Frans 1A  ·  Hoofdstuk 11  ·  Eerste graad

En ville

Winkels, vervoer, de weg vragen en vertellen over wat je gedaan hebt

Mise en scène …

Je bent zaterdag in het centrum van Brussel. Je moet een cadeau kopen, geld afhalen en daarna naar het station om terug naar huis te gaan. Maar je bent de weg kwijt. Een voorbijganger spreekt je aan — en plots moet je alles wat je geleerd hebt in het echt toepassen.

In dit hoofdstuk leer je de stad verkennen in het Frans: winkels en diensten benoemen, het juiste vervoer kiezen, de weg vragen én geven, en — heel belangrijk — vertellen wat je al gedaan hebt met de passé composé.

1

Les commerces et les services

Een stad bestaat uit heel wat verschillende winkels en diensten. Ken je de Franse namen? Leer ze met het lidwoord — dat helpt ook bij de uitspraak.

Woordenschat Les commerces et les services — Winkels en diensten
la boulangeriede bakkerij
la boucheriede slagerij
la pharmaciede apotheek
le supermarchéde supermarkt
la librairiede boekwinkel
la bibliothèquede bibliotheek
la postehet postkantoor
la banquede bank
l’hôpital (m.)het ziekenhuis
la garehet station
l’arrêt de bus (m.)de bushalte
le cinémade bioscoop
le muséehet museum
le parchet park
la mairiehet gemeentehuis
l’office de tourisme (m.)het toeristenkantoor
la station-servicehet tankstation
le restauranthet restaurant

Let op: la librairie is een boekwinkel, niet een bibliotheek! Een bibliotheek is la bibliothèque. Dit zijn zogenaamde faux amis (valse vrienden).

📚
Faux ami Valse vriend

Een woord dat sterk lijkt op een Nederlands of Engels woord maar een andere betekenis heeft. La librairie lijkt op “library” maar is een boekwinkel. La bibliothèque is de echte bibliotheek.

💡 Réfléchis

Welke winkels en diensten uit de lijst hierboven zijn er in jouw gemeente of buurt? Schrijf vijf zinnen in het Frans: Dans ma ville, il y a… / Dans ma ville, il n’y a pas de…

2

Les transports

Om je in de stad te verplaatsen heb je vervoermiddelen nodig. In het Frans gebruik je verschillende voorzetsels naargelang het vervoermiddel.

Woordenschat Les moyens de transport — Vervoermiddelen
le busde bus
le tramde tram
le métrode metro
le trainde trein
le vélode fiets
la voiturede auto
l’avion (m.)het vliegtuig
le taxide taxi
la motode motor
à piedte voet
Voorzetsels: prendre en aller en / à
prendre le busde bus nemen
prendre le trainde trein nemen
aller en voituremet de auto gaan
aller en avionmet het vliegtuig gaan
aller à vélomet de fiets gaan
aller à piedte voet gaan
aller en métromet de metro gaan
aller en trammet de tram gaan
Tickets en abonnementen
un ticketeen (los) ticket
un abonnementeen abonnement
valider son titre de transportje vervoersbewijs valideren

Regel: gebruik en voor voertuigen waar je in stapt (voiture, avion, train…) en à voor voertuigen waar je op stapt of zit (à vélo, à moto, à pied).

💡 Réfléchis

Comment est-ce que tu vas à l’école ? Schrijf een zin in het Frans met het juiste voorzetsel. Vergelijk met een klasgenoot: nemen jullie hetzelfde vervoermiddel?

3

Demander son chemin

De weg vragen en uitleg geven is een essentiële vaardigheid. Je hebt twee rollen: de personne perdue (de verdwaalde) en de personne qui explique (de uitlegger). Leer beide sets zinnen.

Grammatica & Taalkader Demander et indiquer le chemin

De weg vragen:

  • Excusez-moi, où est la gare, s’il vous plaît ? — Neem me niet kwalijk, waar is het station?
  • Pour aller à la boulangerie ? — Hoe kom ik bij de bakkerij?
  • C’est loin d’ici ? — Is het ver van hier?
  • Je cherche la banque. — Ik zoek de bank.

De weg uitleggen:

  • Tournez à gauche. — Sla links af.
  • Tournez à droite. — Sla rechts af.
  • Continuez tout droit. — Ga rechtdoor.
  • Traversez la rue. — Steek de straat over.
  • Traversez le carrefour. — Steek het kruispunt over.
  • Prenez la première rue à gauche. — Neem de eerste straat links.
  • Prenez la deuxième rue à droite. — Neem de tweede straat rechts.

