Eenheid 9  ·  Verhalen uit het verleden

Stories from the Past

1

Grammatica: Past Simple — Onregelmatige werkwoorden

Je hebt al geleerd hoe je de Past Simple vormt bij regelmatige werkwoorden: je voegt -ed toe aan de infinitive (walk → walked, play → played). Maar veel van de meest gebruikte werkwoorden in het Engels zijn onregelmatig (irregular). Die volgen de -ed-regel niet. Ze hebben een eigen, aparte verledentijdsvorm die je moet leren.

Irregular Verbs in the Past Simple

Veel voorkomende werkwoorden volgen de -ed-regel niet. De verledentijdsvorm moet je van buiten kennen. Hieronder staan de 40 belangrijkste onregelmatige werkwoorden.

Infinitive Past Simple Betekenis Past Simple voorbeeld
bewas / werezijnI was tired.
havehadhebbenShe had a dog.
dodiddoenHe did his homework.
gowentgaanWe went to school.
comecamekomenThey came late.
seesawzienI saw a film.
saysaidzeggenShe said “hello”.
getgotkrijgen/wordenHe got a present.
makemademakenWe made a cake.
knowknewweten/kennenI knew the answer.
thinkthoughtdenkenShe thought it was fun.
taketooknemenHe took the bus.
givegavegevenThey gave me a gift.
findfoundvindenI found my keys.
buyboughtkopenShe bought new shoes.
eatateetenWe ate pizza.
drinkdrankdrinkenHe drank some water.
writewroteschrijvenI wrote a letter.
readreadlezenShe read a book.
runranrennenHe ran fast.
swimswamzwemmenWe swam in the sea.
flyflewvliegenThey flew to London.
drivedroverijden (auto)She drove to work.
rideroderijden (fiets/paard)He rode his bike.
sitsatzittenI sat near the window.
standstoodstaanWe stood in the queue.
leaveleftvertrekkenThey left at 8 am.
meetmetontmoetenI met my friends.
telltoldvertellenShe told a story.
feelfeltvoelenHe felt happy.
sleepsleptslapenShe slept well.
speakspokesprekenHe spoke English.
hearheardhorenWe heard the news.
loselostverliezenI lost my ticket.
winwonwinnenOur team won.
breakbrokebrekenShe broke her arm.
spendspentdoorbrengen/uitgevenWe spent a week in Spain.
forgetforgotvergetenHe forgot his passport.
bringbroughtmeebrengenShe brought flowers.
putputneerleggenI put it on the table.
read heeft dezelfde spelling in infinitive en past simple maar wordt anders uitgesproken: ‘read’ (present) = /riːd/, ‘read’ (past) = /rɛd/ (klinkt als “red”).
Leer onregelmatige werkwoorden in groepjes: go–went, know–knew, grow–grew (klinken gelijk) / buy–bought, bring–brought, think–thought (zelfde eindklank).
2

Grammatica: Past Simple — Ontkenning en vragen

Een van de meest gemaakte fouten met onregelmatige werkwoorden is in de ontkenning en de vraagvorm. Gelukkig is de regel heel eenvoudig: zodra je didn’t of did gebruikt, gaat het werkwoord altijd terug naar de infinitive — ook als het een onregelmatig werkwoord is.

Ontkenning & vraag in de Past Simple

Subject + didn’t + infinitive    (ontkenning — regelmatig én onregelmatig!) Did + subject + infinitive + ?    (vraag — regelmatig én onregelmatig!)

Juist of fout? Let op het werkwoord na didn’t en did:

Correct ✓ Fout ✗
Ontkenning She didn’t go to school. She didn’t went to school.
Vraag Did he eat breakfast? Did he ate breakfast?
Ontkenning We didn’t buy tickets. We didn’t bought tickets.
Vraag Did they fly to London? Did they flew to London?

Vraagwoorden in de verleden tijd

Je kunt de Past Simple ook combineren met vraagwoorden (question words) om meer informatie te vragen. De structuur is: vraagwoord + did + subject + infinitive.

Vraagwoorden + Past Simple

Vraagwoord Gebruik Voorbeeld
What did…?Wat deed…?What did you do yesterday?
Where did…?Waar ging…?Where did they go?
When did…?Wanneer…?When did she arrive?
How did…?Hoe…?How did you travel?
Who did…?Wie…?Who did you meet?
Why did…?Waarom…?Why did he leave early?
How long did…?Hoe lang…?How long did the journey take?
I didn’t go by plane — I went by train. Ik vloog niet — ik ging met de trein.
Did she write a postcard? — Yes, she wrote three! Schreef ze een ansichtkaart? — Ja, ze schreef er drie!
What did you do last weekend? — I went to the cinema and met some friends. Wat deed jij afgelopen weekend? — Ik ging naar de bioscoop en ontmoette vrienden.
3

Verhalen vertellen

De Past Simple is de ideale tijd om verhalen te vertellen over dingen die in het verleden zijn gebeurd. Een goed verhaal heeft een duidelijke structuur met drie delen: een begin, een midden en een einde.

