Rome  ·  ca. 80 n.Chr.

Een gladiator

Ik vecht voor het vermaak van duizenden — en voor de kleine kans dat ik ooit als vrij man het zand mag verlaten

Profiel
Wie Een man, opgeleid in een gladiatorenschool om in de arena te vechten
Periode Romeinse Keizertijd — ca. 80 n.Chr.
Plaats Een ludus (gladiatorenschool) bij Rome, en de arena van het Colosseum
Sociale stand Krijgsgevangene of slaaf, soms een vrije man die zich verhuurde; onderaan, maar soms beroemd
Relevante hoofdstukken H17 (Het Romeinse keizerrijk — brood en spelen)

Een dag uit mijn leven

Ik koos dit leven niet. Ik werd gevangengenomen aan de rand van het rijk en verkocht aan een lanista, de baas van een gladiatorenschool. Sindsdien is de ludus mijn wereld: een binnenplaats omringd door kleine cellen, hoge muren, en altijd het geluid van hout dat op hout slaat. Ik ben eigendom van de school. Maar ik ben ook iets waard, en daarom — vreemd genoeg — word ik beter verzorgd dan menig vrije arme in de stad.

De dag begint met eten, en goed eten ook. We krijgen vooral pap en bonen van gerst — men noemt ons soms spottend de ‘gerstvreters’. Het maakt ons sterk en zet een laagje vet op de spieren, dat de oppervlakkige wonden minder gevaarlijk maakt. Daarna trainen we, uren aan een stuk. We slaan met houten zwaarden op een paal die in de grond staat, steeds opnieuw, tot de bewegingen vanzelf gaan. Een echte wapenmeester, vaak een oude gladiator, let op elke fout.

Niet iedereen vecht hetzelfde. De ene is een murmillo, met een groot schild, een helm met vissenkam en een kort zwaard. De andere is een retiarius, die vecht met een net en een drietand, bijna zonder bescherming — snel maar kwetsbaar. Ik leer mijn eigen stijl tot in mijn botten kennen, want in de arena hangt mijn leven ervan af. Na de training komen de dokters. De school heeft goede genezers, want een gewonde gladiator die geneest, is geld waard; een dode gladiator is verlies.

En dan zijn er de spelen. Op de dag van een gevecht trekken we de stad in, naar de arena. Het Colosseum kan tienduizenden mensen herbergen. Als ik het zand op loop, gonst het van het lawaai: gejuich, gefluit, namen die geroepen worden. Sommige gladiatoren zijn beroemd, als helden; mensen kerven hun naam in muren en wedden op hen. Ik groet de menigte. Dan begint het. Wat er daarna gebeurt, kan ik niet in woorden vatten — alleen dit: niet elk gevecht eindigt met de dood. Vaak vecht je tot iemand opgeeft, en mag de verliezer leven als hij dapper streed.

Als ik verlies en op de grond lig, kijk ik omhoog naar de tribune waar de organisator van de spelen zit. Hij let op het publiek. Roepen ze dat ik mag leven, dan leef ik. Soms wijst men met de duim — al weet niemand precies meer welke richting toen leven of dood betekende. Ik vecht dus niet alleen tegen mijn tegenstander, maar ook om het hart van het publiek te winnen.

’s Avonds, terug in de ludus, verzorg ik mijn wonden en denk ik aan één ding: de rudis. Dat is een houten zwaard — geen wapen, maar een teken. Wie het verdient, krijgt het overhandigd en is daarmee vrij. Sommige gladiatoren hebben het gehaald, hebben de arena verlaten en zijn zelfs trainer geworden. Daar leef ik voor. Elk gevecht is een stap dichter bij dat houten zwaard, of bij het einde. Welke van de twee, dat weet ik nooit van tevoren.

Hoe weten we dit?

Over gladiatoren weten we opvallend veel, juist omdat de Romeinen er zo dol op waren. We hebben mozaïeken en muurschilderingen van gevechten, grafstenen van gladiatoren met hun naam, hun wapentype en het aantal overwinningen, en zelfs reclame voor spelen die op muren in Pompeii bewaard bleef. In Ephese, in het huidige Turkije, vonden archeologen een hele begraafplaats van gladiatoren, en hun botten verraden veel over hun verwondingen en hun voeding.

Toch moeten we oppassen. Veel teksten zijn geschreven door rijke Romeinen die met afkeer of juist met sensatie over de arena schreven — dat is hun standplaatsgebondenheid. En de gladiatoren zelf hebben bijna niets nagelaten, behalve hun grafstenen, die natuurlijk vooral hun moed willen tonen. Sommige beroemde details, zoals de exacte betekenis van de ‘duim omhoog of omlaag’, kennen we niet zeker; veel daarvan komt uit veel latere verhalen en films. Wat een gladiator op het zand écht voelde, blijft grotendeels een raadsel.

Wist je dat?

De Romeinen noemden hun politiek van gratis graan en gratis spelen ‘brood en spelen’ (panem et circenses): zo hielden de keizers het volk tevreden en rustig.

Niet elk gevecht eindigde met de dood. Gladiatoren waren duur om op te leiden, dus een eigenaar verloor ze liever niet. Vaak vocht men tot opgave, en mocht een dappere verliezer leven.

Beroemde gladiatoren waren echte publiekslievelingen. In Pompeii vond men muren vol graffiti met hun namen en bijnamen, soms met harten erbij gekrast door bewonderaars.

Verbinding met het leerboek

Relevante hoofdstukken
  • H17 — Het Romeinse keizerrijk: ‘brood en spelen’ als middel om het volk tevreden te houden, het Colosseum en de arena, slavernij in het Romeinse rijk en het leven in de stad Rome.