Egypte  ·  ca. 2550 v.Chr.

Een bouwer aan een piramide

Geen slaaf met een zweep achter zich, maar een arbeider met een ploeg makkers, brood, bier — en een berg van steen

Profiel
Wie Een arbeider die meebouwt aan de grote piramide van de farao
Periode Oudheid — ca. 2550 v.Chr. (Oude Rijk)
Plaats De bouwplaats bij Gizeh, vlak bij de Nijl
Sociale stand Vrije arbeider, geen slaaf; betaald in voedsel en onderdak
Relevante hoofdstukken H11 (Egypte — de farao’s en hun bouwwerken)

Een dag uit mijn leven

Misschien denk je dat ik een slaaf ben, geketend, met een opzichter en een zweep achter mij. Dat is niet zo. Ik ben een vrij man, een boer uit een dorp aan de Nijl. In de maanden dat de rivier ons land onder water zet en er niets te oogsten valt, kom ik hier werken aan de berg van de farao. In ruil krijg ik brood, bier, vis, uien en een slaapplaats. Het is hard werk, maar het is eervol werk: ik bouw mee aan het huis van de eeuwigheid voor onze koning, die wij als een god zien.

Wij werken in ploegen. Mijn ploeg heeft zelfs een grappige naam — zoiets als ‘de vrienden van de farao’. We schilderen die naam soms op de stenen, zodat iedereen weet wie wat heeft gesleept. Elke ochtend, als het nog koel is, gaan we naar de groeve of naar de helling. De grootste blokken zijn zwaarder dan een os. We trekken ze op houten sleden over de grond. Een man giet water voor de slede uit, zodat het zand glad wordt en de slede makkelijker glijdt. Ik trek aan een touw, samen met tientallen anderen, op het ritme van een voorzanger.

Stap voor stap slepen we de blokken omhoog over een lange aarden helling die met de piramide meegroeit. Het is alsof we elke dag een stukje dichter bij de hemel klimmen. Boven zetten de steenhouwers de blokken op hun plaats, perfect tegen elkaar, met touwen, hefbomen en eindeloos geduld. Niemand van ons heeft ooit geleerd hoe het precies moet — de slimme schrijvers en bouwmeesters weten dat. Wij doen wat zij zeggen.

Rond het middaguur rusten we in de schaduw. We eten brood en gedroogde vis, en we drinken bier uit kruiken. Als iemand zijn arm breekt of door een steen geplet raakt, brengen ze hem naar de genezers. Sommigen van mijn makkers liggen al onder de grond begraven, vlak bij de piramide. Ze kregen een eigen graf, met een steen die hun naam draagt. Wie sterft voor de farao, ligt dicht bij de god begraven — dat is geen slecht lot.

’s Avonds zitten we bij elkaar in onze hutten. We praten over thuis, over de oogst die komen gaat, over wie de sterkste van de ploeg is. We klagen ook, zoals werkers altijd klagen, over het eten en over de opzichters. Maar we zijn ook trots. Als ik straks oud ben en mijn kleinkinderen vragen wat ik gedaan heb, kan ik wijzen naar de horizon, naar die reusachtige driehoek tegen de lucht, en zeggen: daar heb ik aan meegebouwd. Die zal er nog staan als ik allang vergeten ben.

Hoe weten we dit?

Lange tijd dacht men dat piramides door slaven werden gebouwd — vooral omdat de Griekse schrijver Herodotos dat tweeduizend jaar later opschreef, en omdat oude films het zo toonden. Maar archeologen hebben vlak bij de piramides van Gizeh de resten gevonden van een hele arbeidersstad: slaapzalen, bakkerijen, brouwerijen en bergen visgraten en runderbotten. De bouwers kregen dus goed te eten. Ook vond men graven van arbeiders, met namen en titels, vlak bij de koninklijke piramides. Slaven zou je nooit zo’n eervolle plek hebben gegeven.

Op de stenen zelf staan soms de namen van de werkploegen gekrabbeld. Daaruit weten we dat mannen in ploegen werkten en zelfs een soort teamtrots hadden. Toch blijven er raadsels: hoe precies de zwaarste blokken omhoog gingen, weten we niet zeker. En het verhaal van Herodotos laat zien hoe standplaatsgebondenheid werkt: hij leefde in een heel andere tijd en wereld, hoorde de verhalen uit tweede hand, en kleurde ze in vanuit zijn eigen Griekse blik. Een bron van lang nádien is niet vanzelf betrouwbaar.

Wist je dat?

De Grote Piramide van Gizeh bestaat uit ongeveer 2,3 miljoen steenblokken. Eeuwenlang was ze het hoogste bouwwerk ter wereld.

Arbeiders krabbelden soms grappige ploegnamen op de blokken, zoals ‘de dronkaards van Mykerinos’. Een knipoog van vierduizend jaar oud.

Het natmaken van het zand vóór een slede was geen bijgeloof maar slimme techniek: nat zand vermindert de wrijving, zodat een blok veel makkelijker glijdt.

Verbinding met het leerboek

Relevante hoofdstukken
  • H11 — Egypte: de macht van de farao als god-koning, de piramides als graven voor de eeuwigheid, en de organisatie van arbeid in een vroege staat.