Frans  ·  1A  ·  Eerste graad

Hoofdstuk 12
Les vacances

Reizen, vakantie en het verleden — le passé composé met être

Mise en route …

De zomervakantie is eindelijk begonnen. Lucie pakt haar koffer, neemt haar paspoort mee en stapt op het vliegtuig naar Parijs. Haar vriend Thomas blijft thuis, maar zijn ouders zijn naar Spanje vertrokken. En jij? Ben jij al eens naar het buitenland gegaan?

In dit hoofdstuk leer je praten over vakanties en reizen: waar je naartoe bent gegaan, wat je hebt gedaan en hoe lang je er bent gebleven. Daarvoor heb je het passé composé nodig — en in dit hoofdstuk leer je de bijzondere groep werkwoorden die dit verleden tijd vormt met het hulpwerkwoord être in plaats van avoir.

1

Les vacances et les voyages

Voordat je over je vakantie kunt vertellen, heb je de juiste woorden nodig. Bekijk de woordenschat hieronder en leer de woorden per groep.

Woordenschat Les vacances et les voyages — Vakantie en reizen
De vakantieperiodes
  • les vacances d’été (de zomervakantie)
  • les vacances d’hiver (de wintervakantie)
  • les vacances de Pâques (de paasvakantie)
  • pendant les vacances (tijdens de vakantie)
Werkwoorden voor reizen
  • partir en vacances (op vakantie vertrekken)
  • voyager (reizen)
  • visiter (bezoeken)
  • passer une semaine (een week doorbrengen)
  • réserver (reserveren)
Vakantiebestemmingen
  • une station balnéaire (een badplaats)
  • la montagne (de bergen)
  • la campagne (het platteland)
  • la ville (de stad)
  • la mer (de zee)
  • l’étranger (het buitenland)
Verblijf en vervoer
  • un hôtel (een hotel)
  • un camping (een camping)
  • une auberge de jeunesse (een jeugdherberg)
  • faire sa valise (zijn koffer pakken)
  • le passeport (het paspoort)
  • le billet d’avion (het vliegtuigticket)
  • le billet de train (het treinticket)
  • la réservation (de reservering / boeking)

Let op: les vacances staat altijd in het meervoud in het Frans, ook als je over één vakantieperiode spreekt.

💡 Question de réflexion

Où est-ce que tu aimes partir en vacances ? À la mer, à la montagne ou à la ville ? Et comment est-ce que tu voyages d’habitude — en avion, en train ou en voiture ?

2

Les pays et les prépositions

Wanneer je zegt naar welk land je op vakantie gaat, gebruik je in het Frans een andere voorzetsel naargelang het geslacht en het getal van het land.

Grammatica Voorzetsels bij landen en steden
Soort land/stad Voorzetsel Voorbeelden
Vrouwelijk land (eindigend op -e) en en France, en Belgique, en Espagne, en Italie, en Allemagne, en Suisse
Mannelijk land au au Portugal, au Mexique, au Maroc, au Canada, au Sénégal
Meervoudig land aux aux États-Unis, aux Pays-Bas
Stad à à Paris, à Rome, à Madrid, à Bruxelles, à Marrakech

Opmerking: De meeste landnamen die eindigen op -e zijn vrouwelijk: la France, la Belgique, l’Espagne … Uitzonderingen zijn le Mexique, le Mozambique.

Ik ga naar Frankrijk: Je vais en France.
Hij woont in Portugal: Il habite au Portugal.
Ze komen uit de VS: Elles viennent des États-Unis.
We gaan naar Parijs: On va à Paris.

La Francophonie — Franstalige landen

Frans is niet alleen de taal van Frankrijk. Het is de officiële taal van meer dan 29 landen verspreid over alle continenten.

Culturele kennis Belangrijke Franstalige landen
Land Hoofdstad Continent Voorzetsel
la France Paris Europa en France
la Belgique Bruxelles Europa en Belgique
la Suisse Berne Europa en Suisse
le Canada Ottawa Noord-Amerika au Canada
le Maroc Rabat Afrika au Maroc
le Sénégal Dakar Afrika au Sénégal
Madagascar Antananarivo Afrika à Madagascar
3

Le passé composé avec être

Je kent al het passé composé met het hulpwerkwoord avoir. Maar een bijzondere groep werkwoorden — vaak werkwoorden van beweging of toestandsverandering — vormt het passé composé met être.

