Op mijn zevende haalden ze me weg bij mijn moeder — vanaf dat moment hoorde ik niet meer bij mijn gezin, maar bij de staat
| Wie | Een jongen van een burgerfamilie, in opleiding tot Spartaanse soldaat |
| Periode | Klassieke Oudheid — ca. 430 v.Chr. |
| Plaats | Sparta, in de Peloponnesos (Griekenland) |
| Sociale stand | Zoon van een spartiaat (volwaardig Spartaans burger) |
| Relevante hoofdstukken | H13 (Het klassieke Griekenland — Athene en Sparta) |
Ik woon niet meer thuis. Toen ik zeven werd, brachten ze me naar de agogè — de opvoeding van Sparta. Sindsdien slaap ik in een kazerne, samen met andere jongens van mijn leeftijd. We zijn een groep, een kudde haast, en onze leider is een oudere jongen die boven ons staat. Mijn ouders zie ik nog wel, maar ik hoor niet langer bij hen. Ik hoor bij Sparta. Zo gaat dat bij ons, en bij niemand anders in heel Griekenland.
De dag begint hard en blijft hard. We oefenen lopen, worstelen, springen en speerwerpen, het hele jaar door. Ik loop op blote voeten, ook over scherpe stenen, want zo worden mijn voeten taai. Ik draag één simpele mantel, zomer en winter, want kou moet je leren verdragen. We slapen op matten van riet die we zelf uit de rivier de Eurotas moeten plukken — met onze blote handen, want een mes mogen we daar niet voor gebruiken.
Honger ken ik goed. Ze geven ons met opzet te weinig te eten. Dat heeft een reden: ze willen dat we leren stelen, slim en onopgemerkt, zodat we ook in de oorlog voedsel kunnen vinden achter de vijandelijke linies. Maar als je betrapt wordt bij het stelen, krijg je slaag — niet omdat je stal, maar omdat je je liet pakken. Er gaat een verhaal over een jongen die een gestolen vos onder zijn mantel verborg en zich liet bijten tot hij stierf, alleen om niet betrapt te worden. Of het waar is, weet ik niet. Maar het zegt iets over wat Sparta van ons verwacht.
We leren ook lezen en schrijven, maar net genoeg. Veel belangrijker is dat we leren kort en raak te spreken. Een Spartaan verspilt geen woorden — men noemt dat ‘lakoniek’ spreken, naar onze streek Lakonië. We zingen liederen over dappere voorouders en oefenen in koren. Maar bovenal: we leren gehoorzamen, in de rij blijven, en nooit, nooit vluchten in een gevecht.
De oudere mannen houden ons in de gaten. Ze stellen ons vragen en wachten op een snel, gevat antwoord. Geven we een slap antwoord, dan volgt een tik. Soms zetten ze ons tegen elkaar op, om te zien wie de sterkste is. Vechten onder elkaar is niet verboden — het is een les.
’s Avonds, doodmoe, denk ik soms aan de jongens in Athene, ver weg. Men zegt dat zij les krijgen in muziek, dichtkunst en redeneren, en dat ze later mogen stemmen op het marktplein. Wij doen dat niet. Wij worden geen redenaars of kooplieden. Wij worden soldaten. Dat is het enige beroep dat een Spartaan waardig is, en mijn moeder zei het me toen ik wegging: ‘Kom terug met je schild, of erop.’ Liever dood dan gevlucht. Daar slaap ik op.
Het vreemde aan Sparta is dat de Spartanen zelf bijna niets opschreven. Ze waren trots op daden, niet op woorden. Bijna alles wat we over de agogè weten, komt van buïtenstaanders: Griekse en Romeinse schrijvers zoals Xenophon en vooral Plutarchus — en die laatste leefde eeuwen ná de bloeitijd van Sparta. Zij waren gefascineerd door die strenge opvoeding en beschreven ze soms bewonderend, soms juist afkeurend.
Daardoor is het moeilijk om feit en legende te scheiden. Het verhaal van de jongen met de vos bijvoorbeeld is misschien overdreven of zelfs verzonnen, om te tonen hoe streng Sparta was. Dat is standplaatsgebondenheid in actie: een Athener of een latere Romein keek naar Sparta met zijn eigen ideeën en belangen, en kon de zaak mooier of erger maken dan ze was. Over hoe een Spartaanse jongen zélf zijn opvoeding beleefde — bang, trots, eenzaam? — weten we daarom eigenlijk niets zeker.
Ons woord ‘lakoniek’ — iemand die heel kort en bondig spreekt — komt van Lakonië, de streek rond Sparta. Spartanen stonden bekend om hun korte, scherpe antwoorden.
In Sparta deden ook meisjes aan sport: hardlopen, worstelen, speerwerpen. Men geloofde dat sterke moeders sterke soldaten baarden. In de rest van Griekenland was dat ondenkbaar.
Het zware werk op het land werd in Sparta gedaan door de heloten, een onvrije bevolkingsgroep. Daardoor konden de Spartaanse burgers zich volledig op het soldatenleven richten.