Situeren (ligging aanduiden):

  • C’est en face de la pharmacie. — Het is tegenover de apotheek.
  • C’est à côté du supermarché. — Het is naast de supermarkt.
  • C’est près de la gare. — Het is dicht bij het station.
  • C’est au bout de la rue. — Het is aan het einde van de straat.
  • C’est entre la banque et le cinéma. — Het is tussen de bank en de bioscoop.
Stap 1: Excusez-moi  +  Stap 2: où est / pour aller à… ?  +  Stap 3: s’il vous plaît
gebruik du (= de + le) en de la correct na voorzetsels: à côté du café maar à côté de la boulangerie.

Lees het volgende gesprekje. Een toerist is in Brussel en vraagt de weg aan een voorbijganger.

Dialogue — Dans les rues de Bruxelles
Toerist Excusez-moi, madame. Je cherche la Grand-Place. C’est loin d’ici ?
Passante Non, ce n’est pas loin du tout ! Continuez tout droit dans cette rue, puis tournez à gauche au carrefour.
Toerist Je tourne à gauche au carrefour. D’accord. Et ensuite ?
Passante Ensuite, prenez la deuxième rue à droite. La Grand-Place est au bout de cette rue, en face du musée de la ville.
Toerist Merci beaucoup, madame. C’est très gentil.
Passante De rien ! Bonne visite !

Let op: de passante zegt de rien (= geen dank). Een alternatief is avec plaisir of informeel pas de problème.

4

Les questions avec est-ce que et l’inversion

In het Frans kun je een vraag op drie manieren stellen. De keuze hangt af van de context: spreektaal of schrijftaal, informeel of formeel.

Grammatica Drie manieren om een vraag te stellen
Methode Voorbeeld Register
Intonatie (stem omhoog) La gare est loin ? Informeel / spreektaal
Est-ce que + zin Est-ce que la gare est loin ? Neutraal / standaard
Inversie (ww. vóór onderwerp) La gare est-elle loin ? Formeel / schrijftaal

Vragen met vraagwoorden:

  • Où est-ce que tu habites ? — Waar woon jij?
  • Où habites-tu ? — Waar woon jij? (formeel)
  • Comment est-ce qu’on va à la gare ? — Hoe gaan we naar het station?
  • Pourquoi est-ce que vous prenez le taxi ? — Waarom nemen jullie de taxi?
  • Quand est-ce que le train part ? — Wanneer vertrekt de trein?
Est-ce que + subject + werkwoord + rest van de zin ?
vóór een klinker wordt est-ce queest-ce qu’: Est-ce qu’il y a un bus ?
💡 Oefenmoment

Zet deze vragen om naar de est-ce que-vorm: 1) Tu vas en ville ?   2) Il prend le tram ?   3) Vous habitez loin ?. Controleer daarna met een medeleerling.

5

Le passé composé — inleiding

De passé composé is de belangrijkste verleden tijd in de spreektaal. Je gebruikt hem om te vertellen wat je gedaan hebt: wat er gisteren, vorige week of eerder is gebeurd.

Grammatica Vorming van de passé composé met avoir

De passé composé bestaat uit twee delen:

sujet  +  avoir (vervoegd)  +  participe passé

Hulpwerkwoord avoir (vervoegd):

Persoonavoir
jej’ai
tutu as
il / elle / onil / elle / on a
nousnous avons
vousvous avez
ils / ellesils / elles ont

Regelmatige -ER werkwoorden → participe passé op :

InfinitiefParticipe passéVoorbeeld
parlerparléJ’ai parlé avec le directeur.
mangermangéNous avons mangé une pizza.
acheterachetéTu as acheté du pain.
regarderregardéIl a regardé le film.
travaillertravailléVous avez travaillé dur.

Onregelmatige participes (veelgebruikt — uit het hoofd leren!):

InfinitiefParticipe passéVoorbeeld
fairefaitJ’ai fait les courses.
prendreprisElle a pris le bus.
voirvuNous avons vu le musée.
boirebuIl a bu un café.
lireluTu as lu le menu.
avoireuJ’ai eu un problème.

Ontkenning van de passé composé:

sujet  +  ne  +  avoir  +  pas  +  participe passé
  • Je n’ai pas mangé. — Ik heb niet gegeten.
  • Il n’a pas pris le train. — Hij heeft de trein niet genomen.
  • Nous n’avons pas vu le film. — We hebben de film niet gezien.
de ne…pas omarmt het hulpwerkwoord avoir, niet het participe. Het participe staat altijd àchère het pas.
💡 Oefenmoment

Vertaal deze zinnen naar de passé composé: 1) Ik koop brood. 2) Zij neemt de metro. 3) Wij zien de Grand-Place. 4) Je doet de inkopen. Schrijf ook de ontkennende vorm van elke zin.