Grammatica Vorming: passé composé avec être

Formule: onderwerp + geconjugeerde vorm van être + voltooid deelwoord

je suis allé(e) — ik ben gegaan
tu es parti(e) — jij bent vertrokken
il est arrivé / elle est arrivée — hij/zij is aangekomen
nous sommes restés — wij zijn gebleven
vous êtes sortis — jullie zijn uitgegaan
ils sont tombés / elles sont tombées — zij zijn gevallen

Belangrijk: het voltooid deelwoord akkoreert met het onderwerp in geslacht en getal!

Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud
aller allé allée allés allées
partir parti partie partis parties
arriver arrivé arrivée arrivés arrivées
Grammatica Het “huis van être” — de 17 DR MRS VANDERTRAMP-werkwoorden

Een handig ezelsbruggetje om de werkwoorden te onthouden is DR MRS VANDERTRAMP (of ook wel: het “huis van être” ingedeeld als ingang, verdiepingen en uitgang). Elk hoofdletter staat voor een werkwoord:

Letter Werkwoord Voltooid deelwoord Betekenis
Ddescendredescenduafdalen, naar beneden gaan
Rrentrerrentrénaar huis terugkeren
Mmontermontéomhooggaan, opstijgen
Rresterrestéblijven
Ssortirsortiuitgaan, buitenkomen
Vvenirvenukomen
Aallerallégaan
Nnaîtregeboren worden
Ddevenirdevenuworden
Eentrerentrébinnengaan
Rretournerretournéterugkeren
Ttombertombévallen
Rrevenirrevenuterugkomen
Aarriverarrivéaankomen
Mmourirmortsterven (onregelmatig!)
Ppartirpartivertrekken
+passerpassépasseren, doorgaan

Vergeet ook niet de reflexieve werkwoorden: se lever, se coucher, se promener, se baigner … Die vormen het passé composé altijd met être.

Elle est allée à Paris. — Zij is naar Parijs gegaan.
Ils sont restés chez eux. — Ze zijn thuis gebleven.
Nous sommes arrivés le lundi. — We zijn maandag aangekomen.
Elle s’est levée tôt. — Ze is vroeg opgestaan.
💡 Denkvraag

Vergelijk: Elle a visité le musée (avec avoir) en Elle est allée au musée (avec être). Waarom gebruikt visiter het hulpwerkwoord avoir maar aller het hulpwerkwoord être?

4

Raconter des vacances

Om over je vakantie te vertellen combineer je het passé composé met avoir én met être. Tijdsaanduidingen helpen je het verhaal te structureren.

Grammatica & Vocabulaire Tijdsaanduidingen en structuurwoorden
Frans Nederlands Gebruik
hier gisteren voor acties van gisteren
la semaine dernière vorige week voor acties van vorige week
l’année dernière vorig jaar voor acties van vorig jaar
pendant les vacances tijdens de vakantie voor de volledige vakantieperiode
d’abord eerst, allereerst voor de eerste actie in een reeks
ensuite / puis daarna voor de volgende actie
finalement uiteindelijk, ten slotte voor de laatste actie
le matin / le soir ’s morgens / ’s avonds voor acties op een bepaald moment
Voorbeeld — een vakantieverhaal:

L’année dernière, je suis allé en France avec ma famille. D’abord, nous sommes arrivés à Paris. On a visité la tour Eiffel et on a mangé des croissants. Ensuite, nous sommes partis vers le sud. J’ai nagé dans la mer et j’ai pris beaucoup de photos. Finalement, nous sommes rentrés en Belgique le dimanche soir.
5

Les activités de vacances

Wat doe je op vakantie? Leer de meest gebruikte vakantieactiviteiten.

