Natuurwetenschappen  ·  1A  ·  Chemie

H7 — Mengsels
En zuivere stoffen

Vrijwel alles om je heen is een mengsel — leer hoe je stoffen van elkaar scheidt

H7 — Chemie

Mengsels en zuivere stoffen

Het glas water dat je 's ochtends drinkt, de lucht die je inademt, de aarde in de tuin — bijna niets om je heen is “puur”. Bijna alles is een mengsel van meerdere stoffen. In dit hoofdstuk leer je het verschil tussen zuivere stoffen en mengsels, hoe je mengsels herkent en — het belangrijkste — hoe scheikundigen ze van elkaar scheiden.

Stel je voor …

Je bent op vakantie aan zee en kijkt naar de golven. Het zeewater glinstert, smaakt zout, en je weet dat er vissen, algen en microscopische organismen in zitten. Je drinkt er zeker niet van. Maar aan de andere kant van de wereld zijn er installaties zo groot als fabrieken die elke dag miljarden liters zeewater omzetten in drinkwater — alleen door het te verhitten, de damp op te vangen en te laten afkoelen. Ze maken gebruik van precies de principes die jij dit hoofdstuk leert.

Of denk aan een andere situatie: je hebt zand laten vallen in een emmer water. Hoe krijg je het zand er weer uit? Eenvoudig — je giet het door een zeef. Maar wat als het zout is dat je kwijt wil? Dan werkt een zeef niet, want zout lost op. Je hebt een andere aanpak nodig. En wat als je ijzerdeeltjes wil scheiden van zand? Dan gebruik je een magneet.

Elke mengsel vraagt om de juiste scheidingstechniek. Dat inzicht is de kern van dit hoofdstuk — en van een groot deel van de industriële chemie.

1

Zuivere stoffen

Wanneer scheikundigen spreken over een zuivere stof, bedoelen ze een stof die bestaat uit slechts één soort deeltjes. Alle deeltjes in die stof zijn identiek — ze zijn allemaal van hetzelfde type, hebben dezelfde bouw, en gedragen zich op dezelfde manier. Dat klinkt simpel, maar het heeft enorme gevolgen voor hoe zo’n stof zich gedraagt.

Voorbeelden van zuivere stoffen

Zuivere stoffen kan je tegenkomen in alle drie de aggregatietoestanden — vast, vloeibaar of gasvormig:

Eigenschappen van zuivere stoffen

Wat zuivere stoffen zo bijzonder maakt, zijn hun vaste, reproduceerbare eigenschappen. Wetenschappers over de hele wereld meten dezelfde waarden voor dezelfde zuivere stof:

Begrip Zuivere stof

Een zuivere stof is een stof die bestaat uit slechts één soort deeltjes (atomen, moleculen of ionen) en daardoor vaste, reproduceerbare fysische en chemische eigenschappen heeft, zoals een scherp smeltpunt en een constante dichtheid.

ZUIVERE STOF — één soort deeltjes Deeltjesmodel van een zuivere stof: alle deeltjes zijn identiek (zelfde kleur, zelfde grootte). Voorbeeld: zuiver water bestaat uitsluitend uit H₂O-moleculen.
🔎 Wist je dat?

Absoluut zuivere stoffen bestaan bijna niet in de natuur. Zelfs “zuiver” drinkwater bevat kleine hoeveelheden opgeloste mineralen — en dat is zelfs nuttig, want die mineralen zijn goed voor je gezondheid. Laboratoriumwater (bidestillaat) is duizenden keren gezuiverder dan drinkwater: het is twee keer gedestilleerd om alle onzuiverheden te verwijderen. Toch bevat ook bidestillaat sporen van opgelost CO₂ uit de lucht. Absolute zuiverheid is een ideaal, geen realiteit.

2

Mengsels

Een mengsel bestaat uit twee of meer stoffen die door elkaar gemengd zijn, maar niet chemisch met elkaar verbonden zijn. Dat laatste is cruciaal: bij een mengsel behoudt elke component zijn eigen eigenschappen. Als je zout oplost in water, verdwijnt het zout niet — het is er nog steeds, maar je kunt het niet zien. Je kunt het zout terugwinnen door het water te laten verdampen.

