Winkels, vervoer, de weg vragen en vertellen over wat je gedaan hebt
Je bent zaterdag in het centrum van Brussel. Je moet een cadeau kopen, geld afhalen en daarna naar het station om terug naar huis te gaan. Maar je bent de weg kwijt. Een voorbijganger spreekt je aan — en plots moet je alles wat je geleerd hebt in het echt toepassen.
In dit hoofdstuk leer je de stad verkennen in het Frans: winkels en diensten benoemen, het juiste vervoer kiezen, de weg vragen én geven, en — heel belangrijk — vertellen wat je al gedaan hebt met de passé composé.
Een stad bestaat uit heel wat verschillende winkels en diensten. Ken je de Franse namen? Leer ze met het lidwoord — dat helpt ook bij de uitspraak.
Let op: la librairie is een boekwinkel, niet een bibliotheek! Een bibliotheek is la bibliothèque. Dit zijn zogenaamde faux amis (valse vrienden).
Een woord dat sterk lijkt op een Nederlands of Engels woord maar een andere betekenis heeft. La librairie lijkt op “library” maar is een boekwinkel. La bibliothèque is de echte bibliotheek.
Welke winkels en diensten uit de lijst hierboven zijn er in jouw gemeente of buurt? Schrijf vijf zinnen in het Frans: Dans ma ville, il y a… / Dans ma ville, il n’y a pas de…
Om je in de stad te verplaatsen heb je vervoermiddelen nodig. In het Frans gebruik je verschillende voorzetsels naargelang het vervoermiddel.
Regel: gebruik en voor voertuigen waar je in stapt (voiture, avion, train…) en à voor voertuigen waar je op stapt of zit (à vélo, à moto, à pied).
Comment est-ce que tu vas à l’école ? Schrijf een zin in het Frans met het juiste voorzetsel. Vergelijk met een klasgenoot: nemen jullie hetzelfde vervoermiddel?
De weg vragen en uitleg geven is een essentiële vaardigheid. Je hebt twee rollen: de personne perdue (de verdwaalde) en de personne qui explique (de uitlegger). Leer beide sets zinnen.
De weg vragen:
De weg uitleggen:
Situeren (ligging aanduiden):
Lees het volgende gesprekje. Een toerist is in Brussel en vraagt de weg aan een voorbijganger.
Let op: de passante zegt de rien (= geen dank). Een alternatief is avec plaisir of informeel pas de problème.
In het Frans kun je een vraag op drie manieren stellen. De keuze hangt af van de context: spreektaal of schrijftaal, informeel of formeel.
| Methode | Voorbeeld | Register |
|---|---|---|
| Intonatie (stem omhoog) | La gare est loin ? | Informeel / spreektaal |
| Est-ce que + zin | Est-ce que la gare est loin ? | Neutraal / standaard |
| Inversie (ww. vóór onderwerp) | La gare est-elle loin ? | Formeel / schrijftaal |
Vragen met vraagwoorden:
Zet deze vragen om naar de est-ce que-vorm: 1) Tu vas en ville ? 2) Il prend le tram ? 3) Vous habitez loin ?. Controleer daarna met een medeleerling.
De passé composé is de belangrijkste verleden tijd in de spreektaal. Je gebruikt hem om te vertellen wat je gedaan hebt: wat er gisteren, vorige week of eerder is gebeurd.
De passé composé bestaat uit twee delen:
Hulpwerkwoord avoir (vervoegd):
| Persoon | avoir |
|---|---|
| je | j’ai |
| tu | tu as |
| il / elle / on | il / elle / on a |
| nous | nous avons |
| vous | vous avez |
| ils / elles | ils / elles ont |
Regelmatige -ER werkwoorden → participe passé op -é:
| Infinitief | Participe passé | Voorbeeld |
|---|---|---|
| parler | parlé | J’ai parlé avec le directeur. |
| manger | mangé | Nous avons mangé une pizza. |
| acheter | acheté | Tu as acheté du pain. |
| regarder | regardé | Il a regardé le film. |
| travailler | travaillé | Vous avez travaillé dur. |
Onregelmatige participes (veelgebruikt — uit het hoofd leren!):
| Infinitief | Participe passé | Voorbeeld |
|---|---|---|
| faire | fait | J’ai fait les courses. |
| prendre | pris | Elle a pris le bus. |
| voir | vu | Nous avons vu le musée. |
| boire | bu | Il a bu un café. |
| lire | lu | Tu as lu le menu. |
| avoir | eu | J’ai eu un problème. |
Ontkenning van de passé composé:
Vertaal deze zinnen naar de passé composé: 1) Ik koop brood. 2) Zij neemt de metro. 3) Wij zien de Grand-Place. 4) Je doet de inkopen. Schrijf ook de ontkennende vorm van elke zin.
Lees hoe Lucie haar inkopen in de stad beschrijft aan haar vriendin. Ze gebruikt de passé composé om te vertellen wat ze gedaan heeft.
Sleutelstructuren: j’ai pris / j’ai acheté / j’ai vu / j’ai bu / je n’ai pas eu — allemaal passé composé met avoir.
Lees de informatieve tekst over Brussel. Beantwoord daarna de begripsvragen.
Bruxelles est la capitale de la Belgique et le siège de nombreuses institutions européennes. C’est une ville cosmopolite où vivent des gens de plus de 180 nationalités différentes. La ville est officiellement bilingue : on y parle le français et le néerlandais, mais on entend également l’anglais, l’arabe, le turc et bien d’autres langues dans les rues.
