Engels is de meest gesproken taal ter wereld als je native speakers en niet-native speakers samenrekent. Het is de internationale taal van wetenschap, technologie, sport, muziek, film en business. Wetenschappers uit Japan, Brazilië en Duitsland schrijven hun onderzoek in het Engels. Piloten en luchtverkeersleiders communiceren wereldwijd in het Engels. Technologiebedrijven publiceren hun documentatie in het Engels. Wie Engels spreekt, kan met bijna iedereen ter wereld communiceren.
Engelstalige cultuur — uit het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Australië en vele andere landen — beïnvloedt dagelijks onze eigen cultuur. De series die je streamt, de muziek die je luistert, de games die je speelt, de memes die je deelt: ze zijn voor een groot deel afkomstig uit of beïnvloed door Engelstalige cultuur. Sociale media zijn grotendeels Engelstalig. Wie die taal begrijpt, heeft toegang tot een veel rijker aanbod aan informatie, entertainment en gemeenschappen.
In dit vak werk je naar het niveau ERK A2 toe. Dat betekent dat je leert om korte, eenvoudige gesprekken te voeren over vertrouwde onderwerpen, dat je eenvoudige teksten begrijpt, en dat je jezelf en je omgeving kunt beschrijven. A2 is geen einddoel — het is een stap op weg naar een leven lang taalvaardigheid.
Een lingua franca is een taal die mensen met verschillende moedertalen gebruiken om met elkaar te communiceren. Engels is vandaag de voornaamste lingua franca ter wereld.
Hoe weet je hoe goed je een taal spreekt? Daar heeft Europa een systeem voor bedacht: het Europees Referentiekader voor Talen, afgekort ERK (of in het Engels: CEFR). Het ERK beschrijft zes niveaus, van A1 (absolute beginner) tot C2 (bijna moedertaalspreker). Elk niveau omschrijft precies wat je kunt begrijpen, zeggen, lezen en schrijven.
Het voordeel van het ERK is dat het voor alle Europese talen geldt. Of je nu Engels, Frans, Duits of Spaans leert: de niveaus zijn overal hetzelfde. Een A2-certificaat in het Engels betekent hetzelfde als een A2-certificaat in het Frans.
| Niveau | Omschrijving | Vaardigheidsniveau |
|---|---|---|
| A1 | Beginner | Je begrijpt en gebruikt heel eenvoudige uitdrukkingen |
| A2 ← jij! | Basisgebruiker | Je begrijpt eenvoudige zinnen over vertrouwde onderwerpen |
| B1 | Zelfstandig gebruiker | Je kunt de hoofdpunten begrijpen van duidelijke standaardteksten |
| B2 | Gevorderd | Je begrijpt de hoofdinhoud van complexe teksten |
| C1 | Gevorderd / Proficient | Je begrijpt een breed scala van langere teksten |
| C2 | Mastery | Je begrijpt bijna alles wat je leest of hoort |
Welk ERK-niveau denk je nu al te hebben? Probeer eerlijk te zijn: wat kun je al zeggen, begrijpen of lezen in het Engels? Bespreek dit met een klasgenoot.
Dit vak is opgebouwd rond drie grote pijlers: woordenschat, grammatica en vaardigheden. Ze versterken elkaar voortdurend: je leert woorden en grammatica zodat je vaardigheden kunt ontwikkelen, en door je vaardigheden te oefenen worden je woordenschat en grammatica sterker.
Dagelijks leven: familie, school, eten, reizen, beroepen… Op elk woordveld krijg je voldoende basiswoordenschat voor het examen.
Werkwoordstijden (present simple, past simple, future), woordsoorten, zinsbouw. Fouten zijn oké zolang je boodschap overkomt.
Lezen (30%), luisteren (30%), schrijven (8%), spreken en interactie (32%). Je leert strategieën om ook moeilijkere teksten aan te pakken.
