Frans  ·  1A  ·  Eerste graad

Hoofdstuk 8
La mode

Kleding, winkelen, bijvoeglijke naamwoorden en vergelijkingen

Stel je voor …

Samedi matin. Je winkelstraat bruist van leven. In de etalage van een kledingzaak hangt een rode jurk — la plus belle robe de la saison, zegt het bord ernaast. Maar is ze mooier dan de blauwe? En is ze te duur? Je gaat naar binnen, en de verkoopster zegt: « Bonjour, je peux vous aider ?»

In dit hoofdstuk leer je praten over kleding, kleuren en stoffen. Je leert bijvoeglijke naamwoorden vervoegen en vergelijkingen maken. Aan het einde kun je een outfit beschrijven én een gesprek voeren in een Franstalige kledingzaak.

1

Les vêtements

Hieronder vind je de meest gebruikte kledingstukken in het Frans. Let goed op het lidwoord: un/une (onbepaald) of des (meervoud). Dat lidwoord vertelt je meteen het geslacht van het woord.

Woordenschat Les vêtements — kledingstukken
un t-shirteen t-shirt
une chemiseeen (over)hemd
un pantaloneen broek
un jeaneen spijkerbroek
une jupeeen rok
une robeeen jurk
un pulleen trui
un manteaueen jas (lang)
une vesteeen jasje / vest
un blousoneen korte jas
des chaussuresschoenen
des basketssneakers
des chaussettessokken
un chapeaueen hoed
une écharpeeen sjaal
des gantshandschoenen
un sac à doseen rugzak
des lunetteseen bril

Let op: des chaussures, des baskets, des chaussettes en des gants worden altijd in het meervoud gebruikt, net als in het Nederlands.

💡 Denkvraag

Kijk naar je eigen kleding van vandaag. Kun je elk kledingstuk al benoemen in het Frans? Probeer een volledige zin te maken: Je porte un jean et un pull bleu.

2

Les couleurs et les matières

Om een outfit te beschrijven heb je kleuren en stoffen nodig. Kleuren zijn bijvoeglijke naamwoorden en passen zich meestal aan aan het zelfstandig naamwoord (meer hierover in sectie 3). Stoffen gebruik je met de voorzetsel en.

Woordenschat Les couleurs — kleuren
rougerood (onveranderlijk)
bleu / bleueblauw
vert / vertegroen
jaunegeel (onveranderlijk)
orangeoranje (onveranderlijk)
violet / violettepaars
roseroze (onveranderlijk)
blanc / blanchewit
noir / noirezwart
gris / grisegrijs
marronbruin (onveranderlijk)
beigebeige (onveranderlijk)

Onveranderlijke kleuren: marron en orange veranderen nooit van vorm, ook niet in het vrouwelijk of meervoud: des chaussures orange, une veste marron. Ook kleuren die afgeleid zijn van zelfstandige naamwoorden (zoals rose, beige) zijn in de praktijk onveranderlijk.

Woordenschat Les matières — stoffen
en cotonvan katoen
en lainevan wol
en cuirvan leer
en soievan zijde
en synthétiquevan synthetisch materiaal

Gebruik en + stof om materiaal aan te geven: un pull en laine (een wollen trui), des chaussures en cuir (lederen schoenen).

3

Les adjectifs : accord et place

Bijvoeglijke naamwoorden in het Frans passen hun vorm aan aan het zelfstandig naamwoord waarmee ze verbonden zijn. Er zijn twee dingen om op te letten: het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het getal (enkelvoud of meervoud). Bovendien staat een bijvoeglijk naamwoord in het Frans meestal na het zelfstandig naamwoord.

Grammatica Accord des adjectifs — verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden

Basisregel: voeg -e toe voor vrouwelijk, -s voor meervoud, -es voor vrouwelijk meervoud.

Geslacht / getal Mannelijk Vrouwelijk
Enkelvoud un jean bleu une jupe bleue
Meervoud des jeans bleus des jupes bleues

Onregelmatige vormen — let op deze vormen, ze komen vaak voor bij kleding:

Basisvorm (m. enkv.) Vrouwelijk enkv. M. meervoud V. meervoud
beau belle beaux belles
nouveau nouvelle nouveaux nouvelles
vieux vieille vieux vieilles
blanc blanche blancs blanches
violet violette violets violettes

Positie van het bijvoeglijk naamwoord: de meeste bijvoeglijke naamwoorden staan na het zelfstandig naamwoord. Er zijn echter een aantal veelgebruikte bijvoeglijke naamwoorden die vóór het zelfstandig naamwoord staan. Deze groep heet de BAGS-adjectieven:

