Nawoord  ·  Engels Eerste Graad A-stroom

Op weg naar het examen

1

Examenstructuur

Je hebt alle twaalf eenheden doorlopen. Nu is het tijd om alles samen te brengen en je voor te bereiden op het examen.

Zo ziet het examen eruit

1 Spreekopdracht (thuis)

Monoloog, op te nemen thuis, in te dienen vóór het digitale examen.

2 Digitaal examen (150 minuten, Brussel)

Lezen, luisteren, schrijven. Je mag spellingcontrole en digitaal woordenboek gebruiken.

3 Mondeling gesprek (10 minuten)

Na het digitale examen. 15 minuten voorbereiding voor 2 opdrachten.

Weging

Onderdeel Gewicht Eenheden
Lezen 30% H11 + alle leesoefeningen
Luisteren 30% H11 + extra oefening
Schrijven 8% H12 + H4, H8, H9, H10
Schriftelijke interactie 8% H12 + alle dialoogoefeningen
Spreken 8% H12 + H1, H5, H7
Mondelinge interactie 1 8% H12 + alle gespreksoefeningen
Mondelinge interactie 2 8% H12 + alle gespreksoefeningen
Lezen en luisteren zijn samen goed voor 60% van je punten. Besteed hier de meeste studietijd aan.
2

Checklist per eenheid

Kan je alles afvinken? Dan ben je klaar voor het examen.

H1 — Hello! Who Are You?

Ik kan mezelf voorstellen in het Engels (naam, leeftijd, nationaliteit, familie)
Ik vervoeg to be correct (am/is/are + ontkenning + vraag)
Ik gebruik persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden correct
Ik weet wanneer ik a, an of the gebruik
Ik beheers de begroetingsformules (Hi, Nice to meet you, Goodbye...)

H2 — My Day at School

Ik vervoeg present simple correct (ook 3e persoon enkelvoud: works, goes, studies)
Ik maak ontkennende zinnen (don’t/doesn’t + infinitive)
Ik stel vragen met do/does
Ik gebruik frequentieadverbia op de juiste plaats
Ik kan de klok lezen en zeggen in het Engels

H3 — Appearance and Health

Ik ken de lichaamsdelen (incl. onregelmatige meervouden: feet, teeth)
Ik vervoeg have got correct (affirmative, negative, question)
Ik plaats bijvoeglijke naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord
Ik vorm de vergrotende trap (−er / more)
Ik vorm de overtreffende trap (the −est / the most)

H4 — Food and Home

Ik gebruik there is / there are correct (incl. ontkenning en vraag)
Ik weet het verschil tussen some en any
Ik herken telbare en ontelbare zelfstandige naamwoorden
Ik gebruik voorzetsels van plaats correct (in, on, under, next to...)
Ik kan een maaltijd bestellen in een restaurant

H5 — Free Time and Hobbies

Ik vervoeg present continuous correct (am/is/are + −ing)
Ik ken de spellingregels voor −ing (make→making, swim→swimming)
Ik ken stative verbs die NOOIT in continuous staan (know, like, want...)
Ik gebruik can/can’t correct voor bekwaamheid
Ik gebruik would like to voor beleefde wensen

H6 — Numbers, Time and Shopping

Ik ken hoofd- en rangtelwoorden (one/first, two/second...)
Ik gebruik at/on/in correct bij tijdsaanduidingen
Ik gebruik modale werkwoorden (must, should, can, would like)
Ik kan een winkeldialoog voeren in het Engels
Ik weet dat modale werkwoorden nooit van vorm veranderen

H7 — Jobs and the World

Ik gebruik a/an voor beroepen (I am a teacher)
Ik schrijf nationaliteiten en talen met hoofdletter
Ik gebruik this/that/these/those correct
Ik ken het verschil tussen bezittelijke determiners en voornaamwoorden (my vs mine)
Ik gebruik voegwoorden: and, but, so, because, when, although

