In de stad waar het woord ‘democratie’ is uitgevonden, leef ik vooral binnenshuis — want stemmen, dat doen alleen de mannen
| Wie | Een meisje van een jaar of twaalf uit een Atheense burgerfamilie |
| Periode | Klassieke Oudheid — ca. 430 v.Chr. |
| Plaats | Athene, in Attica (Griekenland) |
| Sociale stand | Dochter van een vrije burger; geen burgerrechten zoals haar broers |
| Relevante hoofdstukken | H13 (Het klassieke Griekenland — Athene en de democratie) |
Mijn wereld is kleiner dan die van mijn broer, en dat is gewoon zo. Wij wonen in een huis rond een binnenplaatsje. De mannen hebben hun eigen vertrekken aan de straatkant; wij vrouwen leven achterin, in het deel dat de gynaikon heet. Daar werk ik, daar slaap ik, daar breng ik het grootste deel van mijn dagen door. Op straat kom ik bijna nooit alleen — een net meisje hoort thuis te zijn, zegt mijn moeder.
Ik sta vroeg op. Eerst help ik met het brood en het ontbijt: olijven, brood, wat gedroogde vijgen. Daarna begint mijn echte werk: spinnen en weven. Mijn moeder leert het me, zoals haar moeder het haar leerde. Van schapenwol maak ik draad met een spintol, en op het grote weefgetouw tegen de muur weef ik die draad tot stof voor mantels en kleren. Het is eindeloos werk, maar belangrijk: een huis dat zijn eigen kleren maakt, is een goed huis. Een vrouw die mooi kan weven, wordt geprezen.
Naar school ga ik niet. Mijn broer wel — hij leert lezen, schrijven, rekenen, muziek en dichtkunst, en later mag hij naar de agora, het marktplein, om mee te praten en te stemmen over de stad. Want Athene is een democratie: het volk beslist. Maar ‘het volk’, dat zijn alleen de mannelijke burgers. Vrouwen niet, vreemdelingen niet, slaven niet. Ik leer thuis wat een meisje moet kennen: het huishouden leiden, weven, en later een gezin verzorgen. Lezen kan ik een beetje, genoeg om een lijstje te maken.
Overdag bezoekt mijn moeder soms de buurvrouwen, of zij komen bij ons. Dan zitten we samen te spinnen en te praten. Een slavin gaat naar de bron om water te halen — dat is een van de weinige plekken waar vrouwen elkaar buitenshuis treffen. Zelf ga ik mee als er een feest is voor de godin Athena, de beschermster van onze stad. Op zulke dagen mogen meisjes meelopen in de optocht naar de Akropolis, met manden en kransen. Dat zijn mijn mooiste dagen: dan ben ik buiten, in het licht, deel van de stad.
Mijn vader praat al over een huwelijk. Misschien al over een paar jaar, als ik een jaar of vijftien ben, trouw ik met een man die hij uitkiest — iemand die ik nauwelijks ken, vaak veel ouder dan ik. Ik krijg een bruidsschat mee, en dan verhuis ik naar zijn huis en leid ik dáár het huishouden. Zo ging het bij mijn moeder, en bij haar moeder.
’s Avonds, bij het licht van een olielamp, weef ik nog wat door of luister ik naar de verhalen van de oudere vrouwen: over goden en helden, over Troje, over de godin Athena. Mijn broer praat over de oorlog met Sparta en over wat er op de agora besloten is. Ik luister, maar ik zeg niets — want mijn plaats is hier, binnen, bij het weefgetouw. Toch droom ik soms van de optocht naar de Akropolis, en dan voel ik me, heel even, ook een echte Atheense.
Over Atheense vrouwen en meisjes weten we minder dan je zou denken, en dat is veelzeggend. Bijna alle teksten uit Athene zijn geschreven dóór mannen — toneelschrijvers, filosofen, redenaars — en gaan over de wereld van mannen: de politiek, de oorlog, de agora. Vrouwen komen vooral voor in toneelstukken (soms als hoofdpersoon, maar gespeeld door mannen) en in losse opmerkingen. We hebben ook prachtige afbeeldingen op vazen: vrouwen die spinnen, weven, water halen of meelopen in een optocht.
Maar al die bronnen tonen vrouwen door mánnenogen. Dat is hun standplaatsgebondenheid. Een filosoof die schreef dat vrouwen binnen hoorden te blijven, vertelt ons wat mánnen vonden — niet noodzakelijk hoe vrouwen zélf leefden of dachten. Misschien gingen gewone, armere vrouwen veel vaker naar buiten dan de nette teksten suggereren, gewoon omdat ze moesten werken. Van de meisjes zelf is bijna geen woord bewaard. Hun stem ontbreekt — en dat ontbreken is op zich een belangrijke historische les.
Athene wordt vaak de bakermat van de democratie genoemd. Maar slechts een kleine groep — de volwassen mannelijke burgers — mocht meebeslissen. Vrouwen, slaven en vreemdelingen hadden geen stem.
Het belangrijkste feest van Athene, de Panathenaïa, eerde de godin Athena. In de grote optocht naar de Akropolis liepen ook meisjes mee, die een geweven gewaad voor het beeld van de godin droegen.
Weven en spinnen waren zó verbonden met vrouwen dat het zelfs in mythen terugkomt: denk aan Penelope, die in de Odyssee jarenlang weeft en het ’s nachts weer lostornt om haar belofte uit te stellen.