Dit verschilt fundamenteel van een chemische reactie, waarbij stoffen chemisch reageren en nieuwe stoffen vormen die je niet meer eenvoudig kunt scheiden. Wanneer ijzer roest, reageert het met zuurstof en wordt ijzeroxide (roest) gevormd — dat is een nieuwe stof, geen mengsel meer.

Voorbeelden van mengsels

Bijna alles om je heen is een mengsel:

Begrip Mengsel

Een mengsel is een stof opgebouwd uit twee of meer componenten die niet chemisch met elkaar verbonden zijn. Elke component behoudt zijn eigen eigenschappen en kan in principe opnieuw gescheiden worden met fysische methodes.

Homogeen en heterogeen

Mengsels worden ingedeeld in twee grote groepen, afhankelijk van of je de componenten kunt onderscheiden:

Homogeen mengsel: de componenten zijn zo gelijkmatig verdeeld dat je ze niet met het blote oog kunt onderscheiden. Het mengsel ziet er overal hetzelfde uit — het heeft een uniforme samenstelling. Voorbeelden: suikerwater (je ziet alleen helder water, geen suikerkristallen), lucht (je ziet geen afzonderlijke gasmoleculen), en staal (een legering die er overal hetzelfde uitziet).

Heterogeen mengsel: de componenten zijn zichtbaar gescheiden of ongelijkmatig verdeeld. Je kunt ze onderscheiden met het blote oog of onder een microscoop. Voorbeelden: zand gemengd met grind (je ziet duidelijk twee soorten), olie gemengd met water (twee lagen), granola (je ziet afzonderlijke vlokken, noten en rozijnen).

Begrip Homogeen mengsel

Een mengsel waarbij alle componenten gelijkmatig verdeeld zijn en niet afzonderlijk zichtbaar zijn, ook niet met een microscoop. De samenstelling is overal in het mengsel hetzelfde.

Begrip Heterogeen mengsel

Een mengsel waarbij de componenten zichtbaar gescheiden zijn of ongelijkmatig verdeeld, zodat je met het blote oog of onder een microscoop de afzonderlijke componenten kunt onderscheiden.

HOMOGEEN MENGSEL HETEROGEEN MENGSEL component A (bovenste laag) component B (onderste laag) Links: homogeen mengsel — twee soorten deeltjes (blauw en oranje) zijn gelijkmatig door elkaar verdeeld. Rechts: heterogeen mengsel — de twee soorten deeltjes vormen zichtbaar gescheiden lagen (zoals olie boven water).
💡 Denkvraag

Is rook een homogeen of heterogeen mengsel? Wat met sinaasappelsap met pulp? Motiveer je antwoord door na te denken over wat je kunt zien en of de samenstelling overal hetzelfde is. Kun je ook aan grenssituaties denken waarbij de grens tussen homogeen en heterogeen vaag wordt?

Mengsel Homogeen of heterogeen Componenten Mogelijke scheidingstechniek
Lucht Homogeen N₂, O₂, Ar, CO₂, ... Fractionele destillatie
Zeewater Homogeen Water, NaCl, MgCl₂, ... Destillatie, indampen
Zand + grind Heterogeen Zandkorrels, grindstukken Zeven
Olie + water Heterogeen Olie, water Decanteren, scheidetrechter
Modderwater Heterogeen Water, zanddeeltjes, klei Filtreren, bezinken
Staal Homogeen IJzer, koolstof Moeilijk te scheiden
3

Zuivere stof versus mengsel

Nu je beide begrippen kent, is het nuttig ze systematisch naast elkaar te leggen. Het deeltjesmodel is daarvoor het beste hulpmiddel: denk altijd aan wat er op microscopisch niveau gebeurt.

Het deeltjesmodel

In het deeltjesmodel stel je stoffen voor als opgebouwd uit kleine bolvormige deeltjes:

Smelt- en kookpunt als meetmiddel

Een praktisch gevolg van dit verschil is dat zuivere stoffen een scherp smelt- en kookpunt hebben, terwijl mengsels dat niet hebben. Water smelt precies bij 0°C — niet bij −0,5°C of +0,3°C. Dat is zo nauwkeurig dat chemici dit gebruiken om de zuiverheid van een stof te controleren: als het smeltpunt van je preparaat lager is dan verwacht, of als het over een breed temperatuurbereik smelt, dan zit er een onzuiverheid in.