Modelverhaal: The Lost Passport

The Lost Passport

Last summer, my family and I flew to Barcelona for our holiday. We stayed in a small hotel near the beach.

On the second day, my mum couldn’t find her passport. She looked everywhere — in her bag, in the suitcase, even under the bed. She felt really worried.

We went back to the airport where we arrived. Luckily, someone found it and brought it to the lost property office. My mum was so relieved!

After that, she always kept her passport in a special pocket. We had a wonderful holiday in the end!

Story connectors: verbindingswoorden voor verhalen

Story connectors

Gebruik deze woorden om je verhaal vlot te laten klinken.

Begin

Once upon a timeEén keer
Last summerVorige zomer
One dayOp een dag

Tijdens

FirstEerst
ThenToen/Dan
After thatDaarna
SuddenlyPlots
MeanwhileOndertussen
UnfortunatelyHelaas
LuckilyGelukkig

Einde

FinallyTen slotte
In the endUiteindelijk
After the tripNa de reis
As a resultDaardoor
4

Culturele teksten: English-speaking countries

Engels is de moedertaal of de officiële taal van tientallen landen wereldwijd. Elk van die landen heeft zijn eigen cultuur, gewoonten en eigenaardigheden. Hieronder leer je de vier belangrijkste Engelstalige landen kennen.

🏴
Land The United Kingdom

The UK bestaat uit vier landen: England, Scotland, Wales en Northern Ireland. De hoofdstad is London. In het VK rijdt men aan de linkerkant van de weg. Bekende symbolen: Big Ben, King Charles III, fish and chips, thee en voetbal.

🇺🇸
Land The USA

De Verenigde Staten tellen 50 staten. De hoofdstad is Washington D.C. (niet New York!). Bekende symbolen: Hollywood, het Vrijheidsbeeld, Thanksgiving, hamburgers en baseball.

🇦🇺
Land & Continent Australia

Australië is zowel een continent als een land. De hoofdstad is Canberra (niet Sydney!). Bekende symbolen: kangoeroes, koala’s, het Great Barrier Reef, het Sydney Opera House en cricket.

🇮🇪
Land Ireland

Ierland heeft als hoofdstad Dublin. Het land staat bekend als “the Emerald Isle” (het Smaragdgroene Eiland) vanwege het weelderige groen. Bekende symbolen: de shamrock (klavertje), St Patrick’s Day (17 maart), Guinness-bier en schrijver James Joyce.

In de vakfiche staat dat je culturele aspecten moet kunnen identificeren van landen waar Engels gesproken wordt. Let op verschillen: Britten zeggen “lift”, Amerikanen zeggen “elevator”. Britten zeggen “autumn”, Amerikanen “fall”.
5

Cultuur om te beleven

Een land leer je niet alleen kennen via een lijstje met hoofdsteden en symbolen. Veel leuker is het om te ontdekken hoe mensen er echt leven: wat ze eten in de ochtend, welke feesten ze vieren, naar welke muziek ze luisteren en welke sporten ze graag spelen. Vergelijk het telkens met jouw eigen leven — en merk hoeveel hetzelfde is, maar ook hoeveel grappig anders is.

Halloween: een feest vol verkleedplezier

Op 31 oktober vieren kinderen in Amerika, Ierland en het VK Halloween. Ze verkleden zich als heks, skelet of superheld en bellen aan bij de buren met de roep “Trick or treat!” — snoep of een streek. Voor de deur staan uitgeholde pompoenen met een lichtje erin: de jack-o’-lantern.

“Trick or treat! Smell my feet, give me something good to eat!” Een grappig rijmpje dat kinderen aan de deur opzeggen om snoep te krijgen.

Ken jij een feest waarbij je je hier verkleedt en van deur tot deur gaat? Denk eens aan onze eigen tradities — wat lijkt erop, en wat is helemaal anders?

A full English breakfast

In het VK is het ontbijt soms een echte maaltijd. Een full English breakfast bestaat uit gebakken eieren, worstjes (sausages), spek (bacon), gebakken bonen in tomatensaus (baked beans), toast en soms zelfs gebakken tomaat en champignons. Daarbij drinken veel Britten een kop thee met melk.

For breakfast I usually have cereal. In Britain, some people have eggs, beans and toast! Als ontbijt eet ik meestal ontbijtgranen. In Groot-Brittannië eten sommige mensen eieren, bonen en toast!

Wat eet jij ’s ochtends? Zou je een full English breakfast eens willen proberen, of vind je het maar niets voor de vroege ochtend?

