Frans  ·  1A  ·  Eerste graad

Hoofdstuk 9
La santé

Gezondheid, lichaamsdelen, gevoelens en modale werkwoorden

Stel je voor …

Je wordt wakker en je keel doet pijn. Je hoofd bonkt, je neus loopt en je hebt koorts. Je moeder vraagt: « Tu as mal où ?» Maar hoe leg je dat uit in het Frans? Hoe zeg je dat je je ziek voelt, dat je naar de dokter moet, dat je rust nodig hebt?

In dit hoofdstuk leer je precies dat: praten over je lichaam, je klachten beschrijven en advies geven — alles in het Frans. En je leert drie heel nuttige werkwoorden: devoir, pouvoir en vouloir.

1

Le corps humain — Het menselijk lichaam

Om over gezondheid te praten, moet je eerst de lichaamsdelen kennen. Let op het geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en het meervoud: dat is belangrijk voor avoir mal à in de volgende sectie.

Woordenschat Les parties du corps — Lichaamsdelen
la tête(v.) het hoofd
le visage(m.) het gezicht
les yeux(m. mv.) de ogen
le nez(m.) de neus
la bouche(v.) de mond
les oreilles(v. mv.) de oren
le cou(m.) de nek/keel
les épaules(v. mv.) de schouders
le bras(m.) de arm
la main(v.) de hand
les doigts(m. mv.) de vingers
la poitrine(v.) de borst
le ventre(m.) de buik
le dos(m.) de rug
la jambe(v.) het been
le genou(m.) de knie
le pied(m.) de voet
les orteils(m. mv.) de tenen
la peau(v.) de huid
les cheveux(m. mv.) het haar

Let op: un oeil (enkelvoud) → les yeux (meervoud). Dit is een onregelmatig meervoud!

👤

Illustratie: silhouet van een menselijk lichaam met labels van alle lichaamsdelen in het Frans. Links de vooraanzicht, rechts het achteraanzicht.

💡 Tip

Plak kleine post-its met de Franse namen op je eigen lichaam (of op een tekening). Herhaal ze elke ochtend. Na drie dagen ken je ze van buiten!

2

J’ai mal à… — Pijn uitdrukken

De vaste uitdrukking voor pijn in het Frans is avoir mal à + het lidwoord + het lichaamsdeel. Het lidwoord verandert afhankelijk van het geslacht van het woord. Let goed op de samentrekkingen met à!

Grammatica Avoir mal à + article contracté

De samenvoeging van à met het lidwoord heet de article contracté:

Lidwoord + à = samentrekking Voorbeeld
le (mannelijk) à + le au J’ai mal au dos
la (vrouwelijk) à + la à la (geen samentrekking) J’ai mal à la tête
les (meervoud) à + les aux J’ai mal aux dents
l’ (klinker/h) à + l’ à l’ (geen samentrekking) J’ai mal à l’estomac
J’ai mal à la tête. — Ik heb hoofdpijn.
Tu as mal au ventre ? — Heb jij buikpijn?
Il a mal aux pieds. — Hij heeft pijn aan zijn voeten.
Elle a mal à l’épaule. — Zij heeft pijn aan haar schouder.

Naast avoir mal à zijn er ook andere manieren om over je gezondheid te praten:

FransNederlands
être maladeziek zijn
se sentir bienzich goed voelen
se sentir malzich slecht voelen
ne pas se sentir bienzich niet goed voelen
aller bien / malhet goed / slecht gaan
📚
Onthoud Article contracté

à + le = au  •  à + les = aux  •  à + la en à + l’ blijven onveranderd.

3

Les maladies et symptômes — Ziekten en symptomen

Als je naar de dokter gaat, moet je je klachten kunnen beschrijven. Hier zijn de belangrijkste woorden voor ziekten en symptomen.