B eauty  •  A ge  •  G oodness  •  S ize

CategorieVoorbeelden
Beauty (schoonheid)beau/belle, joli/jolie, laid/laide
Age (leeftijd)vieux/vieille, nouveau/nouvelle, ancien/ancienne, jeune
Goodness (kwaliteit)bon/bonne, mauvais/mauvaise, meilleur/meilleure
Size (grootte)grand/grande, petit/petite, gros/grosse, long/longue

Voorbeelden met kleding:

une belle robe (een mooie jurk — vóór het zelfstandig naamwoord)
un t-shirt rouge (een rood t-shirt — na het zelfstandig naamwoord)
un vieux manteau gris (een oude grijze jas — vieux ervoor, gris erna)

💡 Denkvraag

Vertaal: « een nieuw wit hemd » en « mooie zwarte schoenen ». Welke bijvoeglijke naamwoorden staan vóór, welke erna? Controleer met de BAGS-lijst.

4

Le comparatif

Met de vergrotende trap (le comparatif) vergelijk je twee zaken met elkaar. In het Frans gebruik je drie vaste constructies, afhankelijk van of je meer, minder of even veel wilt uitdrukken.

Grammatica Le comparatif — de vergrotende trap
Type vergelijkingConstructieVoorbeeld
Meer dan plus + adj + que Cette robe est plus chère que le jean.
Minder dan moins + adj + que Le t-shirt est moins cher que la veste.
Even … als aussi + adj + que Ce pull est aussi chaud que le manteau.

Het bijvoeglijk naamwoord in de vergelijking past zich gewoon aan aan het onderwerp van de zin:

Cette jupe est plus longue que la robe. (longue: vrouwelijk)
Ces chaussures sont moins chères que les baskets. (chères: vrouwelijk meervoud)

Onregelmatige vormen:

Bijvoeglijk naamwoordVergelijkende trap
bon / bonne (goed)meilleur / meilleure (beter) — niet plus bon
mauvais / mauvaise (slecht)pire (slechter) of plus mauvais

Meer voorbeelden met kleding en winkelen:

Ce blouson est meilleur que l’ancien modèle. (Dit jack is beter dan het oude model.)
La qualité de cette chemise est pire que celle du magasin d’en face. (De kwaliteit is slechter.)
Ce pull en laine est plus chaud que le pull en synthétique.

5

Le superlatif

De overtreffende trap (le superlatif) gebruik je om te zeggen dat iets het meest of het minst is van een groep. Je voegt het bepaald lidwoord le / la / les toe vóór de vergelijkende constructie.

Grammatica Le superlatif — de overtreffende trap
TypeConstructieVoorbeeld
Het meest … le / la / les plus + adj C’est la robe la plus chère.
Het minst … le / la / les moins + adj C’est le t-shirt le moins cher.

Positie van de superlatief: als het bijvoeglijk naamwoord normaal na het zelfstandig naamwoord staat, staat de superlatief óók erna (met herhaling van het lidwoord):

le/la/les + zelfstandig naamwoord + le/la/les + plus/moins + adj

la robe la plus chère (de duurste jurk)
le t-shirt le moins cher (het goedkoopste t-shirt)
les chaussures les plus confortables (de comfortabelste schoenen)

Als het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord staat (BAGS), staat de superlatief er ook vóór:

la plus belle robe (de mooiste jurk)
le plus grand magasin (de grootste winkel)

Onregelmatige superlatieven:
bon → le meilleur / la meilleure (de beste)
mauvais → le pire / la pire (de slechtste)

6

Faire du shopping

Als je in een Franstalige kledingzaak staat, heb je de juiste zinnen nodig om een gesprek te voeren: vragen naar je maat, een andere kleur, de prijs — en hoe je beleefd aangeeft dat je het artikel toch niet neemt.

Woordenschat & uitdrukkingen Faire du shopping — winkelen
Je cherche…Ik zoek…
Quelle taille ?Welke maat?
Je fais du…Ik draag maat…
Vous avez ça en… ?Heeft u dat in…?
Je peux l’essayer ?Mag ik het passen?
Ça me va ?Staat het mij?
Ça me va bien.Het staat mij goed.
C’est trop grand.Het is te groot.
C’est trop petit.Het is te klein.
C’est trop cher.Het is te duur.
Je le prends.Ik neem het.
Je vais réfléchir.Ik ga er over nadenken.
La caisse, c’est où ?Waar is de kassa?
Vous payez comment ?Hoe betaalt u?
Par carte, s’il vous plaît.Met kaart, alstublieft.
En espèces.Cash.