Zeewater bevriest niet bij 0°C maar bij ongeveer −1,8°C, afhankelijk van de zoutconcentratie. Hoe meer zout er opgelost is, hoe lager het vriespunt. Dat is ook waarom strooizout op de weg het ijs laat smelten: het verlaagt het vriespunt van water zodat het bij −5°C niet meer bevriest.

Eigenschap Zuivere stof Mengsel
Soorten deeltjes Één soort Twee of meer soorten
Smeltpunt Scherp, vast Geen scherp smeltpunt, afhankelijk van samenstelling
Kookpunt Scherp, vast Geen scherp kookpunt, afhankelijk van samenstelling
Dichtheid Vast bij bepaalde T Afhankelijk van samenstelling
Scheidbaar? Niet scheidbaar in componenten (het IS al één component) Ja, via fysische methodes
Voorbeelden Water, ijzer, zout, goud, zuurstof Lucht, zeewater, melk, staal, bloed
4

Scheidingstechnieken

Omdat de componenten van een mengsel hun eigen eigenschappen behouden, kunnen we gebruik maken van die verschillen in eigenschappen om ze van elkaar te scheiden. Elke scheidingstechniek benut één of meer eigenschappen die de componenten van elkaar onderscheiden: deeltjesgrootte, dichtheid, kookpunt, oplosbaarheid, magnetisch gedrag …

Filtreren

Filtreren scheidt een onoplosbaar vast stof van een vloeistof. Je giet het mengsel door filtreerpapier. De vloeistof (het filtraat) stroomt door de kleine poriën in het filtreerpapier heen. De vaste deeltjes zijn te groot om door te gaan en blijven achter op het filter (het residu).

Principe: de deeltjes van de vaste stof zijn groter dan de poriën van het filtreerpapier. Opgeloste stoffen gaan wél door het filter: je kunt zout water niet filtreren om het zout te verwijderen, want de zoutionen zijn veel kleiner dan de poriën.

Praktijkvoorbeelden: koffie zetten (de koffieprop blijft achter, de vloeistof druppelt door), drinkwaterzuivering (grote deeltjes worden tegengehouden), een theezakje.

⚖ Experiment Filtreren in het labo
  1. Maak een trechter klaar en vouw een rondje filtreerpapier in een kegel: vouw het eerst dubbel, dan nog eens dubbel, en open één laag zodat je een kegel krijgt. Leg de kegel in de trechter.
  2. Bevochtig het filtreerpapier licht met gedestilleerd water zodat het goed in de trechter past en geen luchtbellen bevat.
  3. Zet de trechter op een statief boven een bekerglas. Giet het mengsel van modderwater (of zand + water) voorzichtig langs een glazen roerstaafje in de trechter — nooit direct, anders scheurt het papier.
  4. Wacht tot het filtraat volledig doorgelopen is. Forceer nooit — druk op het filter beschadigt de poriën.
  5. Bekijk het filtraat. Het is helder (vrij van vaste deeltjes). Bekijk het residu op het filter. Laat het drogen en weeg het om te schatten hoeveel vast materiaal er in het mengsel zat.

Bezinken en centrifugeren

Bij bezinken laat je een heterogeen mengsel gewoon rustig staan. Zwaardere deeltjes zakken naar de bodem door de zwaartekracht. Na voldoende tijd zie je een bezinksel (sediment) onderaan en een heldere vloeistof (supernatant) bovenaan.

Centrifugeren doet hetzelfde, maar dan veel sneller door het mengsel snel te laten ronddraaien. De centrifugaalkracht drukt de zware deeltjes naar buiten en naar de bodem van de buisjes. Een laboratoriumcentrifuge kan tot 10.000 toeren per minuut halen en scheidt in minuten wat anders uren bezinken zou duren.

