Reizen, vakantie en het verleden — le passé composé met être
De zomervakantie is eindelijk begonnen. Lucie pakt haar koffer, neemt haar paspoort mee en stapt op het vliegtuig naar Parijs. Haar vriend Thomas blijft thuis, maar zijn ouders zijn naar Spanje vertrokken. En jij? Ben jij al eens naar het buitenland gegaan?
In dit hoofdstuk leer je praten over vakanties en reizen: waar je naartoe bent gegaan, wat je hebt gedaan en hoe lang je er bent gebleven. Daarvoor heb je het passé composé nodig — en in dit hoofdstuk leer je de bijzondere groep werkwoorden die dit verleden tijd vormt met het hulpwerkwoord être in plaats van avoir.
Voordat je over je vakantie kunt vertellen, heb je de juiste woorden nodig. Bekijk de woordenschat hieronder en leer de woorden per groep.
Let op: les vacances staat altijd in het meervoud in het Frans, ook als je over één vakantieperiode spreekt.
Où est-ce que tu aimes partir en vacances ? À la mer, à la montagne ou à la ville ? Et comment est-ce que tu voyages d’habitude — en avion, en train ou en voiture ?
Wanneer je zegt naar welk land je op vakantie gaat, gebruik je in het Frans een andere voorzetsel naargelang het geslacht en het getal van het land.
| Soort land/stad | Voorzetsel | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Vrouwelijk land (eindigend op -e) | en | en France, en Belgique, en Espagne, en Italie, en Allemagne, en Suisse |
| Mannelijk land | au | au Portugal, au Mexique, au Maroc, au Canada, au Sénégal |
| Meervoudig land | aux | aux États-Unis, aux Pays-Bas |
| Stad | à | à Paris, à Rome, à Madrid, à Bruxelles, à Marrakech |
Opmerking: De meeste landnamen die eindigen op -e zijn vrouwelijk: la France, la Belgique, l’Espagne … Uitzonderingen zijn le Mexique, le Mozambique.
Frans is niet alleen de taal van Frankrijk. Het is de officiële taal van meer dan 29 landen verspreid over alle continenten.
| Land | Hoofdstad | Continent | Voorzetsel |
|---|---|---|---|
| la France | Paris | Europa | en France |
| la Belgique | Bruxelles | Europa | en Belgique |
| la Suisse | Berne | Europa | en Suisse |
| le Canada | Ottawa | Noord-Amerika | au Canada |
| le Maroc | Rabat | Afrika | au Maroc |
| le Sénégal | Dakar | Afrika | au Sénégal |
| Madagascar | Antananarivo | Afrika | à Madagascar |
Je kent al het passé composé met het hulpwerkwoord avoir. Maar een bijzondere groep werkwoorden — vaak werkwoorden van beweging of toestandsverandering — vormt het passé composé met être.
Formule: onderwerp + geconjugeerde vorm van être + voltooid deelwoord
Belangrijk: het voltooid deelwoord akkoreert met het onderwerp in geslacht en getal!
| Mannelijk enkelvoud | Vrouwelijk enkelvoud | Mannelijk meervoud | Vrouwelijk meervoud | |
|---|---|---|---|---|
| aller | allé | allée | allés | allées |
| partir | parti | partie | partis | parties |
| arriver | arrivé | arrivée | arrivés | arrivées |
Een handig ezelsbruggetje om de werkwoorden te onthouden is DR MRS VANDERTRAMP (of ook wel: het “huis van être” ingedeeld als ingang, verdiepingen en uitgang). Elk hoofdletter staat voor een werkwoord:
| Letter | Werkwoord | Voltooid deelwoord | Betekenis |
|---|---|---|---|
| D | descendre | descendu | afdalen, naar beneden gaan |
| R | rentrer | rentré | naar huis terugkeren |
| M | monter | monté | omhooggaan, opstijgen |
| R | rester | resté | blijven |
| S | sortir | sorti | uitgaan, buitenkomen |
| V | venir | venu | komen |
| A | aller | allé | gaan |
| N | naître | né | geboren worden |
| D | devenir | devenu | worden |
| E | entrer | entré | binnengaan |
| R | retourner | retourné | terugkeren |
| T | tomber | tombé | vallen |
| R | revenir | revenu | terugkomen |
| A | arriver | arrivé | aankomen |
| M | mourir | mort | sterven (onregelmatig!) |
| P | partir | parti | vertrekken |
| + | passer | passé | passeren, doorgaan |
Vergeet ook niet de reflexieve werkwoorden: se lever, se coucher, se promener, se baigner … Die vormen het passé composé altijd met être.
