Dag na dag spijkerschrift drukken in natte klei — want wie kan schrijven, hoeft niet op het veld te zwoegen
| Wie | Een jongen van een jaar of tien die leert lezen en schrijven |
| Periode | Oudheid — ca. 1750 v.Chr. |
| Plaats | Een stad in Babylonië (Mesopotamië), tussen Eufraat en Tigris |
| Sociale stand | Zoon uit een redelijk welgestelde familie; schrijven was een beroep met aanzien |
| Relevante hoofdstukken | H10 (Mesopotamië — de eerste steden en het schrift) |
Mijn naam zal je niet onthouden, maar mijn werk misschien wel. Ik sta op nog voor de zon boven de stadsmuur uit komt. Mijn moeder geeft me brood en wat bier — ja, ook kinderen drinken dun bier, het water uit de gracht maakt je ziek. Daarna loop ik door de smalle straten naar het edubba, het ‘tabletenhuis’. Zo noemen wij de school. Onderweg passeer ik de tempel, hoog als een berg, met trappen tot in de hemel. Wij noemen zo’n tempel een ziggoerat.
In de school is het stil — tenminste, als de leraar in de buurt is. Wij noemen hem ‘schoolvader’. Wie te laat komt of een fout maakt, krijgt slaag met een stok. Gisteren kreeg ik nog klappen omdat mijn klei te droog was. Want alles begint bij de klei. Ik kneed een bol nat leem tot een plat tabletje, zo groot als mijn hand. Daarna pak ik mijn rietstift, mijn stilus, en druk er tekens in. Niet schrijven met inkt, zoals je misschien denkt — nee, indrukken. Elk teken is een klein wigje. Daarom heet ons schrift spijkerschrift.
De hele ochtend doe ik hetzelfde teken, keer op keer. De schoolvader schrijft een rij voor, ik kopieer ze. Een teken voor ‘koning’, een teken voor ‘graan’, een teken voor ‘god’. Er zijn er honderden, soms meerdere voor hetzelfde woord. Mijn vingers doen pijn en mijn rug is stijf. Maar ik klaag niet hardop, want de oudere leerlingen letten op alles.
Rond het middaguur eten we snel iets en mogen we even buiten zitten. De oudere jongens oefenen rekenen: hoeveel zakken graan past er in een schuur, hoeveel dagen werk kost een kanaal. Want een schrijver moet meer dan letters kennen. Hij telt de oogst, schrijft contracten en brieven, en houdt bij wie de tempel belasting schuldig is. Een goede schrijver kan zelfs de wetten van koning Hammurabi lezen, die in steen gegrift staan op het marktplein.
’s Middags maak ik mijn ochtendtablet glad en begin opnieuw. Tegen de avond bakt de zon mijn beste tablet hard, of we bewaren het droog. De mislukte tabletten kneed ik weer tot een bol — klei is geduldig, het vergeeft elke fout. Als ik thuiskom is het donker. Mijn vader vraagt of ik vooruitga. Ik knik. Hij zegt: ‘Een schrijver werkt niet in de modder en zweet niet in de zon. Onthoud dat.’ En ik onthoud het, want hij heeft gelijk.
Ooit, als ik alle tekens ken, schrijf ik misschien een brief voor een koopman, of tel ik de schepen in de haven. Misschien kopieer ik wel het verhaal van Gilgamesj, dat de oude schrijvers vóór mij hebben opgeschreven. Dan leeft mijn werk verder, lang nadat ik er niet meer ben. Daar denk ik aan terwijl ik in slaap val, met inktloze, kleiige vingers.
We weten verrassend veel over schrijversleerlingen, en dat komt door één gelukkig toeval: klei vergaat niet. Papier en hout verrotten, maar gebakken of gedroogde kleitabletten blijven duizenden jaren bewaard in de grond. Archeologen hebben in steden als Nippur en Ur hele stapels oefentabletten gevonden — sommige met de nette voorbeeldregels van de leraar bovenaan en de wankele kopie van de leerling eronder.
Sommige tabletten bevatten zelfs korte verhaaltjes over het schoolleven: over luie leerlingen, strenge leraren en het slaag dat je kreeg. Ze zijn duizenden jaren oud, maar verrassend herkenbaar. Toch moeten we voorzichtig zijn: die schoolteksten zijn gemaakt door schrijvers zélf, om hun eigen beroep belangrijk te laten lijken. Dat is hun standplaatsgebondenheid — ze keken naar de wereld vanuit hun eigen plaats en belang. Over kinderen die nooit naar school gingen, en dat waren er veruit het meeste, hebben we bijna geen bronnen. Zij konden niet schrijven, dus lieten ze geen woorden na.
Het spijkerschrift is een van de oudste schriften ter wereld. Het werd niet uitgevonden voor verhalen, maar om de boekhouding bij te houden: hoeveel graan, hoeveel schapen, hoeveel zakken meel.
Een leerling moest honderden tekens uit het hoofd leren. Daarom duurde de opleiding jaren. Wie het volhield, hoorde bij een kleine groep mensen die kon lezen en schrijven.
Op sommige oefentabletten staan nog de vingerafdrukken van een kind in de klei gedrukt — bijna vierduizend jaar oud.