Praktijkvoorbeelden: zand in water laten bezinken voor je het water aftapt; bloedanalyse in het ziekenhuis (bloedcellen zakken naar de bodem, plasma blijft bovenaan — of centrifuge versnelt dit proces); melkvet afromen bij de productie van magere melk.

Indampen (evaporatie)

Bij indampen verhit je een oplossing totdat de vloeistof volledig of gedeeltelijk verdampt. De opgeloste vaste stof kan niet meeverdampen en blijft achter. Je scheidt zo een opgeloste stof van het oplosmiddel door het oplosmiddel weg te verdampen.

Principe: de opgeloste stof heeft een veel hogere kooktemperatuur dan het oplosmiddel. Terwijl het water (kookpunt 100°C) al lang verdampt, blijft het zout (smeltpunt 801°C) rustig als kristallen achter.

Praktijkvoorbeelden: zeezout winnen door zeewater te laten verdampen in grote ondiepe bekkens (zoutpannen aan de kust); zoet water produceren door zeewater in te dampen en de damp op te vangen.

⚖ Experiment Zout uit zeewater winnen
  1. Los een eetlepel keukenzout op in 100 mL water in een verdampingsschaal. Roer goed totdat geen korrels meer zichtbaar zijn — je hebt nu een homogeen mengsel.
  2. Zet de verdampingsschaal op een driepoot boven een bunsenbrander (of verwarm op een elektrische kookplaat). Verwarm langzaam.
  3. Laat het water langzaam verdampen. Blijf erbij en roer af en toe zodat er geen spatten ontstaan. Zodra je witte kristallen ziet verschijnen, zet je het vuur lager.
  4. Zet de brander uit wanneer bijna al het water verdwenen is — als de schaal helemaal droog kookt, kunnen de kristallen te heet worden en gaan sputteren.
  5. Laat afkoelen en bekijk de zoutkristallen die zijn achtergebleven. Zijn er ook gekleurd deeltjes te zien? Die zijn afkomstig van onzuiverheden in het keukenzout (bijv. jodium dat is toegevoegd).

Destilleren

Destillatie scheidt vloeistoffen die verschillende kookpunten hebben. Je verhit het mengsel totdat de laagst kokende vloeistof verdampt. Die damp wordt via een koeler geleid, waar hij afkoelt en terugvloeit als zuivere vloeistof. De component met het hoogste kookpunt blijft achter in de kolf.

Principe: bij een bepaalde temperatuur kookt component A wel maar component B nog niet. Door de temperatuur nauwkeurig te regelen, kun je de componenten achtereenvolgend opvangen. Bij fractionele destillatie (met een kolom) kunnen zelfs mengsels met dicht bij elkaar liggende kookpunten gescheiden worden.

Praktijkvoorbeelden: desalinatie van zeewater (water verdampt, zout blijft); alcohol destilleren bij de productie van sterke drank (alcohol kookt bij 78°C, water bij 100°C); parfum maken (etherische oliën via stoordestillatie); raffinage van aardolie in fractietorens (benzine, diesel, stookolie — elk een andere temperatuurfractie).

🌎 Wetenschapsfeit

Drinkwater uit zeewater — desalinatie-installaties in het Midden-Oosten destilleren dagelijks miljarden liters zeewater tot drinkwater. Saudi-Arabië haalt meer dan 70% van zijn drinkwater zo! De grootste installaties bevinden zich in Jubail en Jeddah en hebben een capaciteit van meer dan 1 miljoen kubieke meter per dag. De enorme hoeveelheid energie die nodig is voor het verwarmen maakt dit een dure technologie die minder geschikt is voor arme landen — tenzij ze overstappen op omgekeerde osmose, een modernere methode die membraanfiltratie gebruikt in plaats van verhitting.

Magnetisch scheiden

Sommige materialen worden aangetrokken door een magneet — we noemen ze ferromagnetisch. Dat zijn voornamelijk ijzer (Fe), nikkel (Ni) en kobalt (Co), en legeringen die deze metalen bevatten. Niet-magnetische stoffen zoals zand, aluminium of plastic worden niet aangetrokken.

Door een magneet door of over een mengsel te bewegen, trekken de ijzerdeeltjes aan en de rest blijft liggen. Na verwijdering van de magneet vallen de ijzerdeeltjes los.