Woordenschat Les activités de vacances — Vakantieactiviteiten
Aan het water
  • se baigner (zwemmen, een bad nemen)
  • bronzer (bruinen, zonnebaden)
  • faire du snorkeling (snorkelen)
  • faire du surf (surfen)
  • faire de la voile (zeilen)
In de natuur en stad
  • faire de la randonnée (wandelen / hiken)
  • faire du ski (skiën)
  • visiter des monuments (monumenten bezoeken)
  • goûter des spécialités locales (lokale specialiteiten proeven)
  • prendre des photos (foto’s nemen)
Mensen en ontspanning
  • acheter des souvenirs (souvenirs kopen)
  • rencontrer des gens (mensen ontmoeten)
  • se reposer (uitrusten)
  • lire un livre (een boek lezen)
  • se promener (wandelen / slenteren)

Let op: werkwoorden met se (reflexief) zijn altijd être-werkwoorden in het passé composé: je me suis reposé(e), elle s’est promenée.

⛺️

Illustratie: een zomerse badplaats met mensen die zonnebaden, zwemmen en ijsjes eten — vakantieactiviteiten in beeld.

6

Gesprek: Tu as passé de bonnes vacances ?

Lees het gesprek tussen twee leerlingen, Camille en Noah, die na de zomervakantie weer naar school gaan. Let op het gebruik van avoir en être in het passé composé.

Gesprek — Dialogue Tu as passé de bonnes vacances ?
Camille Salut Noah ! Tu as passé de bonnes vacances ?
Noah Oui, super ! Je suis allé en Espagne avec mes parents. Et toi ?
Camille Moi, je suis restée en Belgique. Mais j’ai beaucoup lu et je me suis reposée. Tu es allé où exactement ?
Noah On est parti s à Barcelone. On y est restés quatre jours, puis on est allés à la mer. C’était magnifique !
Camille Qu’est-ce que vous avez fait à Barcelone ?
Noah On a visité la Sagrada Família et on a goûté des tapas. Le soir, on est sortis dans les restaurants. Et j’ai pris plein de photos !
Camille Vous y êtes allés comment — en avion ou en voiture ?
Noah En avion. On est partis de l’aéroport de Bruxelles. Le vol a duré presque deux heures. Et tu as quand même fait quelque chose de sympa ici ?
Camille Oui ! La semaine dernière, je suis allée à Gand avec ma copine. On a visité des musées et on a acheté des souvenirs pour nos familles.
Noah Cool ! Bon, on entre en classe maintenant — le prof est déjà arrivé !

Let op: Camille zegt je suis restée (met -e, want vrouwelijk) en Noah zegt je suis allé (zonder -e, want mannelijk). Het deelwoord akkoreert altijd met het onderwerp bij être-werkwoorden.

Vragen en antwoorden over vakanties

Communicatie Nuttige vragen en antwoorden
Vraag Mogelijk antwoord
Tu as passé de bonnes vacances ? Oui, super ! / Pas vraiment…
Tu es allé(e) où ? Je suis allé(e) en Italie / au Portugal.
Tu es parti(e) avec qui ? Avec ma famille / mes amis.
Tu es resté(e) combien de temps ? Je suis resté(e) une semaine / dix jours.
Qu’est-ce que tu as fait ? J’ai visité / j’ai mangé / je me suis baigné(e).
C’était comment ? C’était magnifique / sympa / bof.
7

Tekst: Une semaine à Paris

Lees de dagboektekst van Lena, een 14-jarige leerling die met haar school een week naar Parijs is gegaan. Beantwoord daarna de vragen.

Tekst — Dagboek / Blog Une semaine à Paris — Mon journal de voyage door Lena, 14 ans  ·  juillet

Lundi — Ce matin, nous sommes partis de Bruxelles en train. Le trajet a duré environ une heure et vingt minutes. Quand nous sommes arrivés à Paris, il faisait beau et chaud. D’abord, nous sommes allés à l’hôtel pour laisser nos valises. Ensuite, notre guide nous a emmenés au Louvre. J’ai vu la Joconde ! Elle est plus petite que je pensais. Le soir, on est sortis manger dans un bistrot et j’ai commandé une quiche lorraine. Délicieux !