H8 — Travel and Transport

Ik vervoeg was/were correct (past simple van to be)
Ik vorm de past simple van regelmatige werkwoorden (−ed)
Ik ken de spellingregels voor −ed (arrive→arrived, stop→stopped, study→studied)
Ik gebruik didn’t + infinitive voor ontkenning in past simple
Ik gebruik tijdsaanduidingen: yesterday, last week, ago, in + year

H9 — Stories from the Past

Ik ken de 40 belangrijkste onregelmatige werkwoorden van buiten
Ik gebruik did/didn’t + INFINITIVE (niet −ed) voor vragen en ontkenningen
Ik stel vragen in de verleden tijd (What/Where/When did...?)
Ik schrijf een verhaal met chronologische volgorde en verbindingswoorden
Ik ken verhaalelementen: begin/midden/einde, personages, setting

H10 — The Future and Our World

Ik gebruik will + infinitive voor spontane beslissingen, beloften, voorspellingen
Ik gebruik going to + infinitive voor concrete plannen en voorspellingen op basis van bewijs
Ik weet het verschil tussen will en going to
Ik kan mijn mening geven (I think, in my opinion, I believe...)
Ik gebruik vraagwoorden correct (who, what, where, when, why, how, how many...)

H11 — Reading and Listening

Ik herken de 5 teksttypes (informatief, opiniërend, prescriptief, narratief, literair)
Ik kan het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst bepalen
Ik gebruik leesstrategie: oriënteren, teksttype, context
Ik gebruik luisterstrategie: structuuraanduiders, sleutelwoorden
Ik kan de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context

H12 — Writing, Speaking and Interaction

Ik schrijf een tekst met inleiding, midden en slot
Ik gebruik gevarieerde verbindingswoorden
Ik schrijf een informele e-mail correct (begroeting, body, afsluiting)
Ik kan een monoloog structureren en uitspreken
Ik kan een gesprek beginnen, gaande houden en afronden
3

Grammaticaoverzicht

Een referentietabel van alle grammaticastructuren die in dit boek aan bod komen.

Grammatica Structuur Eenheid
To beam/is/are + not; Am/Is/Are + ?H1
Persoonlijke vnw.I, you, he, she, it, we, theyH1
Bezittelijke det.my, your, his, her, its, our, theirH1, H7
Lidwoordena/an/the/—H1
Present simpleworks/goes/studies; don’t/doesn’t; Do/Does?H2
Frequentieadverbiaalways, usually, often, sometimes, neverH2
Have got’ve got / ’s got / haven’t / hasn’tH3
Bijvoeglijke naamwoordencomparative (−er/more) / superlative (the −est/most)H3
There is / There areThere’s a... / There are... / Is there...?H4
Some / Anysome (affirm.) / any (neg./vraag)H4
Present continuousam/is/are + −ing; am not/isn’t/aren’tH5
Can / Can’tcan + infinitive; can’t; Can...?H5
Ordinal numbersfirst, second, third...H6
At/On/In (tijd)at (klok), on (dag/datum), in (maand/jaar)H6
Modal verbsmust/mustn’t, should/shouldn’t, can, would likeH6
Demonstratieve det.this/that/these/thoseH7
Voegwoordenand, but, or, so, because, when, if, althoughH7
Past simple: to bewas (I/he/she/it) / were (you/we/they)H8
Past simple: regelmatigverb + −ed; didn’t + inf.; Did...?H8
Past simple: onregelmatiggo→went, see→saw, buy→bought...H9
Future simple (will)will + inf.; won’t; Will...?H10
Going toam/is/are going to + inf.H10
Interrogatieve vnw.who, what, where, when, why, how (many/much/long/far)H10
4