Woordenschat Ziekten, klachten en symptomen
la fièvrekoorts
un rhumeeen verkoudheid
la grippede griep
une anginekeelontsteking
une allergieeen allergie
une blessureeen wonde/blessure
une fractureeen breuk
être fatigué(e)moe zijn

Uitdrukkingen voor klachten:

  • avoir le nez qui couleeen lopende neus hebben
  • tousserhoesten
  • éternuerniezen
  • avoir des nauséesmisselijk zijn
  • avoir de la fièvrekoorts hebben
  • avoir les yeux qui piquentjeukende ogen hebben
  • se sentir faiblezich zwak voelen

Let op: avoir de la fièvre = koorts hebben (met de la, want ontelbaar). avoir un rhume = een verkoudheid hebben (met un, want telbaar).

💡 Denkvraag

Welke klachten passen bij welke ziekte? Koppel: la grippe, un rhume, une allergie aan de bijbehorende symptomen. Welke symptomen overlappen?

4

Devoir, pouvoir, vouloir — Modale werkwoorden

De drie modale werkwoorden devoir (moeten), pouvoir (kunnen/mogen) en vouloir (willen) zijn onmisbaar in het Frans. Ze staan altijd voor een infinitief.

Grammatica Vervoeging van de modale werkwoorden — présent
devoir — moeten
jedois
tudois
il / elledoit
nousdevons
vousdevez
ils / ellesdoivent
pouvoir — kunnen/mogen
jepeux
tupeux
il / ellepeut
nouspouvons
vouspouvez
ils / ellespeuvent
vouloir — willen
jeveux
tuveux
il / elleveut
nousvoulons
vousvoulez
ils / ellesveulent

Na het modale werkwoord staat altijd een infinitief:

Je dois prendre ce médicament. — Ik moet dit medicijn nemen. (verplichting)
Tu peux te lever demain. — Jij mag morgen opstaan. (toelating)
Il ne peut pas jouer au foot. — Hij kan niet voetballen. (onmogelijkheid)
Nous voulons aller chez le médecin. — Wij willen naar de dokter gaan. (wens)
Vous devez vous reposer. — U moet rusten. (medisch advies)
WerkwoordGebruikBetekenis
devoirverplichting, noodzaakmoeten
pouvoirmogelijkheid, toelatingkunnen, mogen
vouloirwens, verlangenwillen
Onthoud Ontkenning met modale werkwoorden

De ontkenning omsluit het modale werkwoord: Je ne peux pas venir. De infinitief blijft ontkend buiten de omsluitende ne…pas.

5

Chez le médecin — Bij de dokter

Lees het gesprek tussen Liène en haar huisarts, Dr. Fontaine. Let op hoe ze haar klachten beschrijft en hoe de dokter devoir + infinitief gebruikt voor zijn adviezen.

Gesprek — Dialogue Chez le docteur Fontaine
Docteur Bonjour, Lièene. Qu’est-ce qui ne va pas aujourd’hui ?
Liène Bonjour, docteur. Je ne me sens pas bien du tout. J’ai mal à la gorge depuis deux jours et j’ai de la fièvre.
Docteur D’accord. Est-ce que tu tousses aussi ?
Liène Oui, je tousse beaucoup, surtout la nuit. Et j’ai le nez qui coule. Je suis très fatiguée.
Docteur Hmm. Ouvre la bouche, s’il te plaît… Oui, tu as une angine. Ce n’est pas la grippe, mais c’est quand même sérieux.
Liène Est-ce que je dois prendre des médicaments ?
Docteur Oui. Vous devez prendre ces antibiotiques deux fois par jour. Et vous devez boire beaucoup d’eau — au moins un litre et demi. Vous devez aussi vous reposer. Pas d’école pendant deux jours.
Liène D’accord. Est-ce que je peux manger normalement ?
Docteur Oui, vous pouvez manger, mais mangez léger. Pas de fast-food. Et si la fièvre monte encore, vous devez revenir immédiatement.
Liène Je comprends. Merci beaucoup, docteur.
Docteur De rien. Bon rétablissement, Liène !

