Frans  ·  1A  ·  Eerste graad

Hoofdstuk 10
À l’école

Vakken, lesroosters, instructies en de gebiedende wijs

Situation de départ …

Het is maandagochtend. Je schuift je agenda open en bekijkt je lesrooster. Eerste uur: Frans. Daarna wiskunde, dan lichamelijke opvoeding. Je leraar Frans, monsieur Dupont, betreedt de klas: “Ouvrez votre livre à la page quarante ! Silence, s’il vous plaît !” Iedereen gehoorzaamt meteen. Maar hoe bouwt die zin eigenlijk? Waarom zegt hij ouvrez en niet vous ouvrez?

In dit hoofdstuk verken je de schoolwereld in het Frans: vakken, materialen, mensen, en de impératif — de gebiedende wijs die leraren elke dag gebruiken.

1

Les matières scolaires

In het Frans zijn alle schoolvakken vrouwelijk (féminin). Dat merk je aan het lidwoord: la of l’ (voor klinker/h). Bij de meervoudsvorm krijg je les.

Woordenschat Les matières scolaires — De schoolvakken Alle vakken zijn vrouwelijk (féminin) in het Frans. Talen & humane wetenschappen
  • le françaisFrans
  • l’anglais (m.)Engels
  • le néerlandaisNederlands
  • l’allemand (m.)Duits
  • les langues étrangères (f.pl.)vreemde talen
  • l’histoire (f.)geschiedenis
  • la géographieaardrijkskunde
  • la religion / la moralegodsdienst / zedenleer
Exacte wetenschappen & techniek
  • les mathématiques (f.pl.)wiskunde
  • les sciences (f.pl.)wetenschappen
  • l’informatique (f.)informatica
  • la technologietechnologie
Kunst & lichamelijke opvoeding
  • l’éducation physique (f.)lichamelijke opvoeding
  • la musiquemuziek
  • les arts plastiques (m.pl.)beeldende kunsten
Let op: les mathématiques en les sciences worden bijna altijd in het meervoud gebruikt. In spreektaal zegt men ook: les maths.
📚
Grammatica Vrouwelijk lidwoord bij vakken

Bijna alle schoolvakken zijn vrouwelijk in het Frans en gebruiken la of l’. Uitzonderingen: le français, l’anglais, le néerlandais, l’allemand (talen op -ais/-and zijn mannelijk) en les arts plastiques (mannelijk meervoud).

💡 Réfléchis !

Welke vakken heb jij op je lesrooster? Schrijf ze op in het Frans. Gebruik het juiste lidwoord (le / la / l’ / les). Vergelijk daarna met een klasgenoot.

2

La vie scolaire

Op school ontmoet je veel mensen en gebruik je veel voorwerpen. Hier zijn de meest gebruikte woorden voor de schoolomgeving.

Woordenschat La vie scolaire — Het schoolleven Mensen
  • le professeur / la professeurede leraar / lerares
  • le / la directeur/directricede directeur/directrice
  • l’élève (m./f.)de leerling
  • le / la coprofde co-leraar (inform.)
Lokalen & ruimtes
  • la classede klas (groep leerlingen)
  • la salle de classehet klaslokaal
  • le couloirde gang
  • la cantinede eetzaal / refter
  • la salle des profsde leraarskamer
In de klas
  • le tableauhet bord
  • le cahierhet schrift
  • le livrehet boek
  • l’agenda (m.)de agenda
  • la calculatricede rekenmachine
  • le cartablede schooltas
  • le stylode pen (balpen)
  • la règlede liniaal
Lessen & evaluaties
  • le coursde les / het vak
  • la leçonde les (leerstof)
  • les devoirs (m.pl.)het huiswerk
  • l’interro (f.)de toets (omgangst.)
  • l’examen (m.)het examen
  • une bonne noteeen goed cijfer
  • une mauvaise noteeen slecht cijfer
  • la récréationde speeltijd / pauze
Le cours en la leçon betekenen allebei “les”, maar le cours verwijst meer naar het vak of de sessie, terwijl la leçon verwijst naar de leerstof of een les uit een boek.
3

L’emploi du temps

Het lesrooster heet l’emploi du temps. In de volgende dialoog vragen twee leerlingen elkaar naar hun vakken, uren en leraren.