Praktijkvoorbeelden: ijzervijlsel scheiden van zand in het labo; metaalrecycling (grote magneten scheiden staal en ijzer van ander afval op een recyclageplein); veiligheid in de voedingsindustrie (magneten detecteren en verwijderen metaaldeeltjes in voedingsproducten).

Chromatografie

Chromatografie scheidt stoffen op basis van hun verschillende beweegsnelheid door een dragermateriaal (de stationaire fase). Een oplosmiddel (de mobiele fase) trekt door het dragermateriaal en neemt de te scheiden stoffen mee. Stoffen die sterker hechten aan het dragermateriaal bewegen trager; stoffen die minder hechten bewegen sneller.

Het resultaat is een “chromatogram”: de stoffen zijn als afzonderlijke vlekken of banden gescheiden op het papier of materiaal.

Praktijkvoorbeelden: inktkleuren scheiden (zwarte inkt bestaat vaak uit een mengsel van blauwe, gele en rode pigmenten); dopingcontrole bij sporters (complexe mengsels van stoffen in urine worden gescheiden en geïdentificeerd); kwaliteitscontrole van geneesmiddelen.

⚖ Experiment Inktkleuren scheiden met chromatografie
  1. Knip een strook chromatografiepapier (of filtreerpapier) van ca. 3 cm breed en 15 cm lang. Teken met potlood (niet met inkt!) een horizontale lijn op 2 cm van de onderkant.
  2. Zet op die potloodlijn een kleine, geconcentreerde stip met een gekleurde stift (waterbasis). Laat drogen en zet een tweede stip op dezelfde plek voor een intensere kleur.
  3. Giet een kleine laag water in een bekerglas — slechts ± 0,5 cm hoog, zodat de stip niet ondergedompeld raakt. Hang het papier in het bekerglas zodat alleen het onderste randje in het water staat. De stip moet boven het water blijven.
  4. Bedek het bekerglas en laat het oplosmiddel opstijgen. Kijk hoe het front omhoog kruipt en de kleuren meeneemt. Sommige kleuren bewegen sneller dan andere.
  5. Haal het papier eruit als het oplosmiddel bijna de bovenkant bereikt heeft. Markeer onmiddellijk de grens van het oplosmiddelfront met een potloodlijn. Laat drogen en analyseer welke kleuren je inkt bevat.

Decanteren

Decanteren is de eenvoudigste scheidingstechniek: je giet voorzichtig de bovenste vloeistof af nadat de zwaardere component naar de bodem gezakt is (door bezinking) of wanneer twee niet-mengbare vloeistoffen van elkaar gescheiden zijn in lagen.

Het werkt alleen als de twee componenten duidelijk gescheiden zijn en niet gemengd raken bij het schenken. In een laboratorium gebruikt men daarvoor soms een scheidetrechter: een trechtervormige glazen fles met een kraantje onderaan, zodat je de onderste laag kunt aflaten zonder de bovenste laag te storen.

Praktijkvoorbeelden: olie en water scheiden (olie is minder dicht en drijft boven); wijnproductie (het bezinksel op de bodem van de fles is wijnsteentartraat — door voorzichtig over te schenken verwijder je het); afgieten van kookwater van groenten.

Overzicht scheidingstechnieken

Techniek Principe Wat scheidt het Praktijkvoorbeeld
Filtreren Deeltjesgrootte: vaste stof te groot voor filterporiën Onoplosbaar vast stof van vloeistof Koffiezetten, drinkwaterzuivering
Bezinken Zwaartekracht: zwaardere deeltjes zinken Zware vaste deeltjes van vloeistof Zand bezinken in water
Centrifugeren Centrifugaalkracht: snelle rotatie versnelt bezinking Zware deeltjes van vloeistof (snel) Bloedanalyse, melkafromen
Indampen Vloeistof verdampt, vaste stof blijft Opgeloste stof van oplosmiddel Zeezout winnen, zoutpannen
Destilleren Verschil in kookpunt: dampen selectief opvangen Vloeistoffen met verschillend kookpunt Drinkwater uit zeewater, alcohol
Magnetisch scheiden Ferromagnetisme: magneet trekt ijzer/nikkel aan Magnetische van niet-magnetische stoffen IJzervijlsel uit zand, metaalrecycling
Chromatografie Verschil in hechting/beweegsnelheid op drager Opgeloste stoffen met verschillende eigenschappen Inktkleuren, dopingcontrole
Decanteren Dichtheidsverschil: lagen vormen zich vanzelf Niet-mengbare vloeistoffen of bezinksel Olie en water, wijnbereiding
5

