Een doodgewone dag in een bruisende Romeinse stad — tot de berg ontwaakt en de tijd voor altijd stilzet
| Wie | Een kind van een handelaarsfamilie in een Romeinse stad |
| Periode | Romeinse Keizertijd — 79 n.Chr. |
| Plaats | Pompeii, aan de voet van de Vesuvius (Italië) |
| Sociale stand | Kind van vrije, redelijk welgestelde stadsbewoners |
| Relevante hoofdstukken | H17 (Het Romeinse keizerrijk — het leven in een Romeinse stad) |
Mijn stad heet Pompeii, en ik vind ze de mooiste van de wereld. We wonen in een huis rond een open binnenhof, de atrium, met een vijvertje in het midden dat het regenwater opvangt. Op de muren heeft een schilder kleurige taferelen gemaakt: vogels, bloemen, goden. We hebben stromend water uit loden leidingen en een latrine; mijn vader zegt dat niet elke stad in het rijk zo’n comfort kent.
’s Ochtends ga ik naar school. Niet in een groot gebouw, maar gewoon onder een afdak aan de straat, waar een leraar ons leert lezen, schrijven en rekenen. Ik schrijf met een puntige stilus in een plat tafeltje vol was; een foutje veeg ik glad met het stompe uiteinde. Mijn zus blijft thuis en leert van mijn moeder het huishouden. De leraar is streng, en wie de letters niet kent, krijgt op de vingers.
Na de les loop ik door de drukke straten. De stoepen zijn hoog en er liggen grote stapstenen waarover je de straat kunt oversteken zonder in het vuile water te stappen — en waartussen de karren precies passen. Overal zijn winkeltjes: een bakker met ronde broden, een thermopolium waar ze warm eten en drinken verkopen uit grote potten in de toonbank. Op de muren staat van alles gekrabbeld: reclame voor gladiatorenspelen, namen van geliefden, scheldwoorden, zelfs verkiezingsleuzen. Onze stad heeft een eigen bestuur dat gekozen wordt.
Soms gaan we naar het grote theater of, op spelendagen, naar het amfitheater aan de rand van de stad, waar gladiatoren vechten. Of we gaan naar het badhuis, de thermae: warme baden, koude baden, een zaal om te sporten. Daar komt iedereen samen om te praten en handel te drijven. ’s Avonds eten we liggend op rustbanken — de volwassenen tenminste; ik mag erbij zitten als ik me gedraag.
Achter de stad rijst een grote berg op: de Vesuvius, groen en bebost. Wij weten niet dat het een vulkaan is — dat woord kennen we niet eens zo. De wijngaarden op zijn hellingen geven de beste druiven. De grond beeft hier wel vaker een beetje; zeventien jaar geleden, zeggen de oude mensen, was er een zware aardbeving die veel huizen beschadigde. Maar we herstelden alles en leefden gewoon verder. Niemand maakt zich druk om de berg.
En dan, op een dag in de nazomer, gebeurt het. De berg ontwaakt met een oorverdovende knal. Een reusachtige wolk, als een pijnboom van rook, schiet de hemel in. Dan begint het te regenen — niet met water, maar met steentjes en as. De lucht wordt donker, midden op de dag. Mensen rennen, schreeuwen, grijpen hun kostbaarheden. Sommigen vluchten naar de haven, anderen schuilen binnen. De as blijft maar vallen, uren, en bedekt alles: de straten, de daken, de stapstenen, de woorden op de muren. En zo wordt mijn doodgewone dag de laatste dag van mijn stad.
Pompeii is een van de meest bijzondere vensters op het verleden die we hebben. De dikke laag as die de stad in 79 n.Chr. bedolf, bewaarde alles precies zoals het op dat moment was: huizen met hun muurschilderingen, winkels met hun toonbanken, brood in de oven, graffiti op de muren. Archeologen vonden zelfs holtes in de as waar lichamen waren vergaan; door die holtes met gips te vullen, kregen ze afgietsels van mensen op hun laatste moment. Een ooggetuige, de jonge Romein Plinius, beschreef de uitbarsting later in twee brieven — zijn oom kwam erbij om het leven.
Toch is ook Pompeii niet het hele verhaal. We zien vooral wat er tijdens die ene ramp werd vastgelegd — een momentopname, niet het hele leven. De graffiti en huizen tonen ons de stad, maar de mensen zelf kunnen het ons niet navertellen. En Plinius’ brieven, hoe waardevol ook, zijn geschreven door een jonge, geletterde Romein uit een rijke familie: dat is zijn standplaatsgebondenheid. Hoe een gewoon kind, een slaaf of een arme winkelier die dag beleefde, moeten we afleiden uit stenen, botten en gips — niet uit hun eigen woorden, want die zijn er niet.
In de straten van Pompeii liggen stapstenen waarover voetgangers de straat overstaken. De gleuven ertussen zijn precies zo breed dat de wielen van karren erdoor pasten.
De muren staan vol graffiti: reclame, liefdesverklaringen, grappen en verkiezingsleuzen. Het is alsof de bewoners van tweeduizend jaar geleden nog tegen ons praten.
De gipsafgietsels van slachtoffers tonen mensen op hun laatste moment: sommigen beschermend over een kind gebogen, anderen met hun gezicht in een doek. Geschiedenis wordt zelden zo persoonlijk.