De veldheer die de Rubicon overstak, de republiek de das omdeed — en stierf op de ides van maart
| Leefde | 100–44 v.Chr. |
| Periode | Late Republiek / begin Keizerrijk |
| Regio | Rome, Galliië, Egypte |
| Bekend om | Verovering van Galliië, burgeroorlog, dictatuur, moord op de Iden van Maart |
| Relevante hoofdstukken | H16 (De Romeinse republiek), H17 (Het Romeinse keizerrijk) |
Gaius Julius Caesar werd geboren in Rome in het jaar 100 voor Christus. Zijn familie, de gens Iulia, beweerde af te stammen van de godin Venus — een claim die in de politiek van Rome nooit kwaad kon. Maar rijk was de familie bepaald niet. Caesar groeide op in het Subura, een drukke, arme wijk van de eeuwige stad. Dat hij ooit de machtigste man van de westerse wereld zou worden, was bij zijn geboorte ondenkbaar.
Hij klom omhoog op de manier die in Rome altijd werkte: via charme, slim spreken en een bereidheid om schulden te maken die de meeste mensen van hem zouden afschrikken. Tegen de tijd dat hij dertig was, stond Caesar diep in het rood bij zijn schuldeisers — maar hij had ook een netwerk opgebouwd dat hem steeds hogere ambten bezorgde. In Rome waren politiek en leger onscheidbaar: wie carriere wilde maken, moest ook soldaat zijn. En daarin zou Caesar uitblinken op een manier die niemand had voorzien.
In 58 voor Christus vertrok Caesar naar Galliië als gouverneur en opperbevelhebber. Wat volgde waren acht jaar van bijna ononderbroken oorlog. Hij veroverde het gebied dat ruwweg overeenkomt met het huidige Frankrijk, België en delen van Duitsland. De Belgische stammen, die Caesar Belgae noemde, boden hem sommige van zijn zwaarste gevechten: hij schreef dat zij de dapperste van alle Galliische stammen waren. De balans van de campagnes was vernietigend: naar schatting een miljoen mensen gedood, een miljoen mensen tot slaaf gemaakt. Het is een getal om even bij stil te staan.
Maar terwijl hij vocht, schreef Caesar ook. Zijn Commentarii de Bello Gallico — zijn aantekeningen over de Gallische oorlog — zijn een van de meest gelezen teksten uit de Oudheid. Ze zijn vlot geschreven, helder en overtuigend. Ze zijn ook propaganda: Caesar stelde zijn eigen daden in het beste licht, minimaliseerde zijn fouten en maximaliseerde zijn overwinningen. Zijn lezers in Rome waren er dol op. Terwijl hij in Galliië vocht, bleef hij politiek aanwezig in de hoofdstad.
In 49 voor Christus stond Caesar voor een grens: de rivier de Rubicon, die de grens vormde tussen Galliië en Italië. De wet verbood een Romeins generaal zijn leger over die grens te leiden — dat was een daad van oorlog tegen Rome zelf. Caesar wist dat. Zijn rivalen in de Senaat wisten dat. En toch zette hij zijn troepen in beweging.
Naar verluidt zei hij bij het oversteken: Alea iacta est — de teerling is geworpen. Of hij die woorden werkelijk uitsprak weet niemand zeker, maar de uitdrukking bleef. Vandaag gebruiken we ze nog altijd als iemand een punt van no return passeert. Zijn rivaal Pompeius — ooit zijn bondgenoot in het zogenoemde Eerste Triumviraat — vluchtte voor hem naar het Oosten. Caesar volgde hem tot in Egypte, maar Pompeius werd daar vermoord voordat Caesar hem kon bereiken, door Egyptische hofdienaars die Caesar een plezier dachten te doen. Caesar was ziedend: hij had Pompeius liever zelf gevangen genomen.
In Egypte ontmoette Caesar de jonge koningin Cleopatra VII, die om de troon vocht met haar broer. Zij zocht zijn steun; hij bood die. Ze kregen samen een kind, dat Caesarion werd genoemd. De relatie was tegelijk politiek en persoonlijk — en ze had grote gevolgen voor de machtsbalans in de Mediterrane wereld, al zou Caesar dat niet meer meemaken.
Terug in Rome stapelde Caesar de macht op. Hij nam steeds meer functies tegelijk, omzeilde de traditionele wetten en liet zichzelf in 44 voor Christus tot dictator perpetuo benoemen: eeuwigdurend dictator. Dat was voor veel Romeinse senatoren een stap te ver. De Republiek, die al eeuwen draaide op gedeelde macht en regelmatig wisselende magistraten, leek haar einde nabij. Een groep senatoren, onder wie mannen die Caesar persoonlijk kende — en zijn vriend Brutus — smeedde een complot.
Op 15 maart 44 voor Christus, de Ides van Maart, werd Caesar neergestoken in het theater van Pompeius. Drieentwintig messteken. Hij stierf aan de voet van een standbeeld van zijn oude rivaal. Naar verluid waren zijn laatste woorden gericht aan Brutus: Et tu, Brute? Die woorden zijn waarschijnlijk een uitvinding van Shakespeare, maar ze vangen iets echts: de verrassing van een man die vermoord wordt door mensen die hij vertrouwde.
Zijn dood loste niets op. Rome stortte in een nieuwe burgeroorlog, die uiteindelijk eindigde met de overwinning van Caesars adoptiezoon Octavianus — die zichzelf Augustus noemde en de eerste echte keizer van Rome werd. Caesar had nooit de titel imperator in de latere zin gedragen, maar zijn naam werd die van alle keizers na hem. Keizer: van Caesar. Duits Kaiser: van Caesar. Russisch Tsaar: van Caesar. En de maand juli? Vernoemd naar Julius. Zijn kalenderhervorming — de Juliaanse kalender — bleef in gebruik tot in de 16de eeuw, en in sommige landen nog langer.
Julius Caesar was epilepticus. In de Oudheid gold dat niet als een ziekte om je voor te schamen — integendeel: aanvallen werden gezien als een teken van goddelijke aanraking. Het versterkte zijn aura van iemand die met hogere machten in contact stond.
De maand juli is vernoemd naar Julius Caesar. Zijn opvolger Augustus vernoemde vervolgens augustus naar zichzelf. Zonder Caesar hadden we mogelijk andere namen voor de zomervakantie.
Na Caesars dood beweerde zijn adoptiezoon Octavianus (Augustus) dat Caesars ziel zichtbaar was in een komeet aan de hemel. Rome geloofde het. Caesar werd officieel tot god verklaard — divus Iulius. Politieke propaganda heeft zelden zo goed gewerkt.