Frans  ·  1A  ·  Eerste graad

Hoofdstuk 2
Ma famille et moi

Je familie beschrijven in het Frans: namen, bezittelijke voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden

Mise en situation …

Emma zit op haar nieuwe school in Luik. Haar nieuwe vriendin Chloé vraagt: « Tu as des frères et sœurs ?» Emma wil antwoorden, maar ze weet niet goed hoe. Ze kent wel de woorden voor ‘broer’ en ‘zus’ in het Frans, maar hoe zeg je nu ‘mijn broer’ of ‘jouw zus’? En hoe beschrijf je iemand — is hij lang of klein, blond of donker, grappig of serieus?

In dit hoofdstuk leer je precies dat: hoe je jouw familie voorstelt en beschrijft in het Frans. Je leert de familiewoorden, de bezittelijke voornaamwoorden, beschrijvende bijvoeglijke naamwoorden en hoe je die allemaal in correcte zinnen gebruikt.

1

La famille — De familie

In het Frans heeft bijna elk familielid een mannelijke en een vrouwelijke vorm. Let goed op het lidwoord: le voor mannelijk, la voor vrouwelijk, les voor meervoud. Voor een klinker gebruik je l’.

Woordenschat — Les membres de la famille
le père de vader
la mère de moeder
le frère de broer
la sœur de zus
les parents de ouders
le grand-père de grootvader
la grand-mère de grootmoeder
les grands-parents de grootouders
l’oncle de oom
la tante de tante
le cousin de neef (van oom/tante)
la cousine de nicht (van oom/tante)
le fils de zoon
la fille de dochter
le mari de man (echtgenoot)
la femme de vrouw (echtgenote)
le beau-père de stiefvader / schoonvader
la belle-mère de stiefmoeder / schoonmoeder
💡
Let op Geslachtsparen

Veel familiewoorden bestaan in paren: le père / la mère, le frère / la sœur, le fils / la fille, le cousin / la cousine. Leer ze steeds als paar. Het woord les parents betekent ‘de ouders’ (niet ‘de verwanten’ in het algemeen).

In het Frans kun je ook de stamboom van een bekende familie bespreken. Hier zijn een paar handige zinnen:

💡 Denkvraag

Teken een kleine stamboom van jouw familie (echt of verzonnen). Schrijf bij elk persoon de Franse naam van de familierelatie. Probeer minstens zes verschillende termen te gebruiken.

2

Les adjectifs possessifs — Bezittelijke voornaamwoorden

Om te zeggen van wie iemand of iets is, gebruik je in het Frans een bezittelijk voornaamwoord (adjectif possessif). De allerbelangrijkste regel: het bezittelijk voornaamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord dat erop volgt, niet aan de bezitter.

Grammatica

Les adjectifs possessifs — volledig overzicht

Persoon Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud Meervoud
je (ik) mon ma mes
tu (jij) ton ta tes
il/elle (hij/zij) son sa ses
nous (wij) notre notre nos
vous (jullie/u) votre votre vos
ils/elles (zij meervoud) leur leur leurs

Voorbeelden: mon père (mijn vader, mannelijk) — ma mère (mijn moeder, vrouwelijk) — mes parents (mijn ouders, meervoud).
son frère kan betekenen: zijn broer én haar broer — het hangt af van de context!

⚠️
Speciale regel Mon amie — niet: ma amie

Vóór een zelfstandig naamwoord dat begint met een klinker of stomme h, gebruik je altijd de mannelijke vorm (mon, ton, son), ook al is het naamwoord vrouwelijk. Zo vermijd je twee klinkers na elkaar. Voorbeelden: mon amie (mijn vriendin), ton école (jouw school), son histoire (zijn/haar verhaal).

Vergelijk de volgende zinnen om de regel goed te begrijpen:

3

Décrire une personne — Iemand beschrijven

Om een persoon te beschrijven gebruik je bijvoeglijke naamwoorden (adjectifs). In het Frans staan die bijna altijd na het zelfstandig naamwoord. Bovendien passen ze zich aan in geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en getal (enkelvoud/meervoud).