Vergelijk: Elle a visité le musée (avec avoir) en Elle est allée au musée (avec être). Waarom gebruikt visiter het hulpwerkwoord avoir maar aller het hulpwerkwoord être?
Om over je vakantie te vertellen combineer je het passé composé met avoir én met être. Tijdsaanduidingen helpen je het verhaal te structureren.
| Frans | Nederlands | Gebruik |
|---|---|---|
| hier | gisteren | voor acties van gisteren |
| la semaine dernière | vorige week | voor acties van vorige week |
| l’année dernière | vorig jaar | voor acties van vorig jaar |
| pendant les vacances | tijdens de vakantie | voor de volledige vakantieperiode |
| d’abord | eerst, allereerst | voor de eerste actie in een reeks |
| ensuite / puis | daarna | voor de volgende actie |
| finalement | uiteindelijk, ten slotte | voor de laatste actie |
| le matin / le soir | ’s morgens / ’s avonds | voor acties op een bepaald moment |
Wat doe je op vakantie? Leer de meest gebruikte vakantieactiviteiten.
Let op: werkwoorden met se (reflexief) zijn altijd être-werkwoorden in het passé composé: je me suis reposé(e), elle s’est promenée.
Illustratie: een zomerse badplaats met mensen die zonnebaden, zwemmen en ijsjes eten — vakantieactiviteiten in beeld.
Lees het gesprek tussen twee leerlingen, Camille en Noah, die na de zomervakantie weer naar school gaan. Let op het gebruik van avoir en être in het passé composé.
Let op: Camille zegt je suis restée (met -e, want vrouwelijk) en Noah zegt je suis allé (zonder -e, want mannelijk). Het deelwoord akkoreert altijd met het onderwerp bij être-werkwoorden.
| Vraag | Mogelijk antwoord |
|---|---|
| Tu as passé de bonnes vacances ? | Oui, super ! / Pas vraiment… |
| Tu es allé(e) où ? | Je suis allé(e) en Italie / au Portugal. |
| Tu es parti(e) avec qui ? | Avec ma famille / mes amis. |
| Tu es resté(e) combien de temps ? | Je suis resté(e) une semaine / dix jours. |
| Qu’est-ce que tu as fait ? | J’ai visité / j’ai mangé / je me suis baigné(e). |
| C’était comment ? | C’était magnifique / sympa / bof. |
Lees de dagboektekst van Lena, een 14-jarige leerling die met haar school een week naar Parijs is gegaan. Beantwoord daarna de vragen.
Lundi — Ce matin, nous sommes partis de Bruxelles en train. Le trajet a duré environ une heure et vingt minutes. Quand nous sommes arrivés à Paris, il faisait beau et chaud. D’abord, nous sommes allés à l’hôtel pour laisser nos valises. Ensuite, notre guide nous a emmenés au Louvre. J’ai vu la Joconde ! Elle est plus petite que je pensais. Le soir, on est sortis manger dans un bistrot et j’ai commandé une quiche lorraine. Délicieux !
Mardi — Aujourd’hui, nous sommes montés en haut de la tour Eiffel. J’ai eu un peu peur dans l’ascenseur, mais la vue était époustouflante. On a pris des centaines de photos. L’après-midi, je me suis promenée le long de la Seine avec ma copine Isobel. Nous avons acheté des macarons dans une boulangerie. Ils étaient très bons mais un peu chers !
Mercredi — Le matin, nous sommes allés à Montmartre. Nous sommes entrés dans la basilique du Sacré-Cœur. C’était calme et beau. Dans les petites ruelles, des artistes dessinaient des portraits. Un artiste a dessiné mon portrait en dix minutes ! Je l’ai acheté comme souvenir. L’après-midi, il a plu, alors on est restés dans un café et on a joué aux cartes.
Jeudi — Aujourd’hui, nous avons visité le musée d’Orsay. J’ai vraiment aimé les peintures impressionnistes — Monet, Renoir, Degas. Le soir, notre professeur nous a emmenés voir un spectacle de danse au Théâtre du Châtelet. C’était magnifique !
Vendredi — Dernier jour à Paris. Le matin, nous sommes returnés au marché pour acheter des cadeaux. J’ai acheté des petites tours Eiffel pour ma famille et du fromage pour mon père. L’après-midi, nous sommes rentrés en train. Quand je suis arrivée à Bruxelles, j’étais fatigue mais heureuse. Paris, c’est vraiment une ville incroyable !
