer welke in beide verzamelingen voorkomen.

Oefening 6

Inzichtsvraag — gecombineerde toepassing

Dit is een uitdagendere oefening die meerdere concepten combineert.

  1. Schrijf drie getallen op die tot ℚ behoren maar niet tot ℤ. Verklaar waarom ze niet tot ℤ behoren.
  2. Stel a = −4. Bereken: |a|, het tegengestelde van a, en het omgekeerde van a. Is het omgekeerde van a hetzelfde als het tegengestelde van a? Leg uit.
  3. Op een dag bedraagt de temperatuur −3 °C en de dag daarna −8 °C. Welke dag was het warmer? Welke temperatuur heeft de grootste absolute waarde? Verklaar het verschil tussen de twee vragen.
  4. Bedenk zelf een verzameling A van vijf gehele getallen waarbij ∩ {even getallen} = {−2, 4}. Geef een mogelijke verzameling A.

Uitdaging: voor vraag 4 zijn meerdere antwoorden mogelijk. Bedenk er twee.

Samenvatting