Dialogue Qu’est-ce que tu as comme cours ? — Welke lessen heb jij ?
Lucas :
Hé, Chloé ! Tu as quoi comme cours le lundi matin ? Hé, Chloé! Welke lessen heb je maandagochtend?
Chloé :
Le lundi, j’ai d’abord le français à huit heures, et ensuite les maths de neuf heures à dix heures. Op maandag heb ik eerst Frans om acht uur, en daarna wiskunde van negen tot tien uur.
Lucas :
Et qui est-ce qui donne le cours de français ? En wie geeft de les Frans?
Chloé :
C’est monsieur Dupont. Il est super sympa. Et toi, tu as quel cours le mardi après-midi ? Dat is meneer Dupont. Hij is super aardig. En jij, welke les heb jij dinsdagmiddag?
Lucas :
Le mardi, j’ai l’éducation physique à treize heures trente, et après j’ai les sciences avec madame Lambert. Op dinsdag heb ik lichamelijke opvoeding om half twee, en daarna heb ik wetenschappen bij mevrouw Lambert.
Chloé :
Ah, j’adore les sciences ! Ma matière préférée, c’est la biologie. Et toi, tu préfères quel cours ? Ah, ik ben dol op wetenschappen! Mijn lievelingsvak is biologie. En jij, welke les vind jij het leukst?
Lucas :
Moi, je préfère les arts plastiques. On n’a pas de devoirs et le prof est cool ! Ik vind beeldende kunsten het leukst. We hebben geen huiswerk en de leraar is cool!

Tip: Oefen dit gesprek met een partner. Gebruik je eigen lesrooster en verander de namen van de vakken en leraren.

Utile pour parler de l’emploi du temps

Uitdrukkingen Les jours et les heures — Dagen en tijden Dagen van de week
  • le lundiop maandag (wekelijks)
  • le mardiop dinsdag
  • le mercrediop woensdag
  • le jeudiop donderdag
  • le vendrediop vrijdag
  • le matin’s ochtends
  • l’après-midi’s middags
  • le soir’s avonds
Handige zinnen
  • J’ai cours de …Ik heb les …
  • à quelle heure ?om welk uur?
  • de … à …van … tot …
  • ensuite / puisdaarna / dan
  • avant / aprèsvoor / na
  • Qui donne le cours ?Wie geeft de les?
  • C’est monsieur/madame …Dat is meneer/mevrouw …
4

L’impératif

De impératif (gebiedende wijs) gebruik je om iemand een opdracht te geven, aan te moedigen of te verbieden. Hij heeft maar drie vormen: tu, nous en vous — en je laat het onderwerp weg.

Grammatica L’impératif — Vorming van de gebiedende wijs

Regelmatige -ER werkwoorden (zoals parler): neem de présent-vormen voor tu / nous / vous, laat het onderwerp weg, en schrap bij de tu-vorm de eindige -s.

Persoon Présent Impératif Vertaling
tu tu parles Parle ! Spreek ! / Praat !
nous nous parlons Parlons ! Laten we praten !
vous vous parlez Parlez ! Spreek(t) ! (meerdere personen of beleefd)

Regelmatige -IR en -RE werkwoorden: laat gewoon het onderwerp weg, de -s bij tu blijft staan.

Finis tes devoirs ! — Finissons ! — Finissez ! Maak je huiswerk af! — Laten we afmaken! — Maak af!

Onregelmatige werkwoorden hebben aparte stammen voor de impératif:

Werkwoord tu nous vous
être sois soyons soyez
avoir aie ayons ayez
aller va allons allez
faire fais faisons faites
savoir sache sachons sachez

Reflexieve werkwoorden (werkwoorden met se): het wederkerend voornaamwoord komt na het werkwoord, verbonden met een koppelteken. Te wordt toi na het werkwoord.

Lève-toi ! — Levons-nous ! — Levez-vous ! Sta op! (jij) — Laten we opstaan! — Sta(at) op!
Assieds-toi ! — Asseyez-vous ! Ga zitten! (jij) — Ga(at) zitten!

Ontkenning bij de impératif: zet ne … pas om het werkwoord. Bij reflexieve werkwoorden gaat het voornaamwoord terug voor het werkwoord.

