Sporten, hobby’s en vrijetijdsactiviteiten — en plannen maken met de futur proche
Het is vrijdagmiddag. Thomas stuurt een berichtje naar zijn vriendin Amélie: « Salut ! Tu veux faire quelque chose ce week-end ? » Amélie antwoordt: « Bonne idée ! Je vais regarder le match samedi, mais dimanche on peut aller au cinéma. »
In één klein gesprekje gebruiken ze al drie dingen die jij in dit hoofdstuk leert: vrijetijdsvocabulaire, uitnodigingszinnen, en de futur proche — de meest gebruikte manier om in het Frans over de toekomst te praten.
Sport is een populair gespreksonderwerp in het Frans. Je leert niet alleen de namen van sporten, maar ook hoe je ze correct gebruikt in een zin. In het Frans zijn er twee werkwoorden om over sport te praten: jouer à en faire de. De keuze hangt af van het soort sport.
Onthoud: Gebruik jouer à voor teamsporten en sporten met een bal (football, basketball, tennis, volleyball, handball). Gebruik faire de voor alle andere sporten en activiteiten (natation, cyclisme, ski, judo, danse …). Zie sectie 3 voor de volledige grammaticaregel.
Welke sporten doe jij zelf? Welk Frans woord hoort daarbij? Kun je al zeggen: « Je joue au … » of « Je fais de la … »?
Naast sport zijn er natuurlijk veel andere manieren om je vrije tijd door te brengen. Onderstaande lijst geeft je een breed repertoire aan hobby’s en activiteiten.
Let op: jouer aux jeux vidéo gebruikt aux (= à + les) — dit is de samentrekking voor meervoud. Je zegt dus niet « jouer à les jeux vidéo ».
Sommige van deze werkwoorden zijn direct te gebruiken als infinitief na aimer, adorer of préférer: J’aime lire. / Elle adore cuisiner. / Ils préfèrent regarder des séries.
Dit is een klassieke struikelblok in het Frans. De keuze tussen jouer à en faire de is niet willekeurig: er zit een logica achter. Eens je de regel kent, maak je nooit meer fouten.
JOUER À gebruik je voor:
FAIRE DE gebruik je voor:
Samentrekkingen — dit zijn verplicht, geen optie:
| Lidwoord | Jouer à + ... | Faire de + ... |
|---|---|---|
| le (mannelijk) | jouer au football | faire du judo |
| la (vrouwelijk) | jouer à la pétanque | faire de la natation |
| l’ (klinker) | jouer à l’échecs | faire de l’athlétisme |
| les (meervoud) | jouer aux jeux vidéo | faire des promenades |
Vul in: Elle joue ___ volleyball. / Il fait ___ ski. / Nous jouons ___ échecs. / Je fais ___ natation. Controleer je antwoorden met de tabel hierboven.
De futur proche (nabije toekomst) is de meest gebruikte manier om over plannen en intenties te praten in het Frans. Je gebruikt hem voor dingen die binnenkort gaan gebeuren, of die je van plan bent te doen. De constructie is verrassend eenvoudig.
Formule: aller (geconjugeerd in de tegenwoordige tijd) + infinitief
Je moet dus eerst het werkwoord aller correct vervoegen, en dan de infinitief van het hoofdwerkwoord er gewoon achter zetten.
| Persoon | Aller (huidig) | Futur proche | Vertaling |
|---|---|---|---|
| je | vais | je vais jouer | ik ga spelen |
| tu | vas | tu vas regarder | jij gaat kijken |
| il / elle / on | va | il va faire | hij gaat doen |
| nous | allons | nous allons partir | wij gaan vertrekken |
| vous | allez | vous allez manger | jullie gaan eten |
| ils / elles | vont | ils vont danser | zij gaan dansen |
Ontkenning: ne … pas omsluit het werkwoord aller: Je ne vais pas jouer. — Ik ga niet spelen.
Tijdsaanduidingen die vaak samen met de futur proche voorkomen:
De futur proche is ook hoe Fransen spontaan plannen maken in gesprekken: « On va manger quelque chose ? » — « Oui, bonne idée ! »
Om iemand uit te nodigen of je eigen plannen te uiten heb je een aantal vaste zinstructuren nodig. Leer ze als bouwstenen — ze zijn heel nuttig in elke echte conversatie.
Tu veux + infinitief? — Wil jij …? (informeel)
On va + infinitief? — Zullen we …? / Gaan we …? (informeel)
Allons + infinitief ! — Kom, laten we …! (aansporing)
Je voudrais + infinitief — Ik zou graag … (beleefd)
On pourrait + infinitief — We zouden kunnen … (voorstel)
C’est une bonne idée ! — Goed idee!
D’accord / OK / Super ! — Akkoord / OK / Geweldig!
Désolé(e), je ne peux pas. — Sorry, ik kan niet.
Let op hoe Maxime en Clara afwisselend de futur proche gebruiken (je vais faire, on va jouer, on va aller, va être) en uitnodigingszinnen (Tu veux venir ? / Allons voir ! / Tu viens aussi ?). Dit zijn de echte bouwstenen van een Frans gesprek over vrije tijd.
