Van tellen tot de getallenas — de bouwstenen van alle wiskunde
Getallen zijn de bouwstenen van de wiskunde. In dit hoofdstuk leer je de verschillende soorten getallen kennen, hoe ze geordend worden op een getallenas, en welke verzamelingen wiskundigen gebruiken om over getallen te praten.
Wiskundigen ordenen getallen in verzamelingen op basis van hun eigenschappen. Elke verzameling heeft een eigen symbool en een eigen naam. Het is belangrijk dat je deze verzamelingen kent, want ze vormen de taal waarmee wiskundigen over getallen praten.
De meest eenvoudige getallen zijn de natuurlijke getallen. Dit zijn de getallen die je gebruikt om te tellen: 0, 1, 2, 3, 4, … Ze beginnen bij nul en gaan oneindig ver door. Het symbool voor de verzameling van alle natuurlijke getallen is ℕ (een dubbele N, afgeleid van het woord Natuur).
Je gebruikt natuurlijke getallen elke dag: het aantal leerlingen in de klas, het nummer van je huis, de score van een voetbalwedstrijd. Nul is ook een natuurlijk getal: als een team geen doelpunten scoort, is de score 0 — dat is een echte waarde, geen afwezigheid van een waarde.
De verzameling van alle niet-negatieve gehele getallen: 0, 1, 2, 3, … Natuurlijke getallen zijn altijd groter dan of gelijk aan nul en hebben nooit een decimaal of breukgedeelte.
Soms zijn getallen kleiner dan nul: de temperatuur in de winter, een schuldpositie op een bankrekening, de verdieping −1 in een ondergrondse parking. Hiervoor breiden we de verzameling uit met de negatieve gehele getallen. De verzameling van alle gehele getallen wordt aangeduid met ℤ (een dubbele Z, van het Duitse woord Zahlen, wat “getallen” betekent).
Elk natuurlijk getal is ook een geheel getal, maar niet omgekeerd: −5 is een geheel getal, maar géén natuurlijk getal. De gehele getallen lopen oneindig ver in beide richtingen.
De verzameling van alle gehele getallen, inclusief de negatieve: …, −3, −2, −1, 0, 1, 2, 3, … Gehele getallen hebben nooit een decimaal of breukgedeelte.
Wanneer je twee gehele getallen deelt, krijg je niet altijd een geheel getal. Als je een pizza in vier gelijke stukken snijdt en er drie eet, heb je van de pizza gegeten. Getallen die geschreven kunnen worden als een breuk waarbij p en q gehele getallen zijn en q ≠ 0, noemen we rationale getallen. Het symbool is ℚ (van het Latijnse quotiens, wat “quotiënt” betekent).
Voorbeelden van rationale getallen: , , , 0,75 (want 0,75 = ), en zelfs 5 (want 5 = ). Alle gehele getallen zijn dus ook rationale getallen.
Er bestaan getallen die niet als een breuk van twee gehele getallen geschreven kunnen worden. Zo is de zijde van een vierkant met oppervlakte 2 gelijk aan √2 ≈ 1,41421356… — een getal met oneindig veel decimalen die geen patroon herhalen. Ook het beroemde getal π ≈ 3,14159265… is zo’n getal. Deze noemen we irrationale getallen. Samen met de rationale getallen vormen ze de verzameling van alle reële getallen ℝ.
In dit hoofdstuk werken we hoofdzakelijk met de naturlijke, gehele en rationale getallen. De reële getallen komen in latere hoofdstukken uitgebreider aan bod.
Elke getalverzameling is een deelverzameling van de volgende, grotere verzameling:
Dit betekent: elk natuurlijk getal is ook een geheel getal, elk geheel getal is ook een rationaal getal, en elk rationaal getal is ook een reëel getal.
Zoek drie voorbeelden in je dagelijks leven van elk type getal: een situatie waar je een natuurlijk getal gebruikt, een geheel getal (eventueel negatief), en een rationaal getal (breuk of kommagetal). Bespreek met je buur.
Om getallen visueel voor te stellen en te vergelijken, gebruiken wiskundigen een getallenas: een rechte lijn waarop elk reëel getal één vaste positie heeft. Links liggen de kleinere getallen, rechts de grotere. Het middelpunt is altijd nul, ook wel het oorsprong of de nulpunt van de as genoemd.
Hoe werkt dat in de praktijk? Je kiest een vaste eenheidslengte (bv. 1 cm per eenheid), plaatst nul in het midden, en markeert daarna alle gehele getallen op gelijke afstand. Breuken en kommagetallen komen tussen de gehele getallen te staan.