Mardi — Aujourd’hui, nous sommes montés en haut de la tour Eiffel. J’ai eu un peu peur dans l’ascenseur, mais la vue était époustouflante. On a pris des centaines de photos. L’après-midi, je me suis promenée le long de la Seine avec ma copine Isobel. Nous avons acheté des macarons dans une boulangerie. Ils étaient très bons mais un peu chers !

Mercredi — Le matin, nous sommes allés à Montmartre. Nous sommes entrés dans la basilique du Sacré-Cœur. C’était calme et beau. Dans les petites ruelles, des artistes dessinaient des portraits. Un artiste a dessiné mon portrait en dix minutes ! Je l’ai acheté comme souvenir. L’après-midi, il a plu, alors on est restés dans un café et on a joué aux cartes.

Jeudi — Aujourd’hui, nous avons visité le musée d’Orsay. J’ai vraiment aimé les peintures impressionnistes — Monet, Renoir, Degas. Le soir, notre professeur nous a emmenés voir un spectacle de danse au Théâtre du Châtelet. C’était magnifique !

Vendredi — Dernier jour à Paris. Le matin, nous sommes returnés au marché pour acheter des cadeaux. J’ai acheté des petites tours Eiffel pour ma famille et du fromage pour mon père. L’après-midi, nous sommes rentrés en train. Quand je suis arrivée à Bruxelles, j’étais fatigue mais heureuse. Paris, c’est vraiment une ville incroyable !

Begripsvragen — Questions de compréhension
  1. Hoe is Lena naar Parijs gereisd en hoelang duurde de reis?
  2. Wat heeft Lena maandag gegeten en waarom vond ze het lekker?
  3. Welk monument heeft Lena dinsdag bezocht? Hoe voelde ze zich daarboven?
  4. Wat heeft ze woensdag als souvenir gekocht en waar?
  5. Noem twee activiteiten die Lena donderdag heeft gedaan.
  6. Geef drie voorbeelden uit de tekst van een passé composé met être. Verklaar de akkordering van het deelwoord.
8

La Francophonie

Frans is een van de meest gesproken talen ter wereld. Meer dan 300 miljoen mensen spreken Frans als moedertaal of officiële taal, verspreid over alle continenten. Dat netwerk van Franstalige landen en gemeenschappen noem je de Francophonie.

Cultuur — La Francophonie Frans over de hele wereld

Frans is officiële taal in 29 landen en wordt gesproken in nog veel meer regio’s. Het is een van de zes officiële talen van de VN en een werktaal van de Europese Unie. Hier zijn enkele voorbeelden per continent:

  • Europa: Frankrijk, België (Wallonië en Brussel), Zwitserland (romandie), Monaco, Luxemburg
  • Noord-Amerika: Québec (Canada), Acadië, Louisiana (VS)
  • Afrika: Marokko, Senegal, Côte d’Ivoire, Algerije, Tunesie, Madagascar, DR Congo, Kameroen
  • Azië & Oceanië: Nieuw-Caledonië, Frans-Polynesië, Vanuatu
  • Amerika (Carabiën): Haïti, Martinique, Guadeloupe

Waarom spreekt men in zoveel landen Frans? Dat is een gevolg van de Franse koloniale geschiedenis (16de–20ste eeuw), maar ook van de invloed van de Belgische kolonisatie in Centraal-Afrika.

Cultuur — Fêtes et traditions Feesten en culturele tradities in de Franstalige wereld

De Franstalige wereld heeft rijke culturele tradities die vaak over de landsgrenzen heen gekend zijn:

  • La Fête de la Musique (21 juni): Elk jaar op de langste dag van het jaar spelen muzikanten gratis op straten en pleinen in heel Frankrijk en in vele andere landen. Iedereen kan meedoen, amateur of professional.
  • Le Carnaval de Binche (België): Dit carnaval in Henegouwen is erkend door UNESCO als Immaterieel Cultureel Erfgoed van de Mensheid. De Gilles — mannen in traditionele kostuums met grote veerhoeden — gooien sinaasappels naar het publiek.
  • Le 14 juillet (Bastille-dag): De Franse nationale feestdag herdenkt de bestorming van de Bastille in 1789. Er zijn grote militaire parades op de Champs-Élysées en overal in het land zijn er vuurwerkshows.
  • La Fête des Rois (6 januari): In Frankrijk en België eet men op Driekoningen een speciale taart (la galette des rois) met een verborgen figuurtje erin. Wie het figuurtje vindt, wordt “roi” of “reine” voor de dag.