Ne parle pas ! — Ne parlez pas ! Praat niet! — Praat niet! (u/jullie)
Ne te lève pas ! — Ne vous levez pas ! Sta niet op! — Sta(at) niet op!
Let op! De -s van de tu-vorm bij -ER werkwoorden verdwijnt normaal (Parle !), maar keert terug wanneer er een klinker volgt (bij y of en): Parles-en ! Vas-y ! Dit zorgt voor vlottere uitspraak.
💡 Réfléchis !

Stel je voor: je bent leraar voor een dag. Schrijf vier instructies die je zou geven aan je klas. Gebruik de vous-vorm van de impératif. Bijvoorbeeld: Ouvrez votre cahier !

5

Les instructions de classe

De instructietaal van de leraar is de impératif in actie. Hier zijn de meest voorkomende klasinstructies die je elke dag hoort in een Franstalige school.

Woordenschat — Instructietaal Les instructions de classe — Klasinstructies Alle instructies staan in de vous-vorm (voor de klas). In een informele context kan de tu-vorm gebruikt worden. Met het boek en schrift
  • Ouvrez le livre.Open het boek.
  • Fermez le livre.Sluit het boek.
  • Lisez le texte.Lees de tekst.
  • Répondez aux questions.Beantwoord de vragen.
  • Faites l’exercice.Maak de oefening.
  • Recopiez dans le cahier.Kopieer in het schrift.
  • Soulignez les mots.Onderstreep de woorden.
Luisteren en spreken
  • Écoutez.Luister.
  • Répétez.Herhaal.
  • Posez des questions.Stel vragen.
  • Levez la main.Steek je hand op.
  • Taisez-vous !Wees stil! / Hou je mond!
  • Parlez plus fort.Spreek luider.
  • Répétez, s’il vous plaît.Herhaal alstublieft.
Organisatie
  • Travaillez en groupe.Werk in groep.
  • Travaillez à deux.Werk samen (in duo).
  • Venez au tableau.Kom naar het bord.
  • Asseyez-vous.Ga zitten.
  • Levez-vous.Sta op.
  • Sortez une feuille.Haal een blad te voorschijn.
Taisez-vous ! is een reflexief werkwoord (se taire — zwijgen). De impératif-vorm is onregelmatig: tais-toi / taisons-nous / taisez-vous.
6

Exprimer son opinion sur l’école

Hoe vertel je in het Frans wat je van school en vakken vindt? Hieronder vind je de meest gebruikte uitdrukkingen om je mening te geven.

Uitdrukkingen Donner son avis — Je mening geven over school Je mening uitdrukken
  • J’aime bien …Ik vind … leuk.
  • Je n’aime pas trop …Ik vind … niet zo leuk.
  • J’adore …Ik ben gek op …
  • Je déteste …Ik haat …
  • Ma matière préférée, c’est …Mijn lievelingsvak is …
  • Mon cours préféré, c’est …Mijn favoriete les is …
De moeilijkheidsgraad beschrijven
  • Je trouve ça difficile.Ik vind dat moeilijk.
  • Je trouve ça facile.Ik vind dat gemakkelijk.
  • Je trouve ça intéressant.Ik vind dat interessant.
  • Je trouve ça ennuyeux.Ik vind dat saai.
  • Je trouve ça passionnant.Ik vind dat boeiend.
  • C’est trop difficile pour moi.Dat is te moeilijk voor mij.
Sterkte en zwakte aangeven
  • Je suis fort(e) en …Ik ben goed in …
  • Je suis nul(le) en …Ik ben slecht in … (inform.)
  • J’ai des difficultés en …Ik heb moeite met …
  • Je réussis bien en …Ik doe het goed in …
  • J’ai de bonnes notes en …Ik heb goede punten voor …
  • J’ai du mal à … (+ infinitif)Ik heb moeite om te …
Let op het geslacht bij fort/forte en nul/nulle: meisjes gebruiken de vrouwelijke vorm (forte, nulle).
Mini-dialogue Tu aimes quelle matière ? — Welk vak vind jij leuk ?
Professeur :
Emma, tu aimes quelles matières cette année ? Emma, welke vakken vind jij leuk dit jaar?
Emma :
Ma matière préférée, c’est la musique. Je trouve ça passionnant. Mais j’ai des difficultés en maths — je trouve ça très difficile. Mijn lievelingsvak is muziek. Ik vind dat erg boeiend. Maar ik heb moeite met wiskunde — ik vind dat heel moeilijk.
Professeur :
Et le français, tu aimes ? En Frans, vind je dat leuk?
Emma :
Oui, j’aime bien ! Je suis forte en français. J’adore lire et j’ai toujours de bonnes notes. Ja, ik vind het leuk! Ik ben goed in Frans. Ik ben dol op lezen en ik heb altijd goede punten.
7

Tekst: Mon école à Bruxelles

Lees de volgende tekst van een Brusselse leerling. Let op het gebruik van schoolvocabulaire en de beschrijving van de Belgische schoolomgeving.