In taalonderwijs is het verleidelijk om bang te zijn voor fouten. Maar fouten zijn de motor van taalverwerving. Elke fout die je maakt en begrijpt, brengt je een stap dichter bij de correcte vorm. Het doel van A2 is communicatieve vaardigheid: kunnen je boodschap overbrengen, de andere persoon begrijpen, en reageren. Perfecte grammatica is mooi, maar niet het hoofddoel op dit niveau.
Bovenstaande zin bevat een grammaticafout (go → went), maar de boodschap is volkomen duidelijk. Op A2-niveau is dit al een prima prestatie.
Het leermateriaal is opgebouwd in vier grote delen. Elk deel bouwt voort op het vorige: je begint bij jezelf en je directe omgeving, en breidt je horizon steeds verder uit naar de wereld om je heen.
Welk deel spreekt je het meest aan? En welk deel lijkt je het moeilijkst? Noteer je verwachtingen nu en vergelijk ze aan het einde van het jaar.
Het examen bestaat uit drie aparte onderdelen die elk een andere vaardigheid meten. Het is belangrijk om te weten hoe elk onderdeel werkt, zodat je je goed kunt voorbereiden.
Je bereidt een monoloog voor over een opgegeven onderwerp en neemt die op als audio- of videofragment. Je dient deze opname in vóór je digitale examen. Zo heb je thuis de tijd om je voor te bereiden en te oefenen zonder de stress van een live situatie.
Je maakt opdrachten voor lezen, luisteren en schrijven op een computer in een examencentrum in Brussel. Je mag een spellingcontrole en een digitaal woordenboek gebruiken. De 150 minuten zijn verdeeld over de drie vaardigheden; je mag je eigen tempo bepalen binnen de toegewezen tijd.
Na het digitale examen volgt een mondeling gesprek van 10 minuten met een examinator. Je krijgt 15 minuten voorbereidingstijd voor 2 opdrachten. Het gesprek toetst je spreekvaardigheid en je vermogen tot mondelinge interactie: reageren, vragen stellen, een mening geven.
| Onderdeel | Gewicht |
|---|---|
| Lezen | 30% |
| Luisteren | 30% |
| Schrijven | 8% |
| Schriftelijke interactie | 8% |
| Spreken | 8% |
| Mondelinge interactie 1 | 8% |
| Mondelinge interactie 2 | 8% |
The limits of my language mean the limits of my world.
Open je oren. We beginnen te praten.
Oefening 1
Het ERK in je eigen woorden
Verklaar in je eigen woorden wat ERK A2 betekent. Wat kun je op dat niveau? Wat kun je nog niet? Schrijf minimaal drie zinnen.
Oefening 2
Slimmer studeren
Op welke onderdelen zijn er de meeste punten te rapen? Bekijk de wegingtabel. Wat vertelt je dat over hoe je het best studeert en welke vaardigheden je het meest moet oefenen?
Tip: tel de gewichten samen per categorie (digitaal examen vs. mondeling) en denk na over welke studiestrategieën passen bij elk onderdeel.
Oefening 3
Engels in je dagelijks leven
Zoek drie situaties in je dagelijks leven waar je al Engels tegenkomt. Denk aan games, muziek, sociale media, series, websites, sportcommentaar… Beschrijf elk voorbeeld in één of twee zinnen: wat was het en wat verstond of begreep je er al van?
Oefening 4
Taal en cultuur
Waarom is het nuttig om een taal te leren van het land of de cultuur die ze spreekt? Geef minstens twee redenen en illustreer elke reden met een concreet voorbeeld uit de Engelstalige wereld (VK, VS, Australië, …).
Oefening 5
Wat kan ik al, wat wil ik leren?
Schrijf drie dingen die je al kunt in het Engels (zinnen, woorden, situaties) en drie dingen die je dit jaar nog wil leren. Wees zo concreet mogelijk: niet “beter spreken” maar “een gesprek voeren over mijn hobby’s”.
Bewaar je antwoord. Kijk er aan het einde van het jaar naar terug: hoeveel heb je van je wensenlijst bereikt?