6

Mes courses en ville

Lees hoe Lucie haar inkopen in de stad beschrijft aan haar vriendin. Ze gebruikt de passé composé om te vertellen wat ze gedaan heeft.

Dialogue — Le samedi en ville
Amina Alors Lucie, tu as passé une bonne journée en ville ?
Lucie Oui, super ! J’ai pris le bus jusqu’au centre-ville. (Ik heb de bus genomen naar het centrum.)
Amina Et qu’est-ce que tu as fait là-bas ?
Lucie D’abord j’ai acheté du pain à la boulangerie. Ensuite j’ai cherché un cadeau pour maman à la librairie. J’ai trouvé un beau livre sur Bruxelles !
Amina Tu as vu quelque chose d’intéressant en ville ?
Lucie Oui ! J’ai vu l’Atomium depuis le tram — c’était magnifique. Et j’ai bu un chocolat chaud près de la Grand-Place. Parfait pour une journée froide !
Amina Super ! Tu n’as pas visité le musée ?
Lucie Non, je n’ai pas eu le temps. Mais j’ai fait beaucoup de choses quand même !

Sleutelstructuren: j’ai pris / j’ai acheté / j’ai vu / j’ai bu / je n’ai pas eu — allemaal passé composé met avoir.

7

Bruxelles, capitale de la Belgique

Lees de informatieve tekst over Brussel. Beantwoord daarna de begripsvragen.

Tekst — Lecture Bruxelles, capitale de la Belgique

Bruxelles est la capitale de la Belgique et le siège de nombreuses institutions européennes. C’est une ville cosmopolite où vivent des gens de plus de 180 nationalités différentes. La ville est officiellement bilingue : on y parle le français et le néerlandais, mais on entend également l’anglais, l’arabe, le turc et bien d’autres langues dans les rues.

Le coeur historique de Bruxelles, c’est la Grand-Place. Cette place magnifique est entourée de guildes médiévales aux façades dorées. Le célèbre écrivain Victor Hugo l’a appelée « la plus belle place du monde ». Non loin de là se trouve le Manneken Pis, une petite statue en bronze qui est devenue le symbole humoristique de la ville.

À la périphérie nord de la ville se dresse l’Atomium, une structure métallique en forme de molécule de fer, construite pour l’Exposition universelle de 1958. Aujourd’hui c’est un musée et un symbole de l’optimisme scientifique de l’après-guerre. La vue depuis le sommet sur toute la ville est exceptionnelle.

Le quartier européen, situé à l’est du centre historique, abrite le Parlement européen, la Commission européenne et le Conseil de l’Union européenne. Chaque jour, des milliers de fonctionnaires et de diplomates s’y rendent en bus, en métro ou à vélo. Bruxelles est donc vraiment une ville internationale, un carrefour entre les cultures et les langues de l’Europe.

Begripsvragen
  1. Welke twee talen zijn officieel in Brussel? Noem ook twee andere talen die er gesproken worden.
  2. Wie noemde de Grand-Place “la plus belle place du monde” en wat voor soort gebouwen omringen die plaats?
  3. Wanneer werd de Atomium gebouwd en waarvoor diende het oorspronkelijk?
  4. Welke drie Europese instellingen zijn gevestigd in het Europese kwartier?
  5. Zoek in de tekst drie zinnen die de passé composé gebruiken. Schrijf ze op en onderstreep het hulpwerkwoord en het participe.
8

Les achats : prix, monnaie, réclamations

Winkelen verloopt niet altijd probleemloos. Leer de zinnen om te betalen, te informeren naar de prijs en een klacht in te dienen.

Taalkader In de winkel — Les interactions commerciales De prijs vragen
C’est combien ?Hoeveel kost het?
Combien coûte ce livre ?Wat kost dit boek?
C’est quel prix ?Wat is de prijs?
Ça coûte… euros.Dat kost … euro.
Betalen
Vous acceptez la carte ?Accepteert u een kaart?
Je paie en espèces.Ik betaal cash.
Je paie par carte.Ik betaal met kaart.
Avez-vous la monnaie ?Heeft u wisselgeld?
L’addition, s’il vous plaît.De rekening, alstublieft.
Gardez la monnaie.Houd het wisselgeld maar.
Klachten en retouren
Je voudrais un remboursement.Ik wil graag terugbetaald worden.
Ce n’est pas ce que j’ai commandé.Dit is niet wat ik besteld heb.
Ce produit est endommagé.Dit product is beschadigd.
Je voudrais l’échanger.Ik wil het ruilen.
Est-ce que je peux avoir un reçu ?Kan ik een bon krijgen?