Tekst — Lecture Mon école à Bruxelles

Je m’appelle Mathieu et j’ai treize ans. Je suis élève à l’Athénée Royal de Bruxelles, une école secondaire dans le centre-ville. Notre école est grande : il y a plus de huit cents élèves et cinquante professeurs.

Ma journée commence à huit heures et quart. D’abord, je mets mon cartable sur mon bureau dans la salle de classe. Mon premier cours du lundi, c’est le néerlandais avec madame Peeters. Elle est stricte mais juste — elle dit toujours : « Ouvrez votre cahier et écoutez attentivement ! » Ensuite, j’ai les sciences et les maths. Les maths, je trouve ça difficile, mais j’ai un bon prof qui explique bien.

La récréation est à dix heures moins le quart. On descend dans la cour et on mange un petit quelque chose. Certains élèves restent dans le couloir pour réviser leurs leçons — surtout avant une interro !

L’après-midi, j’ai souvent l’éducation physique et les arts plastiques. Ce sont mes matières préférées. À midi, je mange à la cantine avec mes amis. Les repas ne sont pas toujours délicieux, mais c’est pratique.

Les cours se terminent à seize heures. Ensuite, je rentre chez moi et je fais mes devoirs avant le dîner. J’aime mon école parce que les profs sont sympa et j’ai de bons amis ici.

Culturele noot — Het Belgische onderwijssysteem:
In België bestaan twee grote netten van middelbare scholen: het officieel net (GO — Gemeenschapsonderwijs) en het vrij net (met name katholieke scholen en andere particuliere scholen, gesubsidieerd door de overheid). Een athénée royal is een school van het GO in de Franstalige Gemeenschap. In het Vlaamse net spreekt men van een atheneum. Een collège is een school van het vrij net. De Franstalige secundaire school duurt zes jaar en wordt afgesloten met het CESS (Certificat d’Enseignement Secondaire Supérieur), het Franstalige equivalent van het Vlaamse getuigschrift van het secundair onderwijs.
Vragen bij de tekst
  1. Hoe heet de school van Mathieu en in welke stad ligt ze?
  2. Om welk uur begint zijn schooldag?
  3. Welk vak heeft hij het eerste uur op maandag en wie geeft dat vak?
  4. Welk vak vindt Mathieu moeilijk? Welke vakken zijn zijn favorieten?
  5. Wat doet Mathieu tijdens de pauze? Wat doen sommige leerlingen in de gang?
  6. Hoe laat is school gedaan? Wat doet Mathieu daarna?
  7. Wat is een athénée royal? Zoek de informatie in de culturele noot.
8

L’école en France vs en Belgique

Het Franse en Belgische schoolsysteem lijken op elkaar, maar er zijn belangrijke verschillen. Hieronder een beknopte vergelijking.

Culturele vergelijking France vs Belgique — Twee schoolsystemen Benaming van de scholen
  • le lycée (France)middelbare school (bovenbouw)
  • l’athénée / le collège (Belgique)middelbare school (België)
  • le collège (France)onderbouw (11-15 j., Frankrijk)
  • l’école primairelagere school (beide landen)
Afsluitende diploma’s
  • le bac (baccalauréat) — Francediploma na 12 jaar school
  • le CESS — Belgique (francophone)diploma secundair onderwijs (B)
  • le CEB, CE1D, CE2D …tussentijdse getuigschriften (B)
Schooluren & gewoontes
  • la pause déjeunermiddagpauze (1,5 à 2u in F)
  • manger à la cantinein de refter eten
  • rentrer chez soi le midinaar huis gaan ’s middags
  • le mercredi après-midi librewoensdagnamiddag vrij (F)
  • pas de cours le samedigeen les op zaterdag (B & F)
In Frankrijk is de carte scolaire (schoolindeling per regio) een politiek gevoelig thema. In België zijn scholen vrij te kiezen, wat leidt tot een grote diversiteit aan schoolprofielen in steden als Brussel en Liège.
🏛
Cultuur Le bac — un rite de passage

