Je hebt al geleerd hoe je de Past Simple vormt bij regelmatige werkwoorden: je voegt -ed toe aan de infinitive (walk → walked, play → played). Maar veel van de meest gebruikte werkwoorden in het Engels zijn onregelmatig (irregular). Die volgen de -ed-regel niet. Ze hebben een eigen, aparte verledentijdsvorm die je moet leren.
Veel voorkomende werkwoorden volgen de -ed-regel niet. De verledentijdsvorm moet je van buiten kennen. Hieronder staan de 40 belangrijkste onregelmatige werkwoorden.
| Infinitive | Past Simple | Betekenis | Past Simple voorbeeld |
|---|---|---|---|
| be | was / were | zijn | I was tired. |
| have | had | hebben | She had a dog. |
| do | did | doen | He did his homework. |
| go | went | gaan | We went to school. |
| come | came | komen | They came late. |
| see | saw | zien | I saw a film. |
| say | said | zeggen | She said “hello”. |
| get | got | krijgen/worden | He got a present. |
| make | made | maken | We made a cake. |
| know | knew | weten/kennen | I knew the answer. |
| think | thought | denken | She thought it was fun. |
| take | took | nemen | He took the bus. |
| give | gave | geven | They gave me a gift. |
| find | found | vinden | I found my keys. |
| buy | bought | kopen | She bought new shoes. |
| eat | ate | eten | We ate pizza. |
| drink | drank | drinken | He drank some water. |
| write | wrote | schrijven | I wrote a letter. |
| read | read | lezen | She read a book. |
| run | ran | rennen | He ran fast. |
| swim | swam | zwemmen | We swam in the sea. |
| fly | flew | vliegen | They flew to London. |
| drive | drove | rijden (auto) | She drove to work. |
| ride | rode | rijden (fiets/paard) | He rode his bike. |
| sit | sat | zitten | I sat near the window. |
| stand | stood | staan | We stood in the queue. |
| leave | left | vertrekken | They left at 8 am. |
| meet | met | ontmoeten | I met my friends. |
| tell | told | vertellen | She told a story. |
| feel | felt | voelen | He felt happy. |
| sleep | slept | slapen | She slept well. |
| speak | spoke | spreken | He spoke English. |
| hear | heard | horen | We heard the news. |
| lose | lost | verliezen | I lost my ticket. |
| win | won | winnen | Our team won. |
| break | broke | breken | She broke her arm. |
| spend | spent | doorbrengen/uitgeven | We spent a week in Spain. |
| forget | forgot | vergeten | He forgot his passport. |
| bring | brought | meebrengen | She brought flowers. |
| put | put | neerleggen | I put it on the table. |
Een van de meest gemaakte fouten met onregelmatige werkwoorden is in de ontkenning en de vraagvorm. Gelukkig is de regel heel eenvoudig: zodra je didn’t of did gebruikt, gaat het werkwoord altijd terug naar de infinitive — ook als het een onregelmatig werkwoord is.
Juist of fout? Let op het werkwoord na didn’t en did:
| Correct ✓ | Fout ✗ | |
|---|---|---|
| Ontkenning | She didn’t go to school. | |
| Vraag | Did he eat breakfast? | |
| Ontkenning | We didn’t buy tickets. | |
| Vraag | Did they fly to London? |
Je kunt de Past Simple ook combineren met vraagwoorden (question words) om meer informatie te vragen. De structuur is: vraagwoord + did + subject + infinitive.
| Vraagwoord | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| What did…? | Wat deed…? | What did you do yesterday? |
| Where did…? | Waar ging…? | Where did they go? |
| When did…? | Wanneer…? | When did she arrive? |
| How did…? | Hoe…? | How did you travel? |
| Who did…? | Wie…? | Who did you meet? |
| Why did…? | Waarom…? | Why did he leave early? |
| How long did…? | Hoe lang…? | How long did the journey take? |
De Past Simple is de ideale tijd om verhalen te vertellen over dingen die in het verleden zijn gebeurd. Een goed verhaal heeft een duidelijke structuur met drie delen: een begin, een midden en een einde.
The Lost Passport
Last summer, my family and I flew to Barcelona for our holiday. We stayed in a small hotel near the beach.
On the second day, my mum couldn’t find her passport. She looked everywhere — in her bag, in the suitcase, even under the bed. She felt really worried.
We went back to the airport where we arrived. Luckily, someone found it and brought it to the lost property office. My mum was so relieved!
After that, she always kept her passport in a special pocket. We had a wonderful holiday in the end!
Gebruik deze woorden om je verhaal vlot te laten klinken.
Begin
Tijdens
Einde
Engels is de moedertaal of de officiële taal van tientallen landen wereldwijd. Elk van die landen heeft zijn eigen cultuur, gewoonten en eigenaardigheden. Hieronder leer je de vier belangrijkste Engelstalige landen kennen.
The UK bestaat uit vier landen: England, Scotland, Wales en Northern Ireland. De hoofdstad is London. In het VK rijdt men aan de linkerkant van de weg. Bekende symbolen: Big Ben, King Charles III, fish and chips, thee en voetbal.