Nuttige uitdrukkingen bij de dokter

Woordenschat Bij de dokter — Chez le médecin
  • Qu’est-ce qui ne va pas ?Wat is er aan de hand?
  • J’ai mal à…Ik heb pijn aan…
  • Depuis quand ?Sinds wanneer?
  • Depuis deux jours / une semaineSinds twee dagen / een week
  • une ordonnanceeen voorschrift/recept
  • des médicamentsmedicijnen
  • des antibiotiquesantibiotica
  • se reposerrusten
  • Bon rétablissement !Beterschap!
6

Les conseils de santé — Gezondheidsadvies geven

In het Frans kun je advies geven op twee manieren: met il faut + infinitief (je moet … / men moet …) of met de beleefde conditiefvorm on devrait + infinitief (men zou moeten …). Il ne faut pas drukt een verbod of sterk negatief advies uit.

Grammatica Il faut / il ne faut pas / on devrait + infinitif
StructuurGebruikVoorbeeld
Il faut + inf. algemene verplichting / advies Il faut dormir huit heures.
Il ne faut pas + inf. verbod / negatief advies Il ne faut pas fumer.
On devrait + inf. beleefd advies (conditionnel) On devrait faire du sport.
Il faut is onpersoonlijk: het heeft geen subject, alleen il (onpersoonlijk ‘het’). Het is sterker dan on devrait.

Gezondheidsadviezen in de praktijk

Il faut — Il faut dormir au moins huit heures par nuit.
Je moet elke nacht minstens acht uur slapen. Slaaptekort vermindert je concentratie en je immuunsysteem.
Il faut — Il faut faire du sport régulièrement.
Je moet regelmatig sporten. Bewegen helpt stress te verminderen en de conditie te verbeteren.
Il faut — Il faut manger des légumes et des fruits tous les jours.
Je moet elke dag groenten en fruit eten voor vitaminen en vezels.
Il ne faut pas — Il ne faut pas regarder les écrans trop longtemps.
Je mag niet te lang naar schermen kijken. Schermtijd voor het slapengaan verstoort je slaap.
Il ne faut pas — Il ne faut pas sauter le petit-déjeuner.
Je moet het ontbijt niet overslaan. Ontbijten geeft je energie voor de ochtend.
Il ne faut pas — Il ne faut pas boire trop de boissons sucrées.
Je mag niet te veel suikerhoudende dranken drinken.
On devrait — On devrait limiter le temps d’écran à deux heures par jour.
Men zou de schermtijd beter beperken tot twee uur per dag.
On devrait — On devrait boire un litre et demi d’eau par jour.
Men zou best anderhalve liter water per dag drinken.
💡 Denkvraag

Geef twee adviezen aan een vriend die altijd moe is. Gebruik il faut, il ne faut pas en on devrait. Schrijf ze op in het Frans.

7

Les émotions et les sentiments — Gevoelens

Gezondheid gaat niet alleen over je lichaam, maar ook over hoe je je voelt. Leer de belangrijkste emoties en hoe je ze uitdrukt in het Frans.

Woordenschat Gevoelens en emoties
(être) content(e)blij, tevreden
(être) tristeverdrietig
(être) fatigué(e)moe
(être) stressé(e)gestresseerd
(être) nerveux/nerveusenerveus
(être) calmekalm, rustig
(être) enthousiasteenthousiast
(être) déçu(e)teleurgesteld
(être) surpris(e)verrast
(être) fier/fièretrots
(être) inquiet/inquièteongerust, bezorgd
(être) soulagé(e)opgelucht

Gevoelens uitdrukken — Exprimer ses sentiments :

  • Je me sens…Ik voel me…
  • Je suis…Ik ben…
  • Ça m’énerve.Dat irriteert me / dat ergert me.
  • Ça me fait plaisir.Dat verheugt me / dat maakt me blij.
  • Ça me rend triste.Dat maakt me verdrietig.
  • Ça me stresse.Dat stress me.
  • Je me sens bien dans ma peau.Ik voel me goed in mijn vel.