Het baccalauréat in Frankrijk is meer dan een diploma: het is een sociaal ritueel. Elke zomer in juni-juli legt heel Frankrijk de adem in bij de resultaten. Slagen voor het bac is een mijlpaal die recht geeft op universitaire toegang. In België heeft elk onderwijsnet zijn eigen toelatingsprocedures, maar het CESS vervult een vergelijkbare rol.

9

Une vraie conversation — combler un écart d’information

Een echt gesprek is meer dan zinnetjes opzeggen. In een echte conversatie weet de ene persoon iets wat de andere niet weet. Dat heet een informatiekloof: je moet écht naar elkaar luisteren om de informatie te krijgen die je nodig hebt. Zo werkt taal in het dagelijks leven — en zo oefen je het best.

💭
Begrip Informatiekloof (écart d’information)

Een situatie waarin de ene gesprekspartner iets weet wat de andere nodig heeft. Omdat de ene het antwoord niet op voorhand kent, moet hij echt vragen en echt luisteren. Voorbeeld: jij weet jouw lesrooster, je gesprekspartner niet — en omgekeerd. Samen moeten jullie ontdekken wanneer jullie allebei vrij zijn.

In het onderstaande gesprek willen Lucas en Sofia samen iets afspreken, maar ze hebben elk een verschillend lesrooster. Geen van beiden kent dat van de ander. Ze moeten dus vragen, antwoorden en de informatie samenleggen.

Mini-dialogue avec écart d’information On se voit quand ? — Wanneer zien we elkaar ?
Lucas :
Tu as cours de quoi le mercredi après-midi ? Welke les heb jij op woensdagnamiddag?
Sofia :
Le mercredi après-midi, je suis libre. Et toi ? Op woensdagnamiddag ben ik vrij. En jij?
Lucas :
Moi aussi ! Alors on révise les maths ensemble ? Ik ook! Zullen we dan samen wiskunde studeren?
Sofia :
Pardon, tu peux répéter plus lentement ? Je n’ai pas bien compris. Sorry, kun je trager herhalen? Ik heb het niet goed begrepen.
Lucas :
Bien sûr. On-ré-vise-les-maths-en-semble ? D’accord ? Natuurlijk. Zullen-we-samen-wiskunde-studeren? Oké?
Sofia :
Ah, d’accord ! Oui, super idée ! Ah, oké! Ja, geweldig idee!
🔄
Taaltip — om opheldering vragen Quand ça coince — als het gesprek vastloopt

Begrijp je iets niet? Doe alsof je een Franstalige bent: vraag gewoon om hulp. Pardon ? (Sorry?) · Tu peux répéter ? (Kun je herhalen?) · Plus lentement, s’il vous plaît. (Trager, alstublieft.) · Qu’est-ce que ça veut dire ? (Wat betekent dat?) · Comment on dit « … » en français ? (Hoe zeg je … in het Frans?) Dat is geen falen, maar een slimme strategie.

Taal en cultuur verschillen ook van plek tot plek — en die diversiteit begint dichtbij, in je eigen omgeving. In een stad als Brussel zitten in één klas vaak kinderen die thuis Frans, Nederlands, Arabisch, Lingala, Turks of Berbers spreken. Net zoals scholen in Frankrijk en België van elkaar verschillen, verschillen ook de talen en gewoontes van je eigen klasgenoten.

💡 Réfléchis

Welke talen worden er gesproken in jouw buurt, familie of klas? Maak een korte lijst en kies één woord (bv. « bonjour ») dat je in drie verschillende talen kent. Wat is volgens jou een voordeel van met veel talen op te groeien?

L’école, c’est l’endroit où l’on apprend à apprendre.

Frans 1A  ·  H10 — À l’école

Oefeningen

Oefening 1

L’impératif — Zet om naar de gebiedende wijs

Geef de drie impératif-vormen (tu / nous / vous) van de volgende werkwoorden.