Le coeur historique de Bruxelles, c’est la Grand-Place. Cette place magnifique est entourée de guildes médiévales aux façades dorées. Le célèbre écrivain Victor Hugo l’a appelée « la plus belle place du monde ». Non loin de là se trouve le Manneken Pis, une petite statue en bronze qui est devenue le symbole humoristique de la ville.
À la périphérie nord de la ville se dresse l’Atomium, une structure métallique en forme de molécule de fer, construite pour l’Exposition universelle de 1958. Aujourd’hui c’est un musée et un symbole de l’optimisme scientifique de l’après-guerre. La vue depuis le sommet sur toute la ville est exceptionnelle.
Le quartier européen, situé à l’est du centre historique, abrite le Parlement européen, la Commission européenne et le Conseil de l’Union européenne. Chaque jour, des milliers de fonctionnaires et de diplomates s’y rendent en bus, en métro ou à vélo. Bruxelles est donc vraiment une ville internationale, un carrefour entre les cultures et les langues de l’Europe.
Winkelen verloopt niet altijd probleemloos. Leer de zinnen om te betalen, te informeren naar de prijs en een klacht in te dienen.
Merk op: Ce n’est pas ce que j’ai commandé bevat een passé composé! Vertaling letterlijk: “Dit is niet dat wat ik heb besteld.”
Soms wil je zeggen dat iets net gebeurd is — een paar minuten geleden, daarnet. Daarvoor heb je in het Frans geen volledige verleden tijd nodig. Je gebruikt de passé récent: een handige constructie die je dagelijks kunt inzetten in de stad.
De passé récent vertelt dat een handeling net is afgelopen. Je vormt hem heel eenvoudig:
Het werkwoord venir in de tegenwoordige tijd:
| Persoon | venir |
|---|---|
| je | je viens |
| tu | tu viens |
| il / elle / on | il / elle / on vient |
| nous | nous venons |
| vous | vous venez |
| ils / elles | ils / elles viennent |
Voorbeelden:
Vergelijk even. De passé composé vertelt wat je gedaan hebt (gisteren, vorige week). De passé récent legt de nadruk op het feit dat iets net, een ogenblik geleden, is gebeurd.
Sleutelstructuren: vient de partir / vient de fermer / je viens d’acheter — allemaal passé récent met venir de + infinitief.
Vertaal naar de passé récent: 1) Ik heb net de bus genomen. 2) Wij hebben net gegeten. 3) Zij is net aangekomen (arriver). Let goed op de vorm de of d’.
Wanneer je vertelt over je dag in de stad, wil je niet steeds dezelfde woorden herhalen. In plaats van « J’ai acheté le livre et j’ai donné le livre à maman » gebruik je voornaamwoorden: « Je l’ai acheté et je lui ai donné le livre. » Die voornaamwoorden vervangen een woord dat je al genoemd hebt.
Er zijn twee soorten voornaamwoorden die je hier leert:
De voornaamwoorden:
| COD (wie/wat) | COI (aan wie) |
|---|---|
| le (hem / het, mannelijk) | lui (aan hem / aan haar) |
| la (haar / het, vrouwelijk) | lui (aan hem / aan haar) |
| les (hen / ze, meervoud) | leur (aan hen) |
De plaats in de zin: het voornaamwoord staat vóór het werkwoord.
COD — voorbeelden:
COI — voorbeelden (na à):
Vervang het onderstreepte deel door le, la, les, lui of leur: 1) Je regarde le film. 2) Tu donnes le cadeau à maman. 3) Nous prenons les billets. 4) Il parle à ses amis.
Une langue, c’est une fenêtre ouverte sur le monde. Parler français, c’est découvrir des villes, des cultures, des gens.
Oefening 1
Le passé composé — vorming
Zet de volgende zinnen in de passé composé. Let op de onregelmatige participes!
Tip: controleer tabel 5 voor de onregelmatige participes (fait, pris, vu, bu).
Oefening 2
Dialogue — de weg vragen en geven
Schrijf een kort dialoogje (6 tot 8 beurten) tussen een toerist en een voorbijganger. De toerist zoekt de dichtstbijzijnde apotheek. Gebruik minstens:
Tip: oefen het dialoogje ook hardop met een klasgenoot.
Oefening 3
Vervoersvoorzetsels — en of à ?
Vul het juiste voorzetsel in: en of à.
Oefening 4
Begrip — Bruxelles, capitale de la Belgique
Beantwoord de volgende vragen op basis van de tekst in sectie 7. Schrijf volledige zinnen in het Frans waar mogelijk.
Tip: de tekst bevat alle antwoorden. Onderstreep de relevante passages eerst.
Oefening 5
Koppel de winkel aan het product
Koppel elke winkel (kolom A) aan het product of de dienst die erbij hoort (kolom B).
Kolom A — Le commerce
Kolom B — Le produit / service
Tip: elke letter is de correcte match van één cijfer.
Oefening 6
Schrijfopdracht — Ma journée en ville
Schrijf een tekst van 80 tot 100 woorden over een uitstap naar de stad. Gebruik:
Exemple de début : « Samedi matin, j’ai pris le tram pour aller en ville. D’abord j’ai… »
Tip: gebruik het gesprek in sectie 6 als model. Maak je tekst echter origineel!