Adjectieven als fatigué, stressé, déçu, surpris krijgen een -e in de vrouwelijke vorm: fatiguée, déçue.

💡
Let op Se sentir vs. être

Je me sens fatigué(e) = Ik voel me moe (momenteel). Je suis fatigué(e) = Ik ben moe (algemener). Beide zijn correct; se sentir klinkt iets subjectiever.

8

Tekst: La santé des jeunes en Belgique

Lees de informatieve tekst over de gezondheidsgewoonten van Belgische jongeren. Beantwoord daarna de begripsvragen.

Informatieve tekst La santé des jeunes en Belgique — Quelques chiffres à retenir

En Belgique, comme dans beaucoup de pays européens, la santé des adolescents est un sujet important. Les jeunes de 12 à 18 ans ont des habitudes très variées — et pas toujours bonnes pour leur santé.

Le sommeil. Selon une étude de l’Université de Liège, environ 60 % des adolescents belges ne dorment pas assez. Les experts recommandent huit à neuf heures de sommeil par nuit pour les jeunes de 12 à 18 ans. Pourtant, beaucoup d’élèves se couchent après minuit, souvent à cause des réseaux sociaux ou des séries en ligne. Le manque de sommeil provoque de la fatigue, des difficultés de concentration et même du stress.

Le sport. L’Organisation mondiale de la Santé (OMS) conseille au moins 60 minutes d’activité physique par jour pour les jeunes. En Belgique, seulement 35 % des adolescents atteignent cet objectif. Les garçons font généralement plus de sport que les filles, mais les deux groupes passent trop de temps devant les écrans.

Le temps d’écran. En moyenne, un adolescent belge passe plus de six heures par jour devant un écran — téléphone, tablette, ordinateur ou télévision. Les experts disent qu’il ne faut pas dépasser deux heures de loisirs numériques par jour. Un temps d’écran excessif est associé à des problèmes de dos, de vue et de sommeil.

L’alimentation. Une bonne alimentation est essentielle pour la santé. Malheureusement, beaucoup de jeunes Belges consomment trop de sucre, trop de sel et pas assez de légumes. Environ 40 % des adolescents sautent le petit-déjeuner au moins trois fois par semaine. Or, le petit-déjeuner est crucial pour les performances scolaires et la concentration.

Le bien-être mental. La santé, ce n’est pas seulement le corps — c’est aussi l’esprit. Depuis la pandémie de Covid-19, le nombre de jeunes qui se sentent stressés ou anxiéeux a augmenté. Il est important de parler de ses émotions, de passer du temps avec ses amis et de trouver des activités qui font plaisir.

En conclusion, pour rester en bonne santé, on devrait dormir suffisamment, faire du sport, bien manger et limiter le temps d’écran. Et si on ne se sent pas bien — physiquement ou mentalement — il faut en parler avec un adulte de confiance ou un médecin.

Begripsvragen — Questions de compréhension
  1. Hoeveel uur slaap raden experts aan voor jongeren van 12 tot 18 jaar? Halen de meeste Belgische tieners dit doel?
  2. Welk percentage Belgische adolescenten haalt de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid sport? Wat zegt de OMS?
  3. Hoeveel uur schermtijd per dag besteedt een gemiddelde Belgische tiener? Wat zijn de gevolgen?
  4. Noem twee slechte voedingsgewoonten die in de tekst worden vermeld.
  5. Waarom is het ontbijt belangrijk volgens de tekst?
  6. Wat raadt de tekst aan als je je niet goed voelt? Gebruik een zin uit de tekst.

Oefeningen

Oefening 1

J’ai mal à… — Vul de samentrekking in

Vul het juiste samengetrokken lidwoord in: au, à la, aux of à l’.