  1. ouvrir (openen)
  2. écouter (luisteren)
  3. finir (afmaken)
  4. faire (doen)
  5. se lever (opstaan)
  6. être (zijn) — sage(s) (braaf)

Tip: Vergeet niet dat -ER werkwoorden de -s bij de tu-vorm verliezen, en dat reflexieve werkwoorden het voornaamwoord na het werkwoord plaatsen.

Oefening 2

Vocabulaire — Koppel het Frans aan het Nederlands

Koppel elk Frans woord aan de juiste Nederlandse betekenis.

  1. le cartable
  2. l’interro
  3. la cantine
  4. le tableau
  5. les devoirs
  6. la récréation
  7. le cahier
  8. le couloir
  • a. de gang
  • b. het schrift
  • c. de pauze / speeltijd
  • d. het bord
  • e. de eetzaal / refter
  • f. de schooltas
  • g. het huiswerk
  • h. de toets (omgangst.)

Controleer je antwoorden met de woordenlijst in sectie 2 van dit hoofdstuk.

Oefening 3

L’emploi du temps — Begrijpsoefening

Lees het lesrooster van Julie hieronder en beantwoord de vragen in het Frans.

Lesrooster Julie — Lundi
8h00 – 9h00 : le français (M. Dupont)
9h00 – 10h00 : les mathématiques (Mme Bernard)
10h00 – 10h15 : récréation
10h15 – 11h15 : l’histoire (M. Renard)
11h15 – 12h15 : les sciences (Mme Laurent)
12h15 – 13h30 : pause déjeuner (cantine)
13h30 – 14h30 : la géographie (M. Renard)
14h30 – 15h30 : l’éducation physique (M. Thomas)
  1. Julie a cours de français à quelle heure ?
  2. Qui donne le cours de mathématiques ?
  3. Combien de cours a-t-elle le lundi ? (Hoeveel lessen heeft ze op maandag?)
  4. Où mange-t-elle à midi ? (« Elle mange à … »)
  5. Quel professeur donne à la fois l’histoire et la géographie ? (Welke leraar geeft zowel geschiedenis als aardrijkskunde?)

Oefening 4

Mon opinion — Zinnen afmaken

Maak de zinnen af op basis van jouw eigen mening. Gebruik de uitdrukkingen uit sectie 6.

  1. Ma matière préférée, c’est … parce que …
  2. Je trouve les maths … parce que …
  3. Je suis fort(e) en … mais j’ai des difficultés en …
  4. Je n’aime pas trop … parce que je trouve ça …
  5. Cette année, j’ai de bonnes notes en … mais …

Schrijf volledige zinnen en wissel daarna uit met een klasgenoot. Vraag door: Pourquoi ? Tu préfères quel prof ?

Oefening 5

Instructions de classe — Herkenningsoefening

Wat bedoelt de leraar met elke instructie? Kies de juiste omschrijving.

  1. Taisez-vous !
    a. Open je boek.   b. Wees stil.   c. Doe de oefening.
  2. Venez au tableau.
    a. Ga zitten.   b. Kom naar het bord.   c. Lees de tekst.
  3. Travaillez en groupe.
    a. Werk alleen.   b. Luister.   c. Werk in groep.
  4. Levez la main.
    a. Sta op.   b. Steek je hand op.   c. Sluit het boek.
  5. Répondez aux questions.
    a. Stel vragen.   b. Beantwoord de vragen.   c. Herhaal de vragen.
  6. Ne parlez pas !
    a. Praat louder.   b. Praat niet.   c. Herhaal alstublieft.

Tip: Let op het verschil tussen poser des questions (vragen stellen) en répondre aux questions (vragen beantwoorden).

Oefening 6

Ma journée scolaire — Schrijfoefening

Schrijf een tekst van 8–10 zinnen over jouw schooldag. Gebruik de tekst van Mathieu (sectie 7) als model. Vermeld:

  • hoe jouw school heet en waar ze ligt
  • hoe laat jouw schooldag begint en eindigt
  • welke vakken je hebt en wie de leraren zijn
  • wat je doet tijdens de pauze en tijdens de middag
  • welk vak je het leukst/moeilijkst vindt en waarom

Gebruik de impératif minstens één keer: schrijf een zin die jouw leraar regelmatig zegt (bv. Mon prof de sciences dit toujours : « Faites attention ! »).

Samenvatting — Résumé