Praten over je dagelijkse routine, reflexieve werkwoorden en de ontkenning
Elke dag doe je dezelfde dingen, maar hoe zeg je dat in het Frans? Je staat op, je wast je, je gaat naar school — simpele handelingen, maar cruciaal om over je leven te kunnen praten. In dit hoofdstuk leer je de reflexieve werkwoorden die je nodig hebt om je dag te beschrijven, en ontdek je hoe je frequentie en ontkenning uitdrukt in het Frans.
Na dit hoofdstuk kun jij vertellen hoe jouw typische schooldag eruitziet — en begrijp je ook wanneer een Franssprekende vriend hetzelfde doet.
Om je dagelijkse routine te beschrijven, heb je twee soorten woorden nodig: de dagelijkse handelingen (wat je doet) en de tijdsuitdrukkingen (wanneer je het doet). Leer ze samen zodat je meteen volledige zinnen kunt maken.
Schrijf je eigen ochtend op in het Frans met de tijdsuitdrukkingen d'abord, ensuite, puis en enfin. Gebruik minstens vier activiteiten.
Een reflexief werkwoord (un verbe pronominal) is een werkwoord waarbij de handeling terugvalt op het onderwerp: de persoon doet iets met zichzelf. In het Frans herken je ze aan het voornaamwoord se vóór de infinitief: se lever, se laver, s'habiller.
Bij het vervoegen verander je se in het juiste reflexieve voornaamwoord dat past bij het onderwerp.
| Onderwerp | Refl. vnw. | Vorm | Betekenis |
|---|---|---|---|
| je | me | je me lève | ik sta op |
| tu | te | tu te lèves | jij staat op |
| il / elle / on | se | il/elle se lève | hij/zij staat op |
| nous | nous | nous nous levons | wij staan op |
| vous | vous | vous vous levez | u/jullie staat/staan op |
| ils / elles | se | ils/elles se lèvent | zij staan op |
Let op de klemtoonverschuiving: in lever krijgen de vormen met een stille stam een accent grave op de e: je me lève, tu te lèves, il se lève, ils se lèvent. De nous- en vous-vormen houden de gewone e zonder accent: nous levons, vous levez.
Elisie — wanneer het reflexieve voornaamwoord vóór een klinker of stomme h staat, vervalt de klinker:
Andere veelgebruikte reflexieve werkwoorden volgen hetzelfde patroon. Oefen ze door telkens het reflexieve voornaamwoord aan te passen aan het onderwerp.
Vier werkwoorden komen zo vaak voor in het Frans dat je ze uit het hoofd moet kennen: aller, faire, prendre en venir. Ze zijn onregelmatig — hun vormen volgen geen vast patroon — maar juist daarom zijn ze zo belangrijk. Je gebruikt ze elke dag.
Samengestelde werkwoorden volgen hetzelfde patroon als het basiswerkwoord: comprendre (begrijpen) vervoegt als prendre; revenir (terugkomen) en devenir (worden) als venir.
Om te zeggen hoe vaak je iets doet, gebruik je frequentiebijwoorden. Ze staan in het Frans na het werkwoord — dat is anders dan in het Nederlands, waar ze ook vóór het werkwoord kunnen staan.
Het frequentiebijwoord staat na het vervoegde werkwoord:
In het Frans omring je het vervoegde werkwoord met twee woorden om een zin negatief te maken. Het eerste woord is bijna altijd ne (of n' vóór een klinker of stomme h), het tweede woord geeft de aard van de ontkenning aan.