Merk op: Ce n’est pas ce que j’ai commandé bevat een passé composé! Vertaling letterlijk: “Dit is niet dat wat ik heb besteld.”

Mini-dialogue — À la boulangerie
Client Bonjour, je voudrais deux croissants et une baguette, s’il vous plaît.
Boulangière Voilà ! Ça fait trois euros cinquante.
Client Vous acceptez la carte ?
Boulangière Oui, bien sûr. Tapez votre code, s’il vous plaît.
Client Merci. Bonne journée !
Boulangière Bonne journée à vous aussi !
9

Le passé récent

Soms wil je zeggen dat iets net gebeurd is — een paar minuten geleden, daarnet. Daarvoor heb je in het Frans geen volledige verleden tijd nodig. Je gebruikt de passé récent: een handige constructie die je dagelijks kunt inzetten in de stad.

Grammatica Le passé récent — venir de + infinitif

De passé récent vertelt dat een handeling net is afgelopen. Je vormt hem heel eenvoudig:

sujet  +  venir (vervoegd)  +  de  +  infinitif

Het werkwoord venir in de tegenwoordige tijd:

Persoonvenir
jeje viens
tutu viens
il / elle / onil / elle / on vient
nousnous venons
vousvous venez
ils / ellesils / elles viennent

Voorbeelden:

  • Je viens d’acheter du pain. — Ik heb net brood gekocht.
  • Le bus vient de partir. — De bus is net vertrokken.
  • Nous venons de visiter le musée. — We hebben net het museum bezocht.
  • Elle vient de prendre le métro. — Zij heeft net de metro genomen.
vóór een klinker wordt ded’: Je viens d’arriver (Ik ben net aangekomen). Het werkwoord na de blijft altijd in de infinitief — je vervoegt het niet.

Vergelijk even. De passé composé vertelt wat je gedaan hebt (gisteren, vorige week). De passé récent legt de nadruk op het feit dat iets net, een ogenblik geleden, is gebeurd.

Mini-dialogue — Trop tard !
Hugo Vite ! On prend le train de 14h ?
Sarah Trop tard… Le train vient de partir ! (De trein is net vertrokken!)
Hugo Zut ! Et la boulangerie ?
Sarah Elle vient de fermer aussi. Mais je viens d’acheter des sandwichs à la gare. (Ik heb net broodjes gekocht in het station.)

Sleutelstructuren: vient de partir / vient de fermer / je viens d’acheter — allemaal passé récent met venir de + infinitief.

💡 Oefenmoment

Vertaal naar de passé récent: 1) Ik heb net de bus genomen. 2) Wij hebben net gegeten. 3) Zij is net aangekomen (arriver). Let goed op de vorm de of d’.

10

Les pronoms COD et COI

Wanneer je vertelt over je dag in de stad, wil je niet steeds dezelfde woorden herhalen. In plaats van « J’ai acheté le livre et j’ai donné le livre à maman » gebruik je voornaamwoorden: « Je l’ai acheté et je lui ai donné le livre. » Die voornaamwoorden vervangen een woord dat je al genoemd hebt.

Grammatica COD en COI — lijdend en meewerkend voorwerp

Er zijn twee soorten voornaamwoorden die je hier leert:

  • Het COD (complément d’objet direct, lijdend voorwerp): het antwoord op de vraag qui ? of quoi ? — wie of wat?
  • Het COI (complément d’objet indirect, meewerkend voorwerp): het antwoord op de vraag à qui ? — aan wie? Het volgt op het voorzetsel à.

De voornaamwoorden:

COD (wie/wat)COI (aan wie)
le (hem / het, mannelijk)lui (aan hem / aan haar)
la (haar / het, vrouwelijk)lui (aan hem / aan haar)
les (hen / ze, meervoud)leur (aan hen)

De plaats in de zin: het voornaamwoord staat vóór het werkwoord.

sujet  +  COD/COI  +  werkwoord

COD — voorbeelden:

  • Tu vois le musée ? — Oui, je le vois. — Zie je het museum? — Ja, ik zie het.
  • Tu prends la voiture ? — Oui, je la prends. — Neem je de auto? — Ja, ik neem hem.
  • Tu achètes les croissants ? — Oui, je les achète. — Koop je de croissants? — Ja, ik koop ze.