Spreken van een grote taal als Frans opent deuren: voor reizen, studie, werk en contact met mensen over de hele wereld.

💡 Denkvraag

Welk Franstalig land of welke regio buiten Europa zou jij het liefst bezoeken? Waarom? Gebruik de woorden van dit hoofdstuk om je antwoord te formuleren: Je voudrais aller en / au / aux… parce que…

9

L’imparfait — vertellen hoe het wás

Het passé composé vertelt wat er gebeurde: één afgewerkte gebeurtenis (j’ai visité le musée). Maar als je wilt beschrijven hoe iets was, of vertellen over iets wat je vroeger gewoon was te doen, gebruik je een andere verleden tijd: de imparfait. Het is dé tijd van herinneringen, beschrijvingen en gewoontes.

Grammatica Vorming van de imparfait

Stap 1: neem de nous-vorm van de tegenwoordige tijd.
Stap 2: schrap de uitgang -ons.
Stap 3: plak de imparfait-uitgangen erachter.

Voorbeeld met parler: nous parlons → stam parl-.

Persoon Uitgang parler (spreken) Vertaling
je-aisje parlaisik sprak / ik was aan het spreken
tu-aistu parlaisjij sprak
il / elle-aitil parlaithij/zij sprak
nous-ionsnous parlionswij spraken
vous-iezvous parliezjullie spraken
ils / elles-aientils parlaientzij spraken

Eén uitzondering: het werkwoord être heeft een onregelmatige stam ét-: j’étais, tu étais, il était, nous étions, vous étiez, ils étaient.

Quand j’étais petit, j’habitais à la campagne. — Toen ik klein was, woonde ik op het platteland.
Il faisait beau et les oiseaux chantaient. — Het was mooi weer en de vogels zongen.
Tous les étés, nous allions à la mer. — Elke zomer gingen we naar zee.
Grammatica Wanneer gebruik je de imparfait?

Je gebruikt de imparfait vooral in drie situaties:

  • Beschrijving (hoe iets eruitzag, het weer, een gevoel): Il faisait froid. La maison était grande. — Het was koud. Het huis was groot.
  • Gewoonte in het verleden (iets wat je vroeger telkens deed): Chaque dimanche, on mangeait chez ma grand-mère. — Elke zondag aten we bij mijn oma.
  • Een handeling die aan de gang was: Je dormais quand le téléphone a sonné. — Ik sliep toen de telefoon ging.

Signaalwoorden die vaak op de imparfait wijzen: quand j’étais petit, tous les jours, chaque année, souvent, toujours, d’habitude, avant.

Passé composé (één gebeurtenis, afgewerkt): Hier, j’ai visité le château. — Gisteren heb ik het kasteel bezocht.
Imparfait (beschrijving, achtergrond): Le château était magnifique et il y avait beaucoup de touristes. — Het kasteel was prachtig en er waren veel toeristen.

Je hoeft het verschil tussen passé composé en imparfait niet meteen perfect te beheersen. Onthoud de vuistregel: het passé composé is de foto van wat er gebeurde, de imparfait is de film op de achtergrond die beschrijft hoe het was.

💡 Denkvraag

Denk aan je laatste vakantie. Schrijf twee zinnen in de imparfait die beschrijven hoe het was (het weer, het landschap, je gevoel), bijvoorbeeld: Il faisait chaud et la plage était belle. Waarom passen die zinnen beter bij de imparfait dan bij het passé composé?

Voyager, c’est vivre deux fois.

Frans 1A  ·  Eerste Graad A-stroom

Oefeningen

Oefening 1

Avoir of être ? Kies het juiste hulpwerkwoord.