Oplossingen en concentratie

Een bijzonder type homogeen mengsel is de oplossing. Je maakt een oplossing wanneer je een stof (de opgeloste stof of solute) oplost in een vloeistof (het oplosmiddel of solvent). De opgeloste stof verspreidt zich volledig en gelijkmatig doorheen het oplosmiddel — vandaar dat het resultaat een homogeen mengsel is.

Het meest bekende voorbeeld is suiker of zout oplossen in water. De kristallen verdwijnen uit het zicht, maar de stof is er nog steeds — je proeft het. De deeltjes zijn zo klein geworden (individuele ionen of moleculen) dat ze niet meer zichtbaar zijn en niet door filtreerpapier worden tegengehouden.

Begrip Oplossing

Een oplossing is een homogeen mengsel van een opgeloste stof (solute) in een oplosmiddel (solvent). De opgeloste stof is op moleculair of ionisch niveau verdeeld door het oplosmiddel.

Verzadigde oplossingen

Je kunt niet onbeperkt veel van een stof oplossen in een gegeven hoeveelheid oplosmiddel. Op een bepaald moment is het oplosmiddel vol — het kan geen extra stof meer opnemen. We spreken dan van een verzadigde oplossing. Als je dan nog meer stof toevoegt, zal die niet meer oplossen en als vaste stof op de bodem blijven liggen.

De hoeveelheid stof die je maximaal kunt oplossen, noemen we de oplosbaarheid. De oplosbaarheid hangt af van drie factoren:

“Like dissolves like”

Scheikundigen kennen de vuistregel: like dissolves like — gelijksoortige stoffen lossen in gelijksoortige stoffen op. Polaire stoffen (zoals water, ethanol, suiker, zout) lossen op in polaire oplosmiddelen. Apolaire stoffen (zoals vetten, olie, was, rubberlijm) lossen op in apolaire oplosmiddelen (benzine, aceton, ether).

Dat is ook waarom je een vlek van boter niet weg krijgt met water alleen — boter is apolair, water is polair. Met een vaatwasser of afwasmiddel lukt het wel, omdat afwasmiddel speciale moleculen bevat die aan één kant polair zijn en aan de andere kant apolair, zodat ze zowel met water als met vet kunnen wisselwerken.

Concentratie

Twee zoutoplossingen kunnen er allebei helder uitzien maar toch heel anders smaken. De ene kan veel zout bevatten per liter, de andere weinig. Dat verschil drukken we uit met concentratie: de hoeveelheid opgeloste stof per eenheid van oplosmiddel of oplossing.

We zeggen: een oplossing is geconcentreerd als er veel opgeloste stof per liter aanwezig is, en verdund als er weinig is. Een geconcentreerde zoutoplossing smaakt erg zout; een verdunde amper. In hoofdstuk 8 (dichtheid en concentratie) leer je hoe je dit precies kunt berekenen.

🌎 Wetenschapsfeit

De Dode Zee op de grens van Israël en Jordanië heeft een zoutconcentratie van circa 30% — terwijl normaal zeewater slechts 3,5% zout bevat. Door die hoge dichtheid drijf je er automatisch op het water zonder te zwemmen — het water “draagt” je gewoon. Maar als je de zee induikt, moet je je ogen onmiddellijk spoelen, want het zout brandt heftig. Vissen overleven er niet; maar bepaalde zoutminnende bacteriën (halofyten) gedijen er uitstekend en geven het water soms een roze kleur.

Oefeningen

Oefening 1

Zuivere stof of mengsel?

Classificeer elk van de volgende stoffen als zuivere stof of mengsel. Als het een mengsel is, voeg je ook toe of het homogeen of heterogeen is.