| Ontkenning | Betekenis | Voorbeeldzin | Vertaling |
|---|---|---|---|
| ne…pas | niet | Je ne me lève pas tôt. | Ik sta niet vroeg op. |
| ne…jamais | nooit | Il ne fait jamais ses devoirs. | Hij maakt nooit zijn huiswerk. |
| ne…plus | niet meer | Elle ne prend plus le bus. | Ze neemt de bus niet meer. |
| ne…rien | niets | Je ne mange rien le matin. | Ik eet niets 's ochtends. |
Schema:
Elisie van ne: vóór een klinker of stomme h wordt ne tot n':
Reflexieve werkwoorden + ontkenning: de ontkenning staat rondom het reflexieve voornaamwoord + werkwoord als geheel:
Gesproken Frans: in informele, gesproken taal laat men het ne heel vaak weg. Je zult dus horen: Je sais pas, C'est pas vrai, Il fait jamais ses devoirs. In schrijftaal en op school gebruik je altijd het volledige ne…
Lees de tekst aandachtig. Let op de reflexieve werkwoorden, de onregelmatige werkwoorden en de tijdsuitdrukkingen. Beantwoord daarna de begripsvragen.
Thomas habite à Liège, en Belgique. Il a treize ans et il va au collège Saint-Laurent. Voici sa journée typique.
Le matin, Thomas se réveille à six heures et demie. Il ne se lève pas tout de suite — il reste cinq minutes dans son lit. Ensuite, il se lève et il va dans la salle de bains. Il se douche rapidement et il se brosse les dents. Puis il s'habille : il met son pantalon noir et son pull bleu.
Après, Thomas prend le petit-déjeuner avec sa famille. Il mange des tartines avec du beurre et il boit un grand verre de jus d'orange. Son père prend toujours un café, mais Thomas ne boit jamais de café — il trouve ça trop amer.
À sept heures vingt, il part de chez lui. Il va à l'école en bus avec son ami Mehdi. Le trajet dure environ vingt minutes. Ils parlent souvent de football pendant le trajet.
L'après-midi, Thomas rentre chez lui à seize heures. Il fait d'abord ses devoirs pendant une heure. Il ne regarde pas la télé avant de finir ses devoirs — sa mère ne l'accepte pas. Ensuite il dîne avec sa famille. Le soir, il se couche généralement à vingt-deux heures. Il s'endort vite parce qu'il est toujours fatigué après sa longue journée.
Lees het gesprek hardop met een klasgenoot. Let op hoe de leerlingen over hun ochtend praten met reflexieve werkwoorden en frequentiebijwoorden.
Let op: Moi non plus = ik ook niet (bevestiging van een negatieve zin). — Moi aussi = ik ook (bevestiging van een positieve zin).
Hoe kom jij naar school? In het Frans gebruik je het voorzetsel à voor verplaatsingen te voet of per fiets, en en voor vervoermiddelen met een motor. Eén uitzondering: en taxi maar à vélo.
La routine n’est pas l’ennemi de la liberté — c’est ce qui nous libère pour les choses importantes.
Oefening 1
Vervoeg de reflexieve werkwoorden
Vul het juiste reflexieve voornaamwoord in en vervoeg het werkwoord.
Tip: pas de elisie toe wanneer het werkwoord begint met een klinker of stomme h: je m'habille, il s'endort.
Oefening 2
Frequentiebijwoorden invullen
Kies het juiste frequentiebijwoord (toujours, souvent, parfois, rarement, jamais) op basis van het percentage.
Oefening 3
Zinnen in de ontkenning zetten
Maak de zinnen negatief met de ontkenning tussen haakjes.
Tip: bij reflexieve werkwoorden staat de ontkenning rondom het geheel van reflexief voornaamwoord + werkwoord.
Oefening 4
Dagactiviteiten in de juiste volgorde
Zet de volgende activiteiten in een logische chronologische volgorde voor een schooldag. Schrijf ook de bijbehorende tijdsuitdrukking (d'abord, ensuite, puis, enfin) erbij.
Schrijf de volgorde op als volledige zinnen met je als onderwerp, bv. D'abord, je me réveille…
Oefening 5
Begripsvragen bij de tekst
Beantwoord de volgende vragen over « La journée de Thomas » in volledige Franse zinnen.
Oefening 6
Beschrijf je eigen dagelijkse routine
Schrijf een tekst van 8 tot 10 zinnen over jouw typische schooldag. Gebruik:
Begin zo: Le matin, je me réveille à [uur]… Je mag ook het model van Thomas volgen als inspiratie.