In winkels gebruik je vous (beleefdheidsvorm) om de verkoopster of verkoper aan te spreken. Gebruik tu alleen als je iemand goed kent.

Dialogue dans un magasin de vêtements

Gesprek Dans une boutique — In een kledingzaak
Vendeuse Bonjour ! Je peux vous aider ?
Lucas Bonjour. Oui, je cherche un pull pour l’hiver. Quelque chose en laine, si possible.
Vendeuse Bien sûr. Vous faites quelle taille ?
Lucas Je fais du M, normalement.
Vendeuse Alors, j’ai ce pull bleu marine en laine — c’est notre nouveau modèle. Et voilà un pull gris, plus classique.
Lucas Ils coûtent combien ?
Vendeuse Le bleu coûte quarante-cinq euros, et le gris trente-neuf euros.
Lucas Je peux essayer le bleu ?
Vendeuse Bien sûr ! Les cabines d’essayage sont là-bas, à droite.
Lucas (na het passen) Ça me va bien, mais c’est un peu cher… Vous avez ça en promotion ?
Vendeuse Non, pas encore. Les soldes commencent le dix janvier.
Lucas Alors, je prends le gris. C’est moins cher et aussi chaud.
Vendeuse Excellent choix ! Vous payez comment ?
Lucas Par carte, s’il vous plaît. La caisse, c’est où ?
Vendeuse C’est ici. Voilà, bonne journée !
Lucas Merci, vous aussi !
7

Les soldes et les prix

Culturele noot

In Frankrijk en België zijn de soldes (solden) een vast onderdeel van het shoppingjaar. Ze beginnen twee keer per jaar op een vaste datum: les soldes de janvier (januari) en les soldes de juillet (juli). In Frankrijk duurt elke periode officieel vier weken en wordt de datum wettelijk vastgelegd door de overheid. Winkels mogen dan echt de prijs verlagen — niet alleen een nep-promotie aanbieden. Voor de Belgische consument vallen de solden in dezelfde periode, maar de regelgeving verschilt licht.

Tijdens de solden zoeken shoppers naar de meilleures affaires (beste koopjes). Het eerste weekend is altijd het drukste: mensen staan soms uren in de rij voor de deuren van grote winkels zoals H&M of Zara.

Woordenschat Les prix et les promotions — prijzen en kortingen
C’est combien ?Hoeveel kost het?
Ça coûte… euros.Het kost… euro.
C’est (pas) cher.Het is (niet) duur.
C’est bon marché.Het is goedkoop.
une promotioneen aanbieding
une réductioneen korting
les soldes (m. pl.)de solden
une affaireeen koopje
le prixde prijs
gratuit / gratuitegratis
50 % de réduction50% korting
la cabine d’essayagehet pashokje
8

Tekst : La mode belge

Lees de tekst hieronder aandachtig. Beantwoord daarna de begripsvragen.

Leestekst La mode belge — une créativité reconnue dans le monde entier

La Belgique est un petit pays, mais dans le monde de la mode, elle occupe une place importante. Depuis les années 1980, des créateurs belges ont révolutionné la mode internationale. Le groupe le plus célèbre est celui des « Six d’Anvers » (de Antwerpse Zes): six étudiants de l’Académie royale des Beaux-Arts d’Anvers, qui ont présenté leurs collections à Londres en 1987. Parmi eux se trouvait Dries Van Noten, aujourd’hui l’un des créateurs les plus influents du monde.

La ville d’Anvers est toujours considérée comme la capitale belge de la mode. On y trouve de nombreuses boutiques de créateurs, comme le magasin Het Modepaleis de Dries Van Noten. Chaque année, la ville organise la Dmode Week, une semaine dédiée à la mode, avec des expositions, des défilés et des ateliers ouverts au public.

Mais la mode, ce n’est pas seulement pour les créateurs professionnels. Dans les écoles belges, il y a un débat intéressant sur l’uniforme scolaire. Certains élèves pensent qu’un uniforme est la meilleure solution: tout le monde est égal, et on ne doit pas choisir chaque matin ce qu’on porte. D’autres trouvent que les vêtements sont une forme d’expression personnelle — une façon de montrer qui on est. Pour eux, porter un uniforme, c’est la pire idée possible.

Qu’en pensez-vous ?

