Eenheid 11  ·  Lezen & Luisteren

Reading and Listening

1

Lezen en luisteren: Wat moet je kunnen?

Lezen en luisteren vormen samen maar liefst 60% van het examen Engels — elk onderdeel is goed voor 30%. Dat maakt van deze twee vaardigheden de zwaarst wegende pijlers van je eindscore. Het goede nieuws: je hoeft geen perfecte vertaling te maken of elk woord te kennen. Het gaat er om dat je de betekenis begrijpt.

Een A2-lezer en -luisteraar is iemand die de grote lijnen kan volgen, hoofdgedachten kan benoemen en gerichte vragen kan beantwoorden op basis van een tekst of audiofragment. Je gebruikt wat je al weet — over de wereld, over andere talen — om gaten in je begrip op te vullen. Dat is precies de vaardigheid die in dit hoofdstuk centraal staat.

De vijf competenties

1
Onderwerp bepalen

Je zegt in één of enkele woorden waarover een tekst gaat.

“Het gaat over een filmrecensie.”
2
Hoofdgedachte bepalen

Je vat in één zin de belangrijkste boodschap samen.

“Het meisje vindt deze film beter dan de eerste film uit de reeks.”
3
Hoofdpunten bepalen

Je somt alle inhoudelijke elementen op die de hoofdgedachte ondersteunen.

“De sterke punten van de film zijn de acteurs en de kostuums.”
4
Informatie selecteren

Je zoekt de specifieke informatie die de vraag vraagt, zonder de hele tekst opnieuw te lezen.

“De acteurs spelen cowboys in de film.”
5
Culturele aspecten identificeren

Je herkent gewoontes, waarden en normen van Engelstalige landen en kunt die situeren in hun context.

2

Teksttypes

Op het examen kom je verschillende soorten teksten en audiofragmenten tegen. Het is belangrijk dat je ze herkent, want elk teksttype vraagt een iets andere manier van lezen of luisteren. Een recept lees je anders dan een opiniestuk; een podcast luister je anders dan een instructiefilmpje.

Informatieve teksten

  • Wat: geven informatie over een onderwerp
  • Voorbeelden: krantenartikel, interview, stukje uit een leerboek, gesprek over een afspraak, encyclopedieartikel, weerbericht
  • Kenmerk: feiten, cijfers, data, uitleg
  • Signaalwoorden: according to, first, in addition, however, as a result

Opiniererende teksten

  • Wat: iemand geeft zijn/haar mening
  • Voorbeelden: opiniestuk, reactie op sociale media, brief naar de krant, discussie over een boek
  • Kenmerk: standpunt + argumenten; subjectief taalgebruik
  • Signaalwoorden: I think/believe, in my opinion, however, on the other hand, although

Prescriptieve teksten

  • Wat: leggen uit wat/hoe je iets moet doen
  • Voorbeelden: recept, instructiefilmpje, schoolreglement, handleiding
  • Kenmerk: gebiedende wijs (imperatives), stap-voor-stap
  • Signaalwoorden: first, then, next, finally; must/should; don’t forget to

Narratieve teksten

  • Wat: vertellen feiten en gebeurtenissen op een verhalende manier
  • Voorbeelden: videoblog, reisverslag, podcast, dagboek, short story
  • Kenmerk: chronologische volgorde, verleden tijd, persoonlijk
  • Signaalwoorden: first, then, after that, suddenly, in the end, last summer

Literaire teksten

  • Wat: esthetische waarde, inspelen op emoties
  • Voorbeelden: lied, gedicht, cartoon, strip, kortverhaal
  • Kenmerk: beeldspraak, ritme, emotie, interpretatie
  • Tip: bij literaire teksten mag je je eigen beleving verwoorden
3

Leesstrategie: Stap voor stap

Een goede leesstrategie helpt je om een tekst efficiënter te begrijpen, zelfs als je niet elk woord kent. Doorloop de volgende zeven stappen elke keer als je een Engelse tekst aanpakt.

1
Oriënteer jezelf
Kijk naar de titel, tussentitels, foto’s, grafieken. Stel jezelf de vraag: “Waar gaat dit over?”
2
Activeer voorkennis
Wat weet je al over dit onderwerp? Dit helpt je bij het begrijpen van de context.
3
Bepaal het teksttype
Is het informatief, opinierend, prescriptief, narratief of literair?
4
Lees de vragen eerst
Als je weet wat gevraagd wordt, kun je gericht lezen en je aandacht focussen op de juiste informatie.
5
Lees de tekst
Begrijp de hoofdgedachte. Onderstreep kernwoorden die relevant zijn voor de vragen.
6
Gebruik context
Ken je een woord niet? Kijk naar de context: de zin eromheen helpt je de betekenis af te leiden.
7
Controleer je antwoorden
Is je antwoord gebaseerd op de tekst? Is het volledig genoeg?
Paniekeer niet als je niet elk woord kent! Een A2-lezer begrijpt niet alles maar begrijpt de hoofdboodschap. Gebruik je kennis van andere talen (Frans, Nederlands) om woorden af te leiden.
4

Luisterstrategie

Het luisterexamen bevat audiofragmenten van native speakers die spreken aan een natuurlijk tempo. Je hoort accenten, samentrekkingen (gonna, wanna, I’ve) en informeel taalgebruik. Dat klinkt in het begin snel, maar met de juiste strategie kom je ver.