De absolute waarde van een getal is de afstand van dat getal tot nul op de getallenas. Afstanden zijn altijd positief of nul, nooit negatief. We noteren de absolute waarde met twee verticale strepen: |x|.
De absolute waarde van een getal x is de afstand van x tot nul:
als x ≥ 0
als x < 0
Voorbeelden:
Welk getal heeft de grootste absolute waarde: −7 of 4?
Antwoord: −7 heeft de grootste absolute waarde, namelijk 7.
Let op het verschil: −7 is kleiner dan 4 (want −7 ligt verder links op de getallenas), maar de absolute waarde van −7 is góóter dan de absolute waarde van 4. Absolute waarde en grootte zijn twee verschillende begrippen.
Om te zeggen dat het ene getal groter of kleiner is dan een ander, gebruiken wiskundigen speciale vergelijkingssymbolen. Je hebt er vier:
Op de getallenas geldt altijd: een getal dat meer naar rechts staat is gróter; een getal dat meer naar links staat is kleiner. Dit geldt ook voor negatieve getallen, en dat is iets wat vergissingen uitlokt: −2 is groter dan −5, want −2 staat rechts van −5 op de getallenas.
Voor negatieve getallen geldt: hoe groter het getal na het minteken, hoe kleiner het getal zelf.
Voorbeeld: −8 < −3 < −1 < 0 < 2 < 5
Stelregel: gebruik de getallenas — links is kleiner, rechts is groter.
Orden de volgende getallen van klein naar groot: −3, 7, −1, 0, −8, 2.
Antwoord: −8 < −3 < −1 < 0 < 2 < 7
Kun jij uitleggen waarom −100 kleiner is dan −1, ook al is 100 veel groter dan 1? Gebruik de getallenas om je redenering te verduidelijken.
Twee begrippen die je heel vaak tegenkomt in de wiskunde zijn het tegengestelde en het omgekeerde (ook wel het tegenovergestelde of de inverse genoemd) van een getal. Ze zijn heel verschillend, maar worden soms door elkaar gehaald. Het is belangrijk om het onderscheid goed te kennen.
Het tegengestelde van een getal a is het getal −a. Op de getallenas ligt het tegengestelde van a even ver van nul verwijderd als a zelf, maar aan de andere kant. De som van een getal en zijn tegengestelde is altijd nul.
Voor elk getal a geldt:
Voorbeelden: 5 + (−5) = 0 | (−3) + 3 = 0 | 0 + 0 = 0
Het tegengestelde van een positief getal is negatief, en omgekeerd. Het tegengestelde van nul is nul zelf.
Het omgekeerde of de reciproke van een getal a (met a ≠ 0) is . Het product van een getal en zijn omgekeerde is altijd 1. Je vindt het omgekeerde van een breuk door teller en noemer te verwisselen.
Voor elk getal a ≠ 0 geldt:
Voorbeelden: 4 × ¼ = 1 |
×
= 1
Bepaal het tegengestelde en het omgekeerde van 4 en van .
Van 4: tegengestelde = −4, omgekeerde = . Van : tegengestelde = , omgekeerde = .
Merk op: het omgekeerde van een negatief getal is ook negatief. Het tekengedrag blijft bewaard bij het nemen van de reciproke.
Welk getal is zijn eigen tegengestelde? Welk getal is zijn eigen omgekeerde? Kan één getal zowel zijn eigen tegengestelde als zijn eigen omgekeerde zijn?
Een verzameling is een groep van objecten — in de wiskunde meestal getallen — die duidelijk gedefinieerd zijn. We schrijven een verzameling tussen accolades en noemen de elementen op (of geven een beschrijvende regel).
De basisnotaties die je moet kennen:
Als a een element is van verzameling A, schrijven we a ∈ A. Als a geen element is van A, schrijven we a ∉ A. Elke verzameling bepaalt precies welke elementen erin zitten.
Stel A = {2, 4, 6, 8} (de even getallen van 2 tot en met 8). Dan geldt:
Wanneer je twee verzamelingen hebt, kun je er nieuwe uit maken:
Voorbeeld: stel A = {1, 2, 3, 4} en B = {3, 4, 5, 6}.
Dan is A ∩ B = {3, 4} en A ∪ B = {1, 2, 3, 4, 5, 6}.
De Venn-diagramtechniek helpt je om verbanden tussen verzamelingen visueel te maken. Ze worden ook in andere vakken gebruikt: denk aan overlapping van eigenschappen in biologie of taalanalyse.