COI — voorbeelden (na à):

  • Tu parles à la vendeuse ? — Oui, je lui parle. — Praat je met de verkoopster? — Ja, ik praat met haar.
  • Tu téléphones à tes parents ? — Oui, je leur téléphone. — Bel je je ouders? — Ja, ik bel hen.
vóór een klinker worden le en lal’: Je l’aime (Ik hou ervan / van hem / van haar). lui en leur veranderen nooit.
💡 Oefenmoment

Vervang het onderstreepte deel door le, la, les, lui of leur: 1) Je regarde le film.   2) Tu donnes le cadeau à maman.   3) Nous prenons les billets.   4) Il parle à ses amis.

Une langue, c’est une fenêtre ouverte sur le monde. Parler français, c’est découvrir des villes, des cultures, des gens.

Frans 1A  ·  Eerste Graad A-stroom

Oefeningen

Oefening 1

Le passé composé — vorming

Zet de volgende zinnen in de passé composé. Let op de onregelmatige participes!

  1. Je          (prendre) le bus jusqu’à la gare.
  2. Nous          (acheter) du fromage à la supermarché.
  3. Elle          (voir) l’Atomium pour la première fois.
  4. Vous          (faire) les courses en ville.
  5. Ils          (boire) un café près de la Grand-Place.
  6. Tu          (parler) avec le touriste.

Tip: controleer tabel 5 voor de onregelmatige participes (fait, pris, vu, bu).

Oefening 2

Dialogue — de weg vragen en geven

Schrijf een kort dialoogje (6 tot 8 beurten) tussen een toerist en een voorbijganger. De toerist zoekt de dichtstbijzijnde apotheek. Gebruik minstens:

  • een beleefde openingszin met Excusez-moi
  • twee richtingsinstructies (tournez / continuez / prenez…)
  • één liggingsuitdrukking (en face de / à côté de / près de)
  • een bedankformule en een antwoord

Tip: oefen het dialoogje ook hardop met een klasgenoot.

Oefening 3

Vervoersvoorzetsels — en of à ?

Vul het juiste voorzetsel in: en of à.

  1. Je vais à l’école     vélo.
  2. Mes parents vont au travail     voiture.
  3. Nous prenons le métro : on y va     métro.
  4. Elle préfère aller au marché     pied.
  5. Ils sont allés en vacances     avion.
  6. Tu vas au cinéma     tram ou     bus ?

Oefening 4

Begrip — Bruxelles, capitale de la Belgique

Beantwoord de volgende vragen op basis van de tekst in sectie 7. Schrijf volledige zinnen in het Frans waar mogelijk.

  1. Hoeveel nationaliteiten telt Brussel volgens de tekst?
  2. Wat noemde Victor Hugo de Grand-Place?
  3. Wat stelt de Manneken Pis voor en waarom is hij belangrijk voor Brussel?
  4. Wanneer werd de Atomium gebouwd? Zoek ook op: wat stelt de structuur voor?
  5. Waarom wordt Brussel een “carrefour entre les cultures” genoemd?

Tip: de tekst bevat alle antwoorden. Onderstreep de relevante passages eerst.

Oefening 5

Koppel de winkel aan het product

Koppel elke winkel (kolom A) aan het product of de dienst die erbij hoort (kolom B).

Kolom A — Le commerce

  1. la boulangerie
  2. la pharmacie
  3. la librairie
  4. la boucherie
  5. la banque
  6. la gare
  7. le cinéma
  8. la poste

Kolom B — Le produit / service

  1. un billet de train
  2. de la viande
  3. de l’aspirine
  4. un roman policier
  5. un compte bancaire
  6. un film d’action
  7. une baguette
  8. un colis à envoyer

Tip: elke letter is de correcte match van één cijfer.

Oefening 6

Schrijfopdracht — Ma journée en ville

Schrijf een tekst van 80 tot 100 woorden over een uitstap naar de stad. Gebruik:

  • minimaal 4 passé composé-zinnen (waarvan 1 ontkennend)
  • minimaal 3 winkels of diensten uit de woordenschat
  • minimaal 1 vervoermiddel met het juiste voorzetsel
  • tijdsaanduidingen: d’abord, ensuite, puis, après, enfin

Exemple de début : « Samedi matin, j’ai pris le tram pour aller en ville. D’abord j’ai… »

Tip: gebruik het gesprek in sectie 6 als model. Maak je tekst echter origineel!

Samenvatting — Wat heb je geleerd?