Uiterlijke beschrijving

Woordenschat — L’apparence physique
grand / grande groot
petit / petite klein
mince slank
gros / grosse dik / groot van stuk
blond / blonde blond
brun / brune donkerharig / brunette
roux / rousse roodharig
les yeux bleus blauwe ogen
les yeux verts groene ogen
les yeux marron bruine ogen

Karakter en persoonlijkheid

Woordenschat — La personnalité
sympa aardig, sympathiek
gentil / gentille lief, vriendelijk
timide verlegen
drôle grappig
sérieux / sérieuse serieus
bavard / bavarde spraakzaam, praatgraag
courageux / courageuse moedig, dapper
intelligent / intelligente intelligent, slim
Grammatica

De plaats en verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord

Regel 1 — Plaats: In het Frans staat het bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord (in tegenstelling tot het Nederlands).

un frère sympa — een aardige broer  |  une sœur intelligente — een slimme zus

Regel 2 — Verbuiging: Het bijvoeglijk naamwoord past zich aan het zelfstandig naamwoord aan:

Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud
grand grand grande grands grandes
petit petit petite petits petites
sérieux sérieux sérieuse sérieux sérieuses
sympa sympa sympa sympa(s) sympa(s)

Let op: sympa is onveranderlijk; marron (kleur) is ook onveranderlijk als bijvoeglijk naamwoord.

4

Les verbes en -ER — Werkwoorden op -ER

De meeste Franse werkwoorden eindigen op -ER in de infinitief. Ze volgen allemaal hetzelfde regelmatige patroon in de tegenwoordige tijd (le présent). Zodra je dit patroon kent, kun je honderden werkwoorden vervoegen.

Grammatica

Vervoegingspatroon: -ER werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Stap 1: verwijder de uitgang -er van de infinitief → stam. Stap 2: voeg de persoonsvorm toe.

Persoon Uitgang habiter (wonen) aimer (houden van)
je -e j’habite j’aime
tu -es tu habites tu aimes
il / elle -e il/elle habite il/elle aime
nous -ons nous habitons nous aimons
vous -ez vous habitez vous aimez
ils / elles -ent ils/elles habitent ils/elles aiment

Uitspraakregel: De uitgangen -e, -es en -ent zijn stom (je hoort ze niet). Dat betekent dat j’habite, tu habites, il habite en ils habitent allemaal hetzelfde klinken: [a•bit].

Andere veelgebruikte -ER werkwoorden die nuttig zijn om je familie te beschrijven:

5

C’est / Il est — Dat is / Hij is

Een veelgemaakte fout is het door elkaar gebruiken van c’est en il est (of elle est). Er is een duidelijk verschil in gebruik.

Grammatica

C’est vs. Il est / Elle est

Gebruik Structuur Voorbeeld
C’est + naam of zelfstandig naamwoord (met lidwoord) c’est + (lidwoord) + zn C’est mon père. — Dat is mijn vader.
C’est Lucas. — Dat is Lucas.
Il/Elle est + bijvoeglijk naamwoord (zonder lidwoord) il/elle est + bijv. nw. Il est grand. — Hij is groot.
Elle est sympa. — Ze is aardig.
Il/Elle est + beroep (zonder lidwoord) il/elle est + beroep Il est médecin. — Hij is dokter.
Elle est professeur. — Ze is lerares.

Meervoud: ce sont mes parents — dat zijn mijn ouders  |  ils sont grands — ze zijn groot.

Oefen met deze zinnen over familieleden:

6

Tekst: Une famille belge

Lees de tekst hieronder aandachtig. Besteed aandacht aan de bezittelijke voornaamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden. Beantwoord daarna de vraag onderaan.

Leestekst — Beschrijving Une famille belge Niveau A1–A2  ·  Vocabulaire: famille, descriptions

Je m’appelle Camille et j’habite à Namur, en Belgique. Ma famille est petite mais sympa. Mon père s’appelle Thomas. Il est grand et brun. Il est professeur dans un collège.

