Eenheid 1  ·  Woordenschat & Grammatica

Hello! Who Are You?

1

Woordenschat: Persoonlijke gegevens

In deze sectie leer je de basiswoordenschat om over jezelf te praten: wie je bent, waar je woont en hoe anderen je kunnen bereiken.

Persoonlijke gegevens — Personal details

namenaam
surnameachternaam
ageleeftijd
birthdayverjaardag
addressadres
citystad
countryland
nationalitynationaliteit
phone numbertelefoonnummer
email addresse-mailadres
schoolschool
classklas
BelgianBelg / Belgisch
EnglishEngels(man/vrouw)
boyjongen
girlmeisje
friendvriend(in)
studentleerling
teacherleraar/lerares
yearjaar
2

Woordenschat: Familie

Familie is een belangrijk gespreksonderwerp. Leer de namen van familieleden zodat je over je thuis kunt vertellen.

Familie — Family

mothermoeder
fathervader
parentsouders
sisterzus
brotherbroer
grandmaoma
grandpaopa
grandparentsgrootouders
aunttante
uncleoom
cousinneef/nicht
sonzoon
daughterdochter
husbandechtgenoot
wifeechtgenote
babybaby
childkind
childrenkinderen
only childenig kind
familyfamilie
In het Engels gebruik je geen hoofdletters voor nationaliteiten in gewone zinnen, maar WEL als het een zelfstandig naamwoord is: “He is Belgian” maar “He is a Belgian.”
3

Grammatica: To be (zijn)

To be is het meest fundamentele werkwoord in het Engels. Het vertaalt zich als “zijn” en wordt gebruikt om te beschrijven wie je bent, hoe je je voelt, waar je vandaan komt en hoe oud je bent. Zonder to be kun je jezelf niet voorstellen.

To be — Am / Is / Are

De vervoeging van to be moet je van buiten kennen — het is de basis van alles wat volgt.

Persoon Voluit Verkorting Ontkennend Verkorting
I am 'm am not 'm not
You are 're are not aren't
He / She / It is 's is not isn't
We are 're are not aren't
You (pl.) are 're are not aren't
They are 're are not aren't

Vragen: Am I…? / Are you…? / Is he/she/it…?

"I am Tom. I'm 13 years old." Ik ben Tom. Ik ben 13 jaar oud.
"She is not Belgian. She's American." Zij is niet Belgisch. Ze is Amerikaans.
"Are you from Ghent? — Yes, I am." Ben jij van Gent? — Ja, dat ben ik.
Subject + am/is/are (+ not) + complement Am/Is/Are + subject + complement + ?
4

Grammatica: Persoonlijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden vervangen een zelfstandig naamwoord (een persoon of ding). Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is. Je hebt beide nodig om over mensen en hun bezittingen te spreken.

Personal pronouns (subject) & Possessive adjectives

Persoon Persoonlijk vnw. Bezittelijk vnw.
eerste persoon enk.Imy
tweede persoon enk.youyour
derde persoon enk. (m)hehis
derde persoon enk. (v)sheher
derde persoon enk. (onzijdig)itits
eerste persoon mv.weour
derde persoon mv.theytheir
"My name is Lisa. Her sister is Anna." Mijn naam is Lisa. Haar zus is Anna.
"This is my family. Their house is big." Dit is mijn familie. Hun huis is groot.
In het Engels schrijf je “I” altijd met een hoofdletter, ook midden in een zin.
5

Grammatica: Lidwoorden (Articles)

In het Engels zijn er drie lidwoorden: a, an en the. Het verschil tussen a en an hangt af van het eerste geluid van het volgende woord; het verschil tussen onbepaald en bepaald hangt af van de context.

Lidwoorden — Articles

  • a — voor woorden die beginnen met een medeklinker (a cat, a brother)
  • an — voor woorden die beginnen met een klinker of stomme h (an apple, an hour)
  • the — voor een specifiek iemand/iets (the teacher, the school)
Lidwoord Gebruik Voorbeeld
a onbepaald, voor medeklinker a book, a friend
an onbepaald, voor klinker an apple, an email
the bepaald (specifiek) the teacher, the class
— (geen) meervoud algemeen / ontelbaar Friends are important.
"I have a sister and a brother." Ik heb een zus en een broer.
"The teacher is kind." De leraar/lerares is vriendelijk.
6

Jezelf voorstellen (Speaking)

Een gesprek in het Engels beginnen hoeft niet moeilijk te zijn. Met een paar vaste formules en de grammatica die je al kent, kun je jezelf vlot voorstellen aan iemand die je nog niet kent. Hieronder zie je een modelgesprek gevolgd door handige uitdrukkingen.

Modeldialoog — Model dialogue
Tom:Hello! My name is Tom. What's your name?
Lisa:Hi Tom! I'm Lisa. Nice to meet you.
Tom:Nice to meet you too. How old are you?
Lisa:I'm thirteen. And you?
Tom:I'm twelve. Where are you from?
Lisa:I'm from Bruges. And you?
Tom:I'm from Ghent. Is this your first year here?
Lisa:Yes, it is. See you later!
Tom:Bye Lisa!

Vaste uitdrukkingen — Set phrases

Begroetingen & afscheidsformules

Situatie Engelse uitdrukking Nederlands
Begroeting (formeel) Good morning / Good afternoon Goedemorgen / Goedemiddag
Begroeting (informeel) Hi! / Hey! / Hello! Hallo! / Hé!
Afscheid (formeel) Goodbye / Farewell Dag