Begripsvragen
  1. Waarom zijn « les Six d’Anvers » belangrijk voor de Belgische mode? Noem twee feiten uit de tekst.
  2. Welke stad wordt in de tekst beschreven als de Belgische modehoofdstad? Welk bewijs geeft de tekst daarvoor?
  3. Wat zijn de twee standpunten over het schooluniform die in de tekst worden genoemd? Vat elk standpunt samen in één Nederlandse zin.
  4. Zoek in de tekst twee superlativen (overtreffende trap). Schrijf ze op en vertaal ze.
  5. Wat is jouw mening over het schooluniform? Schrijf twee Franse zinnen met je argument.

Oefeningen

Oefening 1

Verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden bij kleding

Schrijf de volledige zin opnieuw en zet het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in de juiste vorm.

  1. Elle porte une robe ___. (vert)
  2. Il a un vieux manteau ___. (gris)
  3. Ce sont des chaussures ___. (blanc)
  4. J’aime cette ___ veste ___. (nouveau / rouge)
  5. Il porte des baskets ___. (noir)
  6. C’est une ___ chemise ___. (beau / violet)
  7. Elle a des écharpes ___. (orange) — let op: onveranderlijk!
  8. C’est un pantalon ___. (marron) — let op: onveranderlijk!

Tip: controleer voor elk bijvoeglijk naamwoord: is het een BAGS-adjectief? Staat het voor of na het zelfstandig naamwoord?

Oefening 2

Comparatif — zinnen maken

Maak een vergelijkende zin met de gegeven elementen. Gebruik plus … que, moins … que of aussi … que.

  1. la robe / cher (+) / le jean → ___
  2. les baskets / confortable (+) / les chaussures en cuir → ___
  3. ce pull / chaud (=) / ce manteau → ___
  4. le t-shirt / cher (−) / la veste → ___
  5. cette chemise / beau (+) / l’ancienne → (gebruik de onregelmatige vorm!)

Vergeet niet dat het bijvoeglijk naamwoord in de comparatif moet overeenstemmen met het onderwerp van de zin.

Oefening 3

Winkeldialoog aanvullen

Vul het gesprek aan met de juiste zin uit het kader. Niet alle zinnen worden gebruikt.

Kader: Je fais du S. / C’est trop grand. / Vous avez ça en rouge ? / Je le prends. / La caisse, c’est où ? / Ça me va bien. / Je vais réfléchir. / C’est combien ?

  1. Vendeur : Vous faites quelle taille ?
    Cliente : ___ (1)
  2. Vendeur : Voilà un t-shirt blanc en taille S.
    Cliente : Il est beau, mais … ___ (2) Vous avez ça en bleu ?
  3. Vendeur : Oui, voici le même en bleu.
    Cliente : ___ (3) — 25 euros, c’est le prix.
  4. Cliente : C’est raisonnable. ___ (4)
    Vendeur : Parfait ! La caisse est là-bas.

Oefening 4

Een outfit beschrijven

Kijk naar de omschrijving hieronder en schrijf in het Frans een beschrijving van de outfit. Gebruik minimaal vier bijvoeglijke naamwoorden in de correcte vorm.

  • Een nieuw wit hemd (mannelijk)
  • Een donkerblauwe broek (bleu foncé = donkerblauw)
  • Zwarte leren schoenen
  • Een grijze wollen sjaal

Begin zo: Il porte une nouvelle chemise blanche…

Tip: gebruik et of avec om de kledingstukken aan elkaar te koppelen.

Oefening 5

Begripstoets op de leestekst

Beantwoord de begripsvragen bij de tekst La mode belge (sectie 8) in volledige zinnen. Schrijf voor vraag 5 je mening in het Frans.

  1. Wanneer en waar maakten « les Six d’Anvers » zich bekend?
  2. Noem twee dingen die Antwerpen doet om de mode te promoten.
  3. Schrijf de twee superlativen die je gevonden hebt op (zie begripsvraag 4 bij de tekst).
  4. Schrijf in twee Franse zinnen jouw standpunt over het schooluniform. Gebruik een superlatief of vergrotende trap.

Oefening 6

Schrijftaak : Mon style

Schrijf een kort tekst van 8 tot 10 zinnen in het Frans over jouw kledingstijl. Gebruik de onderstaande structuur als leidraad.

  • Introduceer jezelf en je stijl: En général, je porte…
  • Beschrijf je favoriete kledingstuk: kleur, stof, merk (optioneel)
  • Vergelijk twee kledingstukken die je hebt: gebruik een comparatief
  • Beschrijf je ideale outfit: gebruik bijvoeglijke naamwoorden in de juiste vorm
  • Geef je mening over mode: Je pense que la mode est…

Woordenschat nodig? Gebruik de woordenschatkaders in dit hoofdstuk. Controleer de verbuiging van elk bijvoeglijk naamwoord.

Samenvatting