Ma mère s’appelle Sophie. Elle est petite et blonde. Elle adore lire et cuisiner. Mes parents travaillent beaucoup, mais le week-end, nous regardons des films ensemble.

J’ai un frère. Il s’appelle Mathieu et il a quinze ans. Mon frère est drôle et sportif. Il joue au football avec ses amis tous les samedis. Moi, je préfère la musique.

Mes grands-parents habitent à Liège. Mon grand-père s’appelle Fernand. Il est vieux mais très actif. Ma grand-mère s’appelle Yvette. Elle est petite, gentille et bavarde. Nous visitons nos grands-parents tous les dimanches.

J’ai aussi une tante qui s’appelle Céline. C’est la sœur de mon père. Elle a deux enfants: mon cousin Hugo et ma cousine Léa. Hugo est timide, mais Léa est très courageuse et sérieuse. J’adore ma famille !

Welke relatie heeft Camille met Hugo en Léa? Hoe oud is Mathieu? Beschrijf de vader van Camille in het Frans in één zin.
Tekst geschreven voor Frans 1A  ·  Niveau A1–A2  ·  Thema: La famille
📚
Nieuwe woorden in de tekst Extra woordenschat

lire — lezen  |  cuisiner — koken  |  ensemble — samen  |  sportif/sportive — sportief  |  actif/active — actief  |  vieux/vieille — oud  |  visiter — bezoeken

7

Gesprek: Parler de sa famille

Luister naar (of lees) dit gesprek tussen drie leerlingen: Emma, Chloé en Noah. Let op hoe ze bezittelijke voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden gebruiken. De vetgedrukte Franse woorden zijn sleutelwoorden uit dit hoofdstuk.

Dialoog — Entre amis, au collège
Chloé: Emma, tu as des frères et sœurs ?
Emma: Oui, j’ai une sœur. Elle s’appelle Lucie. Elle est petite et blonde, comme moi. Et toi ?
Chloé: Moi, je suis fille unique. Mais j’ai deux cousins: mon cousin Jules et ma cousine Inès. Jules est très drôle, et Inès est super sympa.
Noah: Et vos parents, ils font quoi comme métier ?
Emma: Mon père est médecin et ma mère travaille dans une école. Elle est institutrice. Et tes parents, Noah ?
Noah: Mon père est informaticien et ma mère est architecte. Ils travaillent beaucoup. Mes grands-parents habitent avec nous. Ma grand-mère est très gentille — elle cuisine tous les jours !
Chloé: C’est cool ! Mes grands-parents habitent loin, à Marseille. Je les vois seulement pendant les vacances. Mon grand-père est grand et sérieux, mais ma grand-mère est très bavarde — j’adore écouter ses histoires !
Emma: Et ton beau-père, il est sympa ?
Noah: Oui, mon beau-père est super ! Il est drôle et courageux. Il joue de la guitare le soir. J’aime beaucoup ma famille !
💡 Oefenvraag

Schrijf een kort gesprekje (4–6 regels) met een klasgenoot over jouw familie. Gebruik minstens vier bezittelijke voornaamwoorden en twee bijvoeglijke naamwoorden.

La famille, c’est le premier mot que l’on apprend à prononcer — et le dernier que l’on oublie.

Frans 1A  ·  Hoofdstuk 2  ·  Ma famille et moi

Oefeningen

Oefening 1

Les adjectifs possessifs — Vul in

Vul het juiste bezittelijk voornaamwoord in (mon, ma, mes, ton, ta, tes, son, sa, ses, notre, nos, leur, leurs). Let op het geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord.