Woordenschatoverzicht per thema

Persoonlijke gegevens & Familie
  • name — naam
  • age — leeftijd
  • nationality — nationaliteit
  • address — adres
  • birthday — verjaardag
  • family — familie
  • parents — ouders
  • brother — broer
  • sister — zus
  • friend — vriend/vriendin
  • only child — enig kind
  • twin — tweeling
  • grandparents — grootouders
  • husband / wife — man / vrouw
  • neighbour — buur
Dagelijkse bezigheden & School
  • wake up — wakker worden
  • get dressed — je aankleden
  • have breakfast — ontbijten
  • go to school — naar school gaan
  • lesson — les
  • homework — huiswerk
  • timetable — uurrooster
  • subject — vak
  • break — pauze
  • canteen — kantine
  • classmate — klasgenoot
  • teacher — leerkracht
  • exam — examen
  • mark / grade — punt / cijfer
  • library — bibliotheek
Lichaam, gezondheid & kleding
  • head — hoofd
  • shoulder — schouder
  • arm — arm
  • hand — hand
  • leg — been
  • foot / feet — voet / voeten
  • tooth / teeth — tand / tanden
  • headache — hoofdpijn
  • cold — verkoudheid
  • shirt — hemd
  • trousers — broek
  • jacket — jasje
  • trainers — sportschoenen
  • glasses — bril
  • hat — hoed
Eten, wonen & voorwerpen
  • bread — brood
  • fruit — fruit
  • vegetables — groenten
  • chicken — kip
  • water — water
  • kitchen — keuken
  • bedroom — slaapkamer
  • living room — woonkamer
  • fridge — koelkast
  • window — raam
  • table — tafel
  • chair — stoel
  • menu — menu
  • bill — rekening
  • waiter — ober
Vrije tijd & technologie
  • hobby — hobby
  • sport — sport
  • music — muziek
  • film — film
  • game — spel
  • internet — internet
  • smartphone — smartphone
  • social media — sociale media
  • video call — videogesprek
  • download — downloaden
  • channel — kanaal / zender
  • concert — concert
  • match — wedstrijd
  • team — team
  • practice — oefenen
Getallen, tijd & winkelen
  • o’clock — uur (exact)
  • half past — half
  • quarter to/past — kwart voor/over
  • morning — ochtend
  • afternoon — namiddag
  • evening — avond
  • week — week
  • month — maand
  • price — prijs
  • size — maat
  • receipt — kassabon
  • shop / store — winkel
  • sale — uitverkoop
  • cash — contant geld
  • change — wisselgeld
Beroepen & landen
  • doctor — dokter
  • nurse — verpleegkundige
  • teacher — leerkracht
  • engineer — ingenieur
  • police officer — politieagent
  • chef — kok
  • journalist — journalist
  • lawyer — advocaat
  • Belgium — België
  • France — Frankrijk
  • Germany — Duitsland
  • Spain — Spanje
  • United Kingdom — Verenigd Koninkrijk
  • United States — Verenigde Staten
  • capital — hoofdstad
Reizen & transport
  • train — trein
  • bus — bus
  • plane — vliegtuig
  • car — auto
  • bicycle — fiets
  • station — station
  • airport — luchthaven
  • ticket — ticket
  • passport — paspoort
  • suitcase — koffer
  • hotel — hotel
  • map — kaart
  • journey — reis
  • platform — perron
  • delay — vertraging
Verleden & verhalen — Top 20 onregelmatige werkwoorden
  • go → went — gaan
  • come → came — komen
  • see → saw — zien
  • say → said — zeggen
  • get → got — krijgen/worden
  • make → made — maken
  • know → knew — weten/kennen
  • think → thought — denken
  • take → took — nemen
  • give → gave — geven
  • find → found — vinden
  • tell → told — vertellen
  • become → became — worden
  • leave → left — vertrekken
  • feel → felt — voelen
  • put → put — leggen/zetten
  • bring → brought — brengen
  • begin → began — beginnen
  • write → wrote — schrijven
  • run → ran — lopen/rennen
Toekomst, weer & meningen
  • weather — weer
  • sunny — zonnig
  • cloudy — bewolkt
  • rain — regen
  • snow — sneeuw
  • temperature — temperatuur
  • forecast — weersvoorspelling
  • environment — milieu
  • future — toekomst
  • opinion — mening
  • agree — akkoord zijn
  • disagree — niet akkoord zijn
  • solution — oplossing
  • problem — probleem
  • change — verandering
5

Onregelmatige werkwoorden referentie

De 40 onregelmatige werkwoorden uit H9. Ken ze van buiten.