Stel C = {priemgetallen kleiner dan 10} = {2, 3, 5, 7} en D = {oneven getallen kleiner dan 10} = {1, 3, 5, 7, 9}. Bepaal C ∩ D en C ∪ D. Welke elementen zitten uitsluitend in D?
De manier waarop wij getallen opschrijven — met de cijfers 0 tot 9 en met posities (eenheden, tientallen, honderdtallen…) — lijkt vanzelfsprekend, maar dat is ze niet. Door de geschiedenis heen gebruikten mensen heel verschillende talstelsels.
Een talstelsel is een afgesproken manier om getallen met symbolen te noteren. Ons tientallig (decimaal) stelsel is een positiestelsel: de waarde van een cijfer hangt af van zijn plaats. In 235 is de 2 tweehonderd waard, in 523 is dezelfde 2 maar twintig waard.
De oude Romeinen gebruikten letters: I = 1, V = 5, X = 10, L = 50, C = 100, D = 500, M = 1000. Het getal 2024 schreef je als MMXXIV. Dat leest vlot, maar rekenen ermee is lastig: probeer maar eens MMXXIV te delen door VII! De Romeinse cijfers kennen bovendien geen symbool voor nul.
De Babyloniërs rekenden ongeveer 4000 jaar geleden in een zestigtallig stelsel (grondtal 60). Daar danken we vandaag nog onze 60 minuten in een uur en 60 seconden in een minuut aan, en de 360 graden van een volledige hoek.
Ons stelsel heeft grondtal 10, hoogstwaarschijnlijk omdat we tien vingers hebben om op te tellen. Een computer gebruikt het tweetallig stelsel (grondtal 2, enkel de cijfers 0 en 1), omdat een schakelaar maar twee standen kent: aan of uit.
Lange tijd noteerde men breuken enkel als “teller op noemer”. Rekenen met naast was omslachtig. De Vlaamse wiskundige Simon Stevin (Brugge, 1548–1620) bracht daar verandering in. In zijn boekje De Thiende (1585) liet hij zien dat je breuken met grondtal 10 veel handiger kunt schrijven als decimale getallen, met een vaste schrijfwijze achter de eenheden.
In de decimale schrijfwijze zet je achter de komma de tienden, honderdsten, duizendsten… Zo wordt eenvoudigweg 0,375. Stevin maakte hiermee het rekenen met breuken even makkelijk als rekenen met gehele getallen.
Stevins idee is rechtstreeks de voorouder van onze hedendaagse kommagetallen. Dankzij hem schrijven we een prijs als € 2,50 in plaats van als euro. Wat begon als een idee uit Brugge, gebruik je vandaag elke dag in de winkel.
Schrijf het jaartal van jouw geboorte in Romeinse cijfers. Waarom is optellen met Romeinse cijfers zo lastig in vergelijking met ons positiestelsel? En welke breuken zou Simon Stevin als één net kommagetal kunnen schrijven: , of ?
Oefening 1
Soorten getallen herkennen
Geef voor elk van de volgende getallen aan tot welke verzameling(en) het behoort: ℕ, ℤ, ℚ of ℝ. Meerdere antwoorden zijn mogelijk (onthoud: ℕ ⊂ ℤ ⊂ ℚ ⊂ ℝ).
Tip: begin bij de kleinste verzameling (ℕ) en werk naar buiten. Als een getal een breuk is die niet vereenvoudigt tot een geheel getal, behoort het tot ℚ maar niet tot ℤ.
Oefening 2
Absolute waarde berekenen
Bereken de absolute waarde van elk getal.
Oefening 3
Getallen ordenen op de getallenas
Orden de volgende reeksen van klein naar groot. Schrijf je antwoord met de tekens <.
Tip: teken zelf een (ruwe) getallenas en zet de getallen erop voor je de volgorde opschrijft.
Oefening 4
Tegengestelden en omgekeerden
Bepaal voor elk getal het tegengestelde en het omgekeerde (indien het bestaat).
Oefening 5
Werken met getalverzamelingen
Gegeven: P = {1, 3, 5, 7, 9} en Q = {1, 2, 3, 4, 5}.
Tip: schrijf alle elementen op en markeer welke in beide verzamelingen voorkomen.
Oefening 6
Inzichtsvraag — gecombineerde toepassing
Dit is een uitdagendere oefening die meerdere concepten combineert.
Uitdaging: voor vraag 4 zijn meerdere antwoorden mogelijk. Bedenk er twee.