Kies voor elk zin het juiste hulpwerkwoord (avoir of être) en schrijf de volledige zin in het passé composé op.

  1. Marie — (aller) à Rome la semaine dernière.
  2. Nous — (visiter) le Louvre hier.
  3. Ils — (partir) en vacances le 1er juillet.
  4. Tu — (manger) des crêpes au marché ?
  5. Elle — (rester) à l’hôtel pendant trois jours.
  6. Je — (prendre) beaucoup de photos.
  7. Vous — (arriver) à quelle heure ?
  8. Les enfants — (tomber) sur la plage.

Tip: Onthoud DR MRS VANDERTRAMP + reflexieve werkwoorden → altijd être. Alle andere werkwoorden → avoir.

Oefening 2

Akkordering van het voltooid deelwoord

Schrijf het voltooid deelwoord in de correcte vorm (let op geslacht en getal van het onderwerp).

  1. Emma est all___ en Suisse. (aller)
  2. Les filles sont parti___ tôt le matin. (partir)
  3. Paul et Marc sont arriv___ hier soir. (arriver)
  4. Ma mère est rest___ à la maison. (rester)
  5. Nous (f.) sommes entr___ dans le musée. (entrer)
  6. Elle s’est repos___ sur la plage. (se reposer)
  7. Ils sont tomb___ dans la neige. (tomber)
  8. Les touristes sont mont___ à la tour Eiffel. (monter)

Oefening 3

Vakantieverhaal ordenen

Zet de zinnen in de juiste volgorde om een logisch vakantieverhaal te maken. Gebruik de tijdsaanduidingen als leidraad.

  1. Finalement, nous sommes rentrés à la maison le dimanche soir.
  2. D’abord, nous avons fait nos valises et nous sommes allés à la gare.
  3. L’année dernière, ma famille a décidé de partir en vacances à Nice.
  4. Ensuite, nous sommes arrivés à l’hôtel et nous nous sommes reposés.
  5. Le lendemain, nous nous sommes baignés dans la mer et nous avons goûté la cuisine provençale.

Schrijf de correcte volgorde op: __ → __ → __ → __ → __

Oefening 4

Begripsvragen bij “Une semaine à Paris”

Beantwoord de vragen over de dagboektekst van Lena (sectie 7). Schrijf volledige zinnen in het Frans.

  1. Comment est-ce que Lena est allée à Paris ?
  2. Qu’est-ce que Lena a acheté comme souvenir à Montmartre ?
  3. Qu’est-ce que Lena a fait quand il a plu le mercredi ?
  4. Quel musée est-ce que Lena a préféré, le Louvre ou le musée d’Orsay ? Comment le sais-tu ?
  5. Trouve dans le texte deux exemples de passé composé avec être et explique l’accord du participe passé.

Oefening 5

Landen en voorzetsels — vul in

Vul het juiste voorzetsel in (en, au, aux of à).

  1. Cet été, je vais ___ Espagne avec mes grands-parents.
  2. Mon oncle habite ___ Canada, à Montréal.
  3. Ils sont partis ___ États-Unis pour les vacances.
  4. Elle a grandi ___ Maroc avant de venir en Belgique.
  5. Nous allons ___ Rome pour le week-end.
  6. Mon professeur vient ___ Sénégal.
  7. Vous êtes allés ___ Pays-Bas en train ?
  8. Il travaille ___ Paris depuis deux ans.

Oefening 6

Schrijf over jouw laatste vakantie

Schrijf een kort tekst (8–12 zinnen) over jouw laatste vakantie of een vakantie die je zou willen maken. Gebruik:

  • minstens 3 werkwoorden met être in het passé composé
  • minstens 3 werkwoorden met avoir in het passé composé
  • minstens 3 tijdsaanduidingen (d’abord, ensuite, finalement, …)
  • het juiste voorzetsel bij het land of de stad

Begin met: L’année dernière / Pendant les grandes vacances, je suis allé(e) à / en / au …

Tip: gebruik de woordenschat uit secties 1 en 5 voor de activiteiten, en sectie 4 voor de tijdsaanduidingen.

Samenvatting — Résumé