De Verenigde Staten tellen 50 staten. De hoofdstad is Washington D.C. (niet New York!). Bekende symbolen: Hollywood, het Vrijheidsbeeld, Thanksgiving, hamburgers en baseball.
Australië is zowel een continent als een land. De hoofdstad is Canberra (niet Sydney!). Bekende symbolen: kangoeroes, koala’s, het Great Barrier Reef, het Sydney Opera House en cricket.
Ierland heeft als hoofdstad Dublin. Het land staat bekend als “the Emerald Isle” (het Smaragdgroene Eiland) vanwege het weelderige groen. Bekende symbolen: de shamrock (klavertje), St Patrick’s Day (17 maart), Guinness-bier en schrijver James Joyce.
Een land leer je niet alleen kennen via een lijstje met hoofdsteden en symbolen. Veel leuker is het om te ontdekken hoe mensen er echt leven: wat ze eten in de ochtend, welke feesten ze vieren, naar welke muziek ze luisteren en welke sporten ze graag spelen. Vergelijk het telkens met jouw eigen leven — en merk hoeveel hetzelfde is, maar ook hoeveel grappig anders is.
Op 31 oktober vieren kinderen in Amerika, Ierland en het VK Halloween. Ze verkleden zich als heks, skelet of superheld en bellen aan bij de buren met de roep “Trick or treat!” — snoep of een streek. Voor de deur staan uitgeholde pompoenen met een lichtje erin: de jack-o’-lantern.
Ken jij een feest waarbij je je hier verkleedt en van deur tot deur gaat? Denk eens aan onze eigen tradities — wat lijkt erop, en wat is helemaal anders?
In het VK is het ontbijt soms een echte maaltijd. Een full English breakfast bestaat uit gebakken eieren, worstjes (sausages), spek (bacon), gebakken bonen in tomatensaus (baked beans), toast en soms zelfs gebakken tomaat en champignons. Daarbij drinken veel Britten een kop thee met melk.
Wat eet jij ’s ochtends? Zou je een full English breakfast eens willen proberen, of vind je het maar niets voor de vroege ochtend?
Op een Amerikaanse school is veel anders dan bij ons. Veel leerlingen dragen geen uniform, maar in het VK juist wel. Amerikaanse kinderen nemen vaak de gele schoolbus (the yellow school bus), hebben een eigen kluisje (locker) in de gang, en eten warm in de cafeteria. Na de lessen doen ze graag aan sport of theater: de after-school clubs.
| Onderwerp | Bij ons (vaak) | VK / VS (vaak) |
|---|---|---|
| Naar school | met de fiets | met de yellow school bus (VS) |
| Kleren | eigen kleren | schooluniform (VK) |
| Middageten | boterhammen mee | warm eten in de cafeteria (VS) |
| Populaire sport | voetbal | cricket (VK), baseball (VS) |
Engelstalige landen zijn dol op sport. In het VK is football (voetbal) en cricket populair, in de VS spelen ze graag baseball en American football, en in Australië houden ze van surfing en cricket. En muziek? Heel veel liedjes die jij kent, komen uit deze landen. Toeristen reizen er af op beroemde plekken: de London Eye, het Statue of Liberty of het Sydney Opera House.
Oefening 1
Onregelmatige werkwoorden invullen
Vul de correcte Past Simple-vorm in van het werkwoord tussen haakjes.
Oefening 2
Corrigeer de fouten
De volgende zinnen bevatten fouten met onregelmatige werkwoorden. Verbeter elke fout en leg uit waarom.
Tip: onthoud de gouden regel — na did en didn’t altijd de infinitive!
Oefening 3
Vraagwoorden
Formuleer een vraag in de Past Simple bij elk antwoord. Gebruik het juiste vraagwoord.
Oefening 4
Onregelmatige werkwoorden in groepjes
Verdeel deze werkwoorden in groepjes op basis van hun patroon van verandering:
bring, buy, catch, come, drive, feel, find, fly, forget, give, go, grow, keep, know, leave, make, meet, ride, run, see, sell, sit, sleep, speak, spend, swim, take, tell, think, wake, write
Oefening 5
Schrijf een verhaal: A Day I Will Never Forget
Schrijf een kort verhaal van 80–100 woorden over een dag die je nooit zal vergeten. Gebruik minstens 10 onregelmatige werkwoorden in de Past Simple. Volg de verhalenstructuur: begin (setting/personages), midden (gebeurtenis/probleem), einde (oplossing/gevoel).
Tip: noteer eerst je 10 onregelmatige werkwoorden, schrijf dan pas je verhaal.
Oefening 6
Leesbegrip: The Lost Passport
Lees het modelverhaal “The Lost Passport” (Sectie 3) opnieuw. Beantwoord de volgende vragen in volledige Engelse zinnen.
Tip: zorg dat je antwoorden volledige zinnen zijn: They went to … / She felt …