  1. Gedestilleerd water
  2. Melk
  3. Zuiver koper (Cu)
  4. Luft
  5. Granitsteen (bestaande uit kwarts, veldspaat en glimmer)
  6. Ethanol (pure alcohol)
  7. Limonade (frisdrankje)
  8. Zuiver goud (24 karaat)
  9. Brons (legering van koper en tin)
  10. Modderwater (klei en slib in water)

Tip: denk aan het deeltjesmodel. Bestaat de stof uit één soort deeltjes, of zijn er meerdere soorten aanwezig?

Oefening 2

Scheidingstechniek kiezen

Kies voor elk mengsel de meest geschikte scheidingstechniek en geef een korte motivering waarom deze techniek werkt voor dit specifieke mengsel.

  1. IJzervijlsel gemengd met zand
  2. Zout opgelost in water (je wil het zout terugwinnen)
  3. Alcohol en water (kookpunt alcohol: 78°C, water: 100°C)
  4. Zand gemengd met water (je wil helder water)
  5. Zwarte inkt van een viltstift
  6. Bloed (je wil de bloedcellen scheiden van het plasma)

Tip: kijk naar de eigenschapstabel van scheidingstechnieken — welke eigenschap verschilt er tussen de twee componenten?

Oefening 3

Deeltjesmodel tekenen

Teken voor elk van de volgende situaties een eenvoudig deeltjesmodel. Gebruik twee verschillende symbolen (bijv. een gesloten cirkel en een open cirkel) voor twee soorten deeltjes.

  1. Zuiver water — toon de deeltjes in vloeibare toestand
  2. Zout opgelost in water — een homogeen mengsel, beide soorten deeltjes gelijkmatig verdeeld
  3. Zand gemengd met grind — een heterogeen mengsel, de deeltjes zijn duidelijk van een verschillende grootte en zijn ongelijkmatig verdeeld

Voeg bij elke tekening een korte uitleg toe: wat stelt elk symbool voor, en waarom heb je de deeltjes zo gerangschikt?

Tip: bij een vaste stof staan de deeltjes dicht op elkaar en zijn ze geordend; bij een vloeistof staan ze ook dicht op elkaar maar bewegen ze vrijer.

Oefening 4

Filtreproef analyseren

Een leerling filtreert modderwater door filtreerpapier. Beantwoord de volgende vragen:

  1. Wat blijft er achter op het filtreerpapier (het residu) en wat gaat er door (het filtraat)?
  2. Ziet het filtraat er helder uit na het filtreren? Verklaar waarom wel of niet.
  3. Betekent “helder” filtraat ook dat het water veilig is om te drinken? Leg uit welke stoffen er eventueel nog in het filtraat aanwezig kunnen zijn die er door filtreren niet uitgehaald worden.
  4. Welke bijkomende stap(pen) zou je moeten uitvoeren om het gefilterd water echt drinkbaar te maken?

Denk aan wat filtreerpapier wel en niet tegenhoudt, en aan wat er eventueel opgelost in het water zit.

Oefening 5

Destillatie begrijpen

Hieronder worden de onderdelen van een eenvoudige destillatie-opstelling beschreven. Leg bij elk onderdeel uit wat de functie is en wat er precies mee gebeurt tijdens de destillatie van zeewater.

  1. De destillatiekolf (ronde glazen kolf onderaan): hier zit het mengsel (zeewater). Wat gebeurt hier tijdens verhitting?
  2. De thermometer (bevestigd in de bovenkant van de kolf): waarvoor dient deze, en welke temperatuur verwacht je te lezen als het water kookt?
  3. De koeler (condensor) (een buis omgeven door koud water): wat gebeurt er met de damp als die door de koeler gaat?
  4. Het opvangbekerglas (aan het einde van de koeler): wat verzamel je hier, en waarom is dit zuiverder dan het originele zeewater?
  5. Na afloop van de destillatie bekijk je de destillatiekolf: wat is daarin achtergebleven, en waarom is dat zo?

Gebruik het principe: destillatie scheidt vloeistoffen op basis van verschillend kookpunt. Water kookt bij 100°C, zout pas bij 801°C (smeltpunt).

Samenvatting