Romeinse rijksgrens  ·  ca. 100 n.Chr.

Een legioensoldaat

Iedereen denkt dat een soldaat altijd vecht — maar mijn leven is vooral marcheren, graven en muren bouwen aan de rand van het rijk

Profiel
Wie Een beroepssoldaat in een Romeins legioen
Periode Romeinse Keizertijd — ca. 100 n.Chr.
Plaats Een legerkamp aan de noordgrens van het rijk (bijv. langs Rijn of Donau)
Sociale stand Vrij Romeins burger; soldaat met vast loon en een dienst van zo’n 25 jaar
Relevante hoofdstukken H17 (Het Romeinse keizerrijk — het leger en de grenzen)

Een dag uit mijn leven

Toen ik tekende voor het legioen, droomde ik van veldslagen en roem. De waarheid is anders: ik vecht zelden, maar ik werk altijd. Een Romeins soldaat is evengoed een bouwvakker als een vechter. Ik dien al jaren, en mijn dienst duurt nog lang — ongeveer vijfentwintig jaar in totaal. Daarna, als ik het haal, krijg ik een stuk land of een zak geld, en ben ik een gerespecteerd veteranus.

De dag begint bij zonsopgang met het horngeschal. Ik slaap in een tent of barak met zeven andere mannen; samen vormen we een contubernium, een soort soldatenfamilie. We delen alles: het werk, het eten, en een muildier dat onze spullen draagt. We eten vooral graan — pap, brood of biscuit — met wat groenten, kaas, spek en zure wijn. Vlees is er soms, maar graan is de motor van het leger.

Daarna komt het werk. Soms marcheren we: met volle bepakking, een helm, een maliĆ«nkolder, een groot schild, twee werpsperen, een kort zwaard en een paar dagen voedsel, palen en een schop op de rug. We dragen zoveel dat men ons spottend ‘de muildieren van Marius’ noemt. Aan het eind van een dagmars bouwen we elke avond een volledig kamp: een gracht graven, een wal opwerpen, een palissade plaatsen. Elke avond opnieuw, ook als er geen vijand in de buurt is. Discipline is alles in het Romeinse leger.

Als we niet marcheren, werken we aan het fort. Ik heb meegeholpen aan stenen muren, wachttorens, een badhuis, zelfs aan wegen die kaarsrecht door het landschap snijden. Een Romeinse weg is geen modderpad: lagen steen en grind, met afwatering aan de zijkant. Daarover kan een leger snel naar elke uithoek van het rijk. Andere dagen sta ik op wacht aan de grenswal, turend naar de bossen waar de stammen wonen die buiten ons rijk leven.

In het kamp leven ook ambachtslieden, dokters en schrijvers. Ja, ook in het leger wordt veel geschreven: dienstroosters, voorraadlijsten, verlofaanvragen. Op vrije dagen ga ik naar het badhuis, gok ik met dobbelstenen, of schrijf ik — of laat ik schrijven — een brief naar huis. Sommige soldaten hebben in het dorp bij het fort een vrouw en kinderen, al mogen we tijdens onze dienst officieel niet trouwen.

’s Avonds, bij het wachtvuur, vertellen oudere soldaten over veldtochten in verre streken. We komen uit alle hoeken van het rijk: ik ken mannen uit Gallië, uit Spanje, uit Afrika. We spreken Latijn met elkaar, dat bindt ons. Ik droom nog steeds van roem, maar ik weet nu: het rijk wordt niet alleen verdedigd in de slag, maar elke dag opnieuw, met een schop in de hand en een muur die hoger wordt. Dat is mijn werk, en ik ben er trots op.

Hoe weten we dit?

Het Romeinse leger heeft sporen nagelaten over heel Europa: de fundamenten van forten, stukken van grenswallen, wegen die nog onder onze moderne wegen liggen, en talloze voorwerpen — helmen, zwaarden, schoenen, gereedschap. Heel bijzonder zijn de houten schrijfplankjes die in Vindolanda, bij de muur van Hadrianus in Brittannië, in de natte grond bewaard bleven. Daarop staan echte brieven van soldaten: over sokken en onderbroeken die worden opgestuurd, over een verjaardagsuitnodiging, over bier dat op is. Plots klinkt de gewone soldaat heel menselijk.

Toch geven ook deze bronnen een gekleurd beeld. OfficiĆ«le teksten en grafstenen tonen vooral wat de Romeinen belangrijk vonden: discipline, trouw, overwinningen. Dat is hun standplaatsgebondenheid. Over de angst vóór een veldslag, of over de mensen aan de andere kant van de grenswal — die de Romeinen ‘barbaren’ noemden — horen we bijna alleen het Romeinse standpunt. De vijand schreef zelf meestal niets op, dus zijn kant van het verhaal ontbreekt.

Het ritme van de dag

Ochtend
Hoorngeschal bij zonsopgang. Eten met de contubernium — pap, brood, wat kaas en spek.
Voormiddag
Marcheren met volle bepakking, of werken aan muren, wachttorens en kaarsrechte wegen.
Namiddag
Wachtlopen aan de grenswal, wapenoefening, of klussen in het fort.
Avond
Bij een dagmars: een volledig kamp opbouwen. Anders: het badhuis, dobbelen, of een brief naar huis bij het wachtvuur.

Wist je dat?

Romeinse soldaten droegen zoveel bagage dat men hen ‘de muildieren van Marius’ noemde, naar de veldheer die zijn mannen liet leren al hun spullen zelf te dragen.

De Romeinse wegen waren zo goed gebouwd dat sommige er na tweeduizend jaar nog liggen. Het gezegde ‘alle wegen leiden naar Rome’ komt hiervandaan.

In Vindolanda werd een echte brief gevonden waarin een soldaat warme sokken en onderbroeken opgestuurd kreeg — het Britse weer was blijkbaar toen al guur.

Verbinding met het leerboek

Relevante hoofdstukken
  • H17 — Het Romeinse keizerrijk: het Romeinse leger als steunpilaar van het rijk, de grenzen (limes) en grenswallen, wegen en forten, en hoe Rome een enorm gebied bestuurde en verdedigde.