  1. C’est ……… père. (van mij, vader)
  2. C’est ……… mère. (van hem, moeder)
  3. Ce sont ……… grands-parents. (van ons, grootouders)
  4. C’est ……… oncle. (van jou, oom)
  5. Ce sont ……… cousines. (van hen, nichten)
  6. C’est ……… amie. (van mij, vriendin — let op de klinker!)
  7. C’est ……… belle-mère. (van hem, stiefmoeder)
  8. Ce sont ……… enfants. (van jullie, kinderen)

Tip: controleer eerst of het woord mannelijk of vrouwelijk is, daarna of het met een klinker begint.

Oefening 2

L’accord de l’adjectif — Bijvoeglijk naamwoord verbuigen

Schrijf de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord. Pas aan voor geslacht (m/v) en getal (enkelvoud/meervoud).

  1. Mon frère est ……… (grand).
  2. Ma sœur est ……… (petit).
  3. Mes parents sont ……… (sérieux).
  4. Ma tante est ……… (drôle).
  5. Mon cousin est ……… (timide).
  6. Mes cousines sont ……… (bavard).
  7. Ma grand-mère est ……… (gentil).
  8. Mon père est ……… (courageux).

Tip: onthoud dat vrouwelijke vormen vaak een extra -e krijgen, en meervouden een extra -s (tenzij het woord al op -s eindigt).

Oefening 3

Décrire une photo de famille — Modeltekst schrijven

Schrijf een beschrijving van een (echte of verzonnen) familiefoto. Gebruik het model hieronder als richtlijn. Schrijf minstens 6 zinnen.

Model: Sur cette photo, il y a ma famille. Mon père s’appelle … Il est … et … Ma mère s’appelle … Elle est … J’ai [un frère / une sœur / …]. Il/Elle s’appelle … et il/elle est … Mes parents travaillent / habitent … J’adore ma famille parce que …

Tip: gebruik minstens drie bezittelijke voornaamwoorden en vier bijvoeglijke naamwoorden in je tekst.

Oefening 4

La famille — Woordenschat koppelen

Koppel de Franse familieterm (kolom A) aan de correcte Nederlandse vertaling (kolom B). Schrijf de letter naast het cijfer.

Kolom A

  1. le beau-père
  2. la cousine
  3. les grands-parents
  4. le fils
  5. la belle-mère
  6. la tante
  7. le mari
  8. la femme

Kolom B

  1. de echtgenote
  2. de nicht
  3. de stiefmoeder
  4. de tante
  5. de zoon
  6. de stiefvader
  7. de echtgenoot
  8. de grootouders

Oefening 5

Les verbes en -ER — Vervoeg de werkwoorden

Vervoeg het werkwoord tussen haakjes in de tegenwoordige tijd (présent).

  1. Mon père ……… dans une banque. (travailler)
  2. Ma sœur ……… de la musique. (écouter)
  3. Nous ……… à Bruxelles. (habiter)
  4. Tu ……… le français ? (parler)
  5. Mes cousins ……… le football. (adorer)
  6. Vous ……… des films le soir. (regarder)

Tip: verwijder eerst -er van de infinitief om de stam te krijgen. Voeg dan de juiste uitgang toe: -e / -es / -e / -ons / -ez / -ent.

Oefening 6

Begripscontrole — Tekst « Une famille belge »

Beantwoord de vragen over de tekst in sectie 6. Antwoord in volledige Franse zinnen waar mogelijk.

  1. Où habite Camille ? (Waar woont Camille?)
  2. Comment est le père de Camille ? Donne deux caractéristiques. (Beschrijf de vader met twee kenmerken.)
  3. Qu’est-ce que la mère de Camille adore faire ? (Wat doet de moeder graag?)
  4. Quel est le caractère de Mathieu ? (Hoe is Mathieu van karakter?)
  5. Quelle est la relation entre Céline et le père de Camille ? (Wat is de relatie tussen Céline en Camilles vader?)
  6. Compare Hugo et Léa : comment sont-ils ? (Vergelijk Hugo en Léa qua karakter.)

Tip: herlees de tekst aandachtig. Onderstreep de zinnen die het antwoord bevatten vóór je begint met schrijven.

Samenvatting — Ce que tu as appris