1
Kijk naar structuuraanduiders
Signaalwoorden helpen je de gedachtegang te volgen: first, then, however, finally, in conclusion.
2
Activeer voorkennis
Net als bij lezen: wat weet je al over het onderwerp? Gebruik dat kader om het fragment te plaatsen.
3
Gebruik de visuele context
Bij een video: let op gezichtsuitdrukkingen, gebaren, plaatjes. Ze geven extra informatie over de betekenis.
4
Let op intonatie
Is de spreker enthousiast, bezorgd, ironisch? De toon geeft informatie die niet altijd in de woorden zit.
5
Leid betekenis af
Onbekende woorden: begrijp je de context? Herken je woorddelen? Zijn er overeenkomsten met andere talen?
6
Concentreer je op sleutelwoorden
Niet elk woord is even belangrijk. Focus op zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden — die dragen de betekenis.
Als je iets gemist hebt, paniekeer dan niet. Luister verder — de rest van de tekst geeft vaak de informatie die je miste. Blijf gefocust op wat wel binnenkomt.
5

Oefentekst: Leesbegrip

Lees de onderstaande tekst aandachtig. Pas de leesstrategie uit sectie 3 toe. Beantwoord daarna de zes vragen. De antwoorden staan licht vermeld als zelfcheck.

A Day in the Life of a Young Chef

My name is Jamie and I’m seventeen years old. I live in London and I work part-time at my uncle’s restaurant on weekends. I want to be a professional chef one day.

On Saturday mornings, I wake up at 6 am and cycle to the restaurant. When I arrive, I help to prepare the vegetables and sauces. The head chef shows me new techniques every week.

Last Saturday, I made my first chocolate cake completely on my own. It was delicious! The customers loved it.

My favourite part of the job is creating new recipes. I often experiment at home in the evenings. My family says my food is getting better every month.

In the future, I want to open my own restaurant. I’m going to study at a cooking school in Paris next year. It’s my dream!

Tekst: oefentekst Engels 1A — A2-niveau

Begripsvragen

  1. What is Jamie’s job?
    Antwoord: Hij werkt part-time in het restaurant van zijn oom / hij is kok in opleiding.
  2. How does he travel to work?
    Antwoord: Hij fietst naar het restaurant (he cycles).
  3. What did he make last Saturday?
    Antwoord: Hij maakte zijn eerste chocoladetaart helemaal zelf.
  4. When does he experiment with recipes?
    Antwoord: 's Avonds thuis (in the evenings at home).
  5. What are his plans for next year?
    Antwoord: Hij gaat studeren op een kookschool in Parijs.
  6. What is his dream?
    Antwoord: Zijn eigen restaurant openen.
Tekstvaardigheid op het examen: je krijgt geen woordenboek voor het leesvaardigheidsgedeelte. Je mag wel een woordenboek gebruiken voor schrijftaken.
6

Wat een tekst bij jou oproept

Bij een verhaal, een lied of een gedicht hoef je niet elk woord te begrijpen om er iets bij te voelen. Een mooi lied kan je vrolijk maken, een spannend verhaal kan je hart sneller doen kloppen, en een grappige strip doet je lachen. Hier draait het niet om goed of fout — het gaat om jouw beleving. Wat raakt je? Wat vind je mooi, grappig of net een beetje eng?

Vertellen wat een tekst met je doet

Je mag in het Nederlands of in het Engels vertellen wat je voelt — en als woorden moeilijk zijn, mag je het ook tekenen of uitbeelden. Deze zinnetjes helpen je op weg:

My favourite part is… because… Mijn favoriete stukje is… omdat…
This song makes me feel happy / sad / excited. Dit liedje maakt me blij / verdrietig / opgewonden.
It reminds me of… Het doet me denken aan…

Jezelf herkennen in een personage

Soms lees je over iemand en denk je: “Hé, dat is net als ik!” Misschien is het personage even verlegen als jij, of houdt het van dezelfde dingen, of maakt het iets mee wat jij ook al meemaakte. Dat herkennen maakt een verhaal extra leuk om te lezen.

I am a bit like this character because… Ik lijk een beetje op dit personage omdat…
Something like this happened to me too, when… Iets dergelijks overkwam mij ook, toen…

Je gevoel tonen met een moodboard

Je hoeft je beleving niet altijd in woorden te gieten. Maak eens een moodboard bij een lied of gedicht: verzamel kleuren, plaatjes, woorden of voorwerpen die bij het gevoel passen. Een verdrietig nummer krijgt misschien donkerblauwe en grijze tinten met regen; een vrolijk nummer wordt geel met zon en ballonnen. Ook een tekening of een passend voorwerp mag je antwoord zijn.

