Holtes in de as van de Vesuvius, gevuld met gips — de laatste houdingen van echte mensen
| Soort voorwerp | Gipsgietsels van slachtoffers in de vulkaanas |
| Materiaal | Gips, gegoten in holtes in de versteende as |
| Waar gevonden | Pompeii, aan de voet van de Vesuvius, bij Napels (Italië) |
| Wanneer | 79 n.Chr. (gietsels vanaf 1863) |
| Te zien in | De opgravingssite van Pompeii |
| Relevante hoofdstukken | H17 (Het Romeinse keizerrijk) |
In het jaar 79 na Christus barstte de vulkaan de Vesuvius uit en bedolf de Romeinse stad Pompeii onder een dikke laag as en puin. Veel inwoners stierven ter plekke, overvallen door hete gassen en bedolven onder de as. In de loop van de eeuwen verdween hun lichaam, maar de hard geworden as eromheen bleef staan. Zo ontstonden er holtes in de vorm van de mensen, precies in de houding waarin ze gestorven waren.
Pas in de 19de eeuw bedacht de Italiaanse archeoloog Giuseppe Fiorelli een geniale truc. Als zijn graafploeg op zo'n holte stuitte, goten ze er vloeibaar gips in. Als het gips hard was geworden en de as eromheen werd weggehaald, hielden ze een exacte afgietsel over: een figuur van een mens, een hond of zelfs een plooi van kleding, gevormd in zijn laatste moment. Sommige gietsels tonen mensen die hun gezicht bedekken, een kind vasthouden of ineengedoken liggen.
Daarnaast is heel de stad uitzonderlijk bewaard gebleven onder de as. Huizen met muurschilderingen, winkels, een badhuis, een arena, straten met karrensporen, zelfs reclameteksten en grappige krabbels op de muren. Pompeii is daardoor geen ruïne maar bijna een bevroren stad: een Romeinse stad die op één dag stilviel en zo ongeveer tweeduizend jaar bewaard bleef.
De gietsels en de stad zijn samen een buitengewone ongeschreven bron. Doordat alles zo plots werd bedolven, geeft Pompeii ons een momentopname van het dagelijks leven in een gewone Romeinse stad. We leren hoe de huizen waren ingedeeld, wat men at en dronk, hoe een winkel werkte, welke goden men vereerde en hoe rijk of arm verschillende inwoners leefden. De gietsels maken het bovendien pijnlijk persoonlijk: het zijn geen koningen of helden, maar gewone mensen, gevangen in hun laatste moment.
Juist daarom is Pompeii zo waardevol. De meeste bronnen uit de oudheid gaan over de elite: keizers, veldslagen, tempels. Pompeii toont ons ook de gewone Romein — de bakker, de slaaf, het kind, de hond aan de ketting. Dat soort mensen blijft in geschreven bronnen meestal onzichtbaar. Hier zien we hun straten, hun krabbels op de muur en zelfs hun laatste houding.
Toch blijft een historicus ook hier nadenken. Een gietsel toont de vorm van een lichaam, maar niet wie die persoon precies was, wat hij dacht of voelde. En Pompeii is een uitzonderlijke bron: een ramp bewaarde de stad, maar de meeste Romeinse steden zijn op een gewone manier vervallen of veranderd. We mogen Pompeii dus gebruiken om het Romeinse leven te begrijpen, maar moeten onthouden dat het een momentopname is van één stad, op één dag, bewaard door een uitzonderlijk toeval.
Een ooggetuige beschreef de ramp: Plinius de Jongere zag de uitbarsting vanaf de overkant van de baai en schreef erover in twee brieven. Zo hebben we naast de gietsels ook een geschreven bron over dezelfde gebeurtenis.
Op de muren van Pompeii staan duizenden graffiti: liefdesverklaringen, scheldwoorden, reclame voor verkiezingen en zelfs klachten over het eten in een herberg. Heel gewone mensen aan het woord, tweeduizend jaar geleden.
Niet alleen mensen werden gegoten. Een van de beroemdste gietsels is een hond die aan zijn ketting vastzat en zich kronkelend probeerde te bevrijden toen de as kwam.