Frans is een van de meest gesproken talen ter wereld. Meer dan 300 miljoen mensen spreken Frans als moedertaal of officiële taal, verspreid over alle continenten. Dat netwerk van Franstalige landen en gemeenschappen noem je de Francophonie.
Frans is officiële taal in 29 landen en wordt gesproken in nog veel meer regio’s. Het is een van de zes officiële talen van de VN en een werktaal van de Europese Unie. Hier zijn enkele voorbeelden per continent:
Waarom spreekt men in zoveel landen Frans? Dat is een gevolg van de Franse koloniale geschiedenis (16de–20ste eeuw), maar ook van de invloed van de Belgische kolonisatie in Centraal-Afrika.
De Franstalige wereld heeft rijke culturele tradities die vaak over de landsgrenzen heen gekend zijn:
Spreken van een grote taal als Frans opent deuren: voor reizen, studie, werk en contact met mensen over de hele wereld.
Welk Franstalig land of welke regio buiten Europa zou jij het liefst bezoeken? Waarom? Gebruik de woorden van dit hoofdstuk om je antwoord te formuleren: Je voudrais aller en / au / aux… parce que…
Het passé composé vertelt wat er gebeurde: één afgewerkte gebeurtenis (j’ai visité le musée). Maar als je wilt beschrijven hoe iets was, of vertellen over iets wat je vroeger gewoon was te doen, gebruik je een andere verleden tijd: de imparfait. Het is dé tijd van herinneringen, beschrijvingen en gewoontes.
Stap 1: neem de nous-vorm van de tegenwoordige tijd.
Stap 2: schrap de uitgang -ons.
Stap 3: plak de imparfait-uitgangen erachter.
Voorbeeld met parler: nous parlons → stam parl-.
| Persoon | Uitgang | parler (spreken) | Vertaling |
|---|---|---|---|
| je | -ais | je parlais | ik sprak / ik was aan het spreken |
| tu | -ais | tu parlais | jij sprak |
| il / elle | -ait | il parlait | hij/zij sprak |
| nous | -ions | nous parlions | wij spraken |
| vous | -iez | vous parliez | jullie spraken |
| ils / elles | -aient | ils parlaient | zij spraken |
Eén uitzondering: het werkwoord être heeft een onregelmatige stam ét-: j’étais, tu étais, il était, nous étions, vous étiez, ils étaient.
Je gebruikt de imparfait vooral in drie situaties:
Signaalwoorden die vaak op de imparfait wijzen: quand j’étais petit, tous les jours, chaque année, souvent, toujours, d’habitude, avant.
Je hoeft het verschil tussen passé composé en imparfait niet meteen perfect te beheersen. Onthoud de vuistregel: het passé composé is de foto van wat er gebeurde, de imparfait is de film op de achtergrond die beschrijft hoe het was.
Denk aan je laatste vakantie. Schrijf twee zinnen in de imparfait die beschrijven hoe het was (het weer, het landschap, je gevoel), bijvoorbeeld: Il faisait chaud et la plage était belle. Waarom passen die zinnen beter bij de imparfait dan bij het passé composé?
Voyager, c’est vivre deux fois.
Oefening 1
Avoir of être ? Kies het juiste hulpwerkwoord.
Kies voor elk zin het juiste hulpwerkwoord (avoir of être) en schrijf de volledige zin in het passé composé op.
Tip: Onthoud DR MRS VANDERTRAMP + reflexieve werkwoorden → altijd être. Alle andere werkwoorden → avoir.
Oefening 2
Akkordering van het voltooid deelwoord
Schrijf het voltooid deelwoord in de correcte vorm (let op geslacht en getal van het onderwerp).
Oefening 3
Vakantieverhaal ordenen
Zet de zinnen in de juiste volgorde om een logisch vakantieverhaal te maken. Gebruik de tijdsaanduidingen als leidraad.
Schrijf de correcte volgorde op: __ → __ → __ → __ → __
Oefening 4
Begripsvragen bij “Une semaine à Paris”
Beantwoord de vragen over de dagboektekst van Lena (sectie 7). Schrijf volledige zinnen in het Frans.
Oefening 5
Landen en voorzetsels — vul in
Vul het juiste voorzetsel in (en, au, aux of à).
Oefening 6
Schrijf over jouw laatste vakantie
Schrijf een kort tekst (8–12 zinnen) over jouw laatste vakantie of een vakantie die je zou willen maken. Gebruik:
Begin met: L’année dernière / Pendant les grandes vacances, je suis allé(e) à / en / au …
Tip: gebruik de woordenschat uit secties 1 en 5 voor de activiteiten, en sectie 4 voor de tijdsaanduidingen.