Luister samen naar een Engels liedje dat jij leuk vindt. Vertel daarna welk stukje je het mooist of grappigst vindt en waarom. Maak er een kleine tekening of moodboard bij — dat zegt soms meer dan woorden.
7

Slimme trucs en handige hulpmiddelen

Als je zelf iets vertelt, schrijft of een gesprekje voert in het Engels, dan zijn er handige trucs die je verder helpen. Je hoeft niet alles te weten — je moet vooral durven proberen en slim gebruikmaken van wat je wel kunt.

Denk aan wie het leest of hoort

Voor je iets zegt of schrijft, denk je even na: voor wie is dit? Tegen je beste vriend praat je losser dan tegen een onbekende volwassene. Dat heet het juiste register kiezen. Aan een vriend stuur je gerust “Hi! What’s up?”; aan iemand die je niet kent eerder “Hello, could you help me, please?”

To a friend: Hey, wanna come over? Tegen een vriend: Hé, zin om langs te komen?
To an adult you don't know: Excuse me, could you tell me the time, please? Tegen een onbekende volwassene: Excuseer, kunt u me zeggen hoe laat het is, alstublieft?

Je eigen tekst nakijken

Als je iets geschreven hebt, lees het dan nog eens rustig na — alsof je een speurder bent op zoek naar kleine slordigheidjes. Vraag jezelf: is mijn boodschap duidelijk? Heb ik hoofdletters en punten? Klopt de volgorde van mijn zinnen?

Als je vastloopt in een gesprek

In een echt gesprek snap je niet altijd alles — en dat is helemaal niet erg! Je kunt gewoon om hulp vragen. Met deze zinnetjes red je je bijna overal uit:

Sorry, can you say that again, please? Sorry, kun je dat nog eens zeggen, alsjeblieft?
Can you speak more slowly, please? Kun je wat trager spreken, alsjeblieft?
What do you mean? / In other words… Wat bedoel je? / Met andere woorden… (om het zelf anders te zeggen)

Een woordenboek of vertaalapp: slim gebruiken

Een woordenboek of vertaalapp is een handig hulpmiddel, maar gebruik het slim. Raad eerst zelf de betekenis uit het plaatje of de zin eromheen. Lukt het echt niet? Zoek dan pas op. En let op: een vertaalapp maakt soms rare zinnen, dus controleer altijd of het klopt met je gevoel.

Doe een truc hardop voor: “Dit woord ken ik niet, maar uit het plaatje en de zin denk ik dat het … betekent.” Eerst zelf raden, dan pas opzoeken — zo onthoud je het veel beter.

Oefeningen

Oefening 1

Teksttypeherkenning

Geef van elk van deze teksten het teksttype (informatief / opinierend / prescriptief / narratief / literair):

  1. Krantenartikel over het klimaat
  2. Recept voor pizza
  3. Dagboekfragment
  4. Reactie op sociale media
  5. Liedtekst

Gebruik de kenmerken en signaalwoorden uit sectie 2 als leidraad.

Oefening 2

Leesbegrip “Jamie”

Beantwoord de zes vragen bij de tekst uit sectie 5 in volledige zinnen in het Nederlands. Gebruik de tekst als basis voor elk antwoord.

  1. What is Jamie’s job?
  2. How does he travel to work?
  3. What did he make last Saturday?
  4. When does he experiment with recipes?
  5. What are his plans for next year?
  6. What is his dream?

Oefening 3

Strategieoefening

Lees een korte tekst (selecteer zelf een Engelstalig artikel op jouw niveau — bijv. op BBC Learning English of Newsela). Bepaal:

  1. Het teksttype
  2. De hoofdgedachte (in één zin)
  3. Drie hoofdpunten die de hoofdgedachte ondersteunen

Schrijf je antwoorden op in het Nederlands of Engels.

Oefening 4

Woordafleiding

Probeer de betekenis te raden van de onderstreepte woorden op basis van de context. Schrijf je redenering op.

  1. The chef garnished the dish with fresh herbs.
  2. She was exhausted after the long journey.

Denk aan overeenkomsten met Frans of Nederlands en kijk naar de rest van de zin.

Oefening 5

Luisteroefening

Zoek een korte Engelstalige podcast of nieuwsfragment (2–3 minuten) op BBC Learning English (bbclearningenglish.com). Luister en schrijf op:

  1. Vijf dingen die je verstond (woorden, zinnen of ideeën)
  2. Het teksttype van het fragment
  3. De hoofdgedachte in één zin

Luister minstens twee keer: de eerste keer voor de grote lijn, de tweede keer voor details.

Samenvatting