Infinitive Past Dutch Example
bewas / werezijnShe was happy.
becomebecamewordenHe became a doctor.
beginbeganbeginnenThe film began late.
breakbrokebrekenI broke my arm.
bringbroughtbrengenShe brought a gift.
buildbuiltbouwenThey built a house.
buyboughtkopenWe bought tickets.
comecamekomenHe came home early.
dodiddoenShe did her homework.
drinkdrankdrinkenWe drank water.
drivedroverijdenDad drove to work.
eatateetenThey ate pasta.
fallfellvallenHe fell off his bike.
feelfeltvoelenI felt tired.
findfoundvindenShe found her keys.
getgotkrijgen / wordenI got a letter.
givegavegevenHe gave me a book.
gowentgaanWe went to the park.
growgrewgroeienThe plant grew fast.
havehadhebbenShe had a cold.
hearheardhorenI heard a noise.
knowknewweten / kennenHe knew the answer.
leaveleftvertrekkenShe left at eight.
loselostverliezenWe lost the game.
makemademakenHe made a cake.
meetmetontmoetenI met her yesterday.
putputleggen / zettenShe put the bag down.
readread*lezenHe read the article.
runranlopen / rennenShe ran to school.
saysaidzeggenHe said goodbye.
seesawzienI saw a rainbow.
sendsentsturenShe sent an email.
singsangzingenThey sang a song.
sitsatzittenHe sat next to me.
sleepsleptslapenI slept well.
speakspokesprekenShe spoke English.
taketooknemenHe took the bus.
telltoldvertellenShe told a story.
thinkthoughtdenkenI thought it was fun.
writewroteschrijvenHe wrote a letter.

* read wordt in de verleden tijd hetzelfde gespeld maar anders uitgesproken: /rεd/ (als “red”).

6

Top 10 Examentips

Lees en luister elke dag — 15 minuten per dag BBC Learning English of een Engelstalig YouTube-kanaal is meer waard dan 2 uur een dag voor het examen.
Oefen onregelmatige werkwoorden in groepjes — go–went, know–knew, grow–grew. Flashcards of een app helpen.
Gebruik het digitale woordenboek slim — Zoek alleen woorden op die écht noodzakelijk zijn. Je hebt niet de tijd voor elk onbekend woord.
Schrijf de spreekopdracht vroeg — Bereid je monoloog minstens een week voor het examen voor. Oefen het hardop, niet alleen in je hoofd.
Ken de teksttypes — Als je het teksttype herkent (informatief, opiniërend...), weet je meteen welke strategie je moet gebruiken.
Gebruik verbindingswoorden gevarieerd — Niet alleen ‘and’ en ‘but’, maar ook ‘however’, ‘because’, ‘in addition’, ‘as a result’.
Schrijf de structuur voor je schrijft — Intro / midden / slot. Noteer 3 sleutelwoorden per deel voor je begint.
Bij het gesprek: geef altijd een reactie — Zeg nooit gewoon ‘yes’ of ‘no’. Voeg altijd iets toe: ‘Yes, and I also think that...’
Ken je sterktes en zwaktes — Lezen is 30%. Als je daar zwak in bent, besteed er meer tijd aan dan aan schrijven (8%).
Fouten zijn oké — Het examen meet communicatie, niet perfectie. Ga altijd voor een volledige, heldere boodschap, zelfs als je grammaticafouten maakt.