Een schooldag in Amerika

Op een Amerikaanse school is veel anders dan bij ons. Veel leerlingen dragen geen uniform, maar in het VK juist wel. Amerikaanse kinderen nemen vaak de gele schoolbus (the yellow school bus), hebben een eigen kluisje (locker) in de gang, en eten warm in de cafeteria. Na de lessen doen ze graag aan sport of theater: de after-school clubs.

Vergelijk eens: bij ons vs. daar

Onderwerp Bij ons (vaak) VK / VS (vaak)
Naar schoolmet de fietsmet de yellow school bus (VS)
Klereneigen klerenschooluniform (VK)
Middagetenboterhammen meewarm eten in de cafeteria (VS)
Populaire sportvoetbalcricket (VK), baseball (VS)

Sport, muziek en toerisme

Engelstalige landen zijn dol op sport. In het VK is football (voetbal) en cricket populair, in de VS spelen ze graag baseball en American football, en in Australië houden ze van surfing en cricket. En muziek? Heel veel liedjes die jij kent, komen uit deze landen. Toeristen reizen er af op beroemde plekken: de London Eye, het Statue of Liberty of het Sydney Opera House.

Kies samen één land en bekijk er een kort filmpje over op YouTube: een feest, een schooldag of een sportwedstrijd. Vertel daarna in één of twee zinnen wat je het meest verraste. Dit is geen toets — gewoon ontdekken en vergelijken.

Oefeningen

Oefening 1

Onregelmatige werkwoorden invullen

Vul de correcte Past Simple-vorm in van het werkwoord tussen haakjes.

  1. Last week she ___ (go) to the shop.
  2. She ___ (buy) a book.
  3. She ___ (not/read) it yet because she ___ (be) very busy.
  4. Her friend ___ (come) over and they ___ (eat) pizza together.
  5. They ___ (drink) lemonade and ___ (watch) a film.

Oefening 2

Corrigeer de fouten

De volgende zinnen bevatten fouten met onregelmatige werkwoorden. Verbeter elke fout en leg uit waarom.

  1. Did she went home early?
  2. Yes, she did went.
  3. We didn’t knew the answer.
  4. Did they buyed the tickets?
  5. He didn’t wrote a letter.

Tip: onthoud de gouden regel — na did en didn’t altijd de infinitive!

Oefening 3

Vraagwoorden

Formuleer een vraag in de Past Simple bij elk antwoord. Gebruik het juiste vraagwoord.

  1. I went to Spain. → ___ did you go?
  2. She left at 8 o’clock. → ___ did she leave?
  3. He travelled by plane. → ___ did he travel?
  4. We stayed for two weeks. → ___ did you stay?
  5. She met her cousin. → ___ did she meet?

Oefening 4

Onregelmatige werkwoorden in groepjes

Verdeel deze werkwoorden in groepjes op basis van hun patroon van verandering:

bring, buy, catch, come, drive, feel, find, fly, forget, give, go, grow, keep, know, leave, make, meet, ride, run, see, sell, sit, sleep, speak, spend, swim, take, tell, think, wake, write

  1. Werkwoorden waarbij infinitive en past simple rijmen op “ew”: know–knew, …
  2. Werkwoorden waarbij de past simple eindigt op “-ought/-aught”: buy–bought, …
  3. Werkwoorden waarbij de klinker verandert van “i” naar “a”: swim–swam, …
  4. Werkwoorden waarbij de klinker verandert van “ee/ea” naar “e/ep”: feel–felt, sleep–slept, …

Oefening 5

Schrijf een verhaal: A Day I Will Never Forget

Schrijf een kort verhaal van 80–100 woorden over een dag die je nooit zal vergeten. Gebruik minstens 10 onregelmatige werkwoorden in de Past Simple. Volg de verhalenstructuur: begin (setting/personages), midden (gebeurtenis/probleem), einde (oplossing/gevoel).

  1. Kies een situatie: een uitstap, een sportevenement, een bijzonder familiefeest, een moment van grote schrik …
  2. Gebruik minstens 3 verbindingswoorden uit de Story connectors-lijst (first, then, suddenly, luckily, in the end …).
  3. Onderstreep alle onregelmatige werkwoorden in je verhaal.

Tip: noteer eerst je 10 onregelmatige werkwoorden, schrijf dan pas je verhaal.

Oefening 6

Leesbegrip: The Lost Passport

Lees het modelverhaal “The Lost Passport” (Sectie 3) opnieuw. Beantwoord de volgende vragen in volledige Engelse zinnen.

  1. Where did the family go for their holiday?
  2. How did they travel to Barcelona?
  3. What happened on the second day of the holiday?
  4. Where did they find the passport?
  5. What did the mother do differently after this experience?

Tip: zorg dat je antwoorden volledige zinnen zijn: They went to … / She felt …

Samenvatting