  1. J’ai mal ________ tête. (la tête)
  2. Elle a mal ________ dos. (le dos)
  3. Tu as mal ________ dents ? (les dents)
  4. Il a mal ________ estomac. (l’estomac)
  5. Nous avons mal ________ pieds. (les pieds)
  6. J’ai mal ________ oreille gauche. (l’oreille)
  7. Elle a mal ________ genou. (le genou)
  8. Ils ont mal ________ gorge. (la gorge)

Tip: controleer eerst het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Leaulaà lalesauxl’à l’.

Oefening 2

Modale werkwoorden — Vervoeging

Vul de correcte vorm van het werkwoord tussen haakjes in.

  1. Tu ________ prendre ce médicament. (devoir)
  2. Je ________ pas venir à l’école aujourd’hui. (pouvoir — ontkennend)
  3. Nous ________ aller chez le médecin. (vouloir)
  4. Vous ________ vous reposer. (devoir)
  5. Ils ________ faire du sport. (pouvoir)
  6. Elle ________ manger une pomme. (vouloir)
  7. On ________ boire assez d’eau. (devoir)
  8. Vous ________ venir demain ? (pouvoir — vraagzin)

Oefening 3

Gezondheidsadvies — Il faut / il ne faut pas

Maak zinnen met il faut of il ne faut pas op basis van de aanwijzing.

  1. Advies om voldoende te slapen: ________
  2. Verbod op te veel snoep eten: ________
  3. Advies om elke dag te bewegen: ________
  4. Verbod op voor het slapengaan op je telefoon kijken: ________
  5. Advies om regelmatig water te drinken: ________
  6. Schrijf nu twee eigen adviezen met on devrait: ________

Gebruik de adviezen uit sectie 6 als woordenschat-hulp.

Oefening 4

Gevoelens — Koppelen

Koppel elke situatie aan de passende emotie uit de lijst: content(e), déçu(e), stressé(e), surpris(e), fier/fière, nerveux/nerveuse.

  1. Je hebt een 8 gehaald op je toets Frans. Je bent ________.
  2. Je hebt een grote toets morgen en je bent nog niet klaar. Je bent ________.
  3. Je vriend geeft je een onverwacht cadeau. Je bent ________.
  4. Je hebt een wedstrijd verloren die je wilde winnen. Je bent ________.
  5. Je gaat voor het eerst spreken in de klas. Je bent ________.
  6. Je ouders zeggen dat je mag meegaan op schoolreis. Je bent ________.

Oefening 5

Begrijpend lezen — La santé des jeunes

Beantwoord de volgende vragen over de tekst in sectie 8. Antwoord in volledige zinnen in het Frans.

  1. Combien d’heures de sommeil les experts recommandent-ils aux jeunes ?
  2. Quel pourcentage d’adolescents belges fait assez de sport ?
  3. Qu’est-ce que le temps d’écran excessif provoque comme problèmes ?
  4. Pourquoi le petit-déjeuner est-il important pour les jeunes ?
  5. Qu’est-ce qu’on devrait faire pour rester en bonne santé ? Cite trois conseils du texte.

Oefening 6

Schrijfoefening — Chez le médecin

Schrijf een kort gesprek (8–10 beurten) tussen een patiënt en een dokter. Gebruik de structuren uit dit hoofdstuk.

  • De patiënt beschrijft minstens twee klachten met avoir mal à of se sentir.
  • De dokter stelt minstens één vraag (Depuis quand ? / Est-ce que… ?).
  • De dokter geeft minstens twee adviezen met vous devez + infinitif.
  • De patiënt stelt één vraag met est-ce que je peux ?
  • Eindig met een beleefde afsluiting.

Tip: gebruik het gesprek in sectie 5 als model. Wees creatief met de klachten — kies iets anders dan in het voorbeeld!

Samenvatting — Ce que tu as appris