Een groot deel van onze vrije tijd speelt zich tegenwoordig online af. Ook in het Frans heb je de nodige woorden nodig om over schermtijd en digitale hobby’s te praten.
In het Frans worden veel Engelse technologietermen overgenomen, soms licht aangepast: un podcast, streamer, poster. Andere termen zijn typisch Frans: les réseaux sociaux (letterlijk: de sociale netwerken).
Je kunt deze woorden direct combineren met de futur proche: Ce soir, je vais regarder une série sur Netflix. / Demain, elle va écouter un podcast français pour pratiquer.
Lees de onderstaande informatieve tekst aandachtig. Let op de vaktermen en op de manier waarop feiten worden geformuleerd.
La Belgique est un petit pays, mais dans le monde du sport, elle occupe une place importante. Les Belges sont passionnés de sport, aussi bien comme spectateurs que comme participants actifs.
Le cyclisme est sans doute le sport le plus populaire en Belgique. Le Tour des Flandres (De Ronde van Vlaanderen), qui se dispute chaque année au début du mois d’avril, est l’une des plus grandes classiques mondiales. Des millions de spectateurs s’installent le long des routes pour encourager les coureurs. Des champions comme Eddy Merckx, Roger De Vlaeminck et, plus récemment, Wout van Aert et Remco Evenepoel ont rendu la Belgique célèbre dans le peloton international.
Le football est un autre sport très suivi. L’équipe nationale, surnommée les Red Devils, a connu de grands succès ces dernières années. Des joueurs comme Kevin De Bruyne et Romelu Lukaku sont connus dans le monde entier. Chaque match des Red Devils est un événement national.
La natation belge est également en plein essor grâce à des athlètes comme Pieter Timmers et les nageurs de BelSwim, la fédération belge de natation. Aux Jeux olympiques et aux Championnats du monde, les nageurs belges ont remporté de nombreuses médailles.
Mais le sport en Belgique, ce n’est pas seulement les professionnels. Des milliers de clubs sportifs accueillent des jeunes de tous âges. Le gouvernement flamand et la Communauté française investissent dans les infrastructures sportives pour encourager la pratique sportive chez les jeunes. Le message est clair : « Bougez plus, vivez mieux ! »
Om een echte conversatie te voeren over vrijetijdsactiviteiten moet je ook je mening en voorkeur kunnen uitdrukken. Hier leer je de meest gebruikte structuren.
Gebruik C’est + adjectief om iets te evalueren. Het adjectief verandert niet van vorm in deze constructie: C’est super ! geldt voor alles — een film, een sport, een activiteit.
À mon avis, le football, c’est passionnant. — Naar mijn mening is voetbal boeiend.
Je trouve que la natation, c’est fatigant mais sympa. — Ik vind zwemmen vermoeiend maar leuk.
Je pense que les jeux vidéo, c’est un peu ennuyeux. — Ik denk dat videospelletjes een beetje saai zijn.
J’adore lire, c’est super intéressant. — Ik ben dol op lezen, het is heel interessant.
Schrijf drie zinnen over je eigen vrije tijdsactiviteiten. Gebruik telkens een ander opiniewoord: à mon avis, je trouve que, c’est + adjectief.
Le sport, c’est la santé. Mais les loisirs, c’est la vie.
Oefening 1
Jouer à of faire de — Vul in
Vul de correcte samentrekking in: au / à la / à l’ / aux / du / de la / de l’ / des.
Tip: controleer het lidwoord van de sport (le / la / l’ / les) en pas de samentrekking toe.
Oefening 2
Le futur proche — Schrijf de juiste vorm
Zet de zinnen in de futur proche. Voeg ook een tijdsaanduiding toe.
Onthoud: aller (vervoegd) + infinitief. Ontkenning: ne + aller + pas + infinitief.
Oefening 3
Sportvocabulaire — Koppel sport aan categorie
Schrijf elk van de volgende sporten in de juiste kolom: jouer à of faire de.
le football — la natation — le tennis — le judo — le basketball — le cyclisme — le volleyball — la danse — le handball — la gymnastique — l’athlétisme — le ski
Schrijf daarna voor elke categorie twee volledige zinnen in de tegenwoordige tijd en twee in de futur proche.
Oefening 4
Dialogue — Schrijf een uitnodigingsgesprek
Schrijf een dialoog van minstens 8 regels tussen twee vrienden die een weekendactiviteit plannen. Gebruik:
Gebruik het dialoogmodel uit sectie 5 als voorbeeld.
Oefening 5
Begrip — Tekst « Le sport en Belgique »
Beantwoord de begripsvragen bij de tekst in sectie 7. Schrijf je antwoorden in volledige Franse zinnen.
Oefening 6
Mijn vrije tijd — Persoonlijke tekst
Schrijf een korte tekst van 8–10 zinnen over jouw vrije tijd. Gebruik:
Begin bijvoorbeeld met: Dans mon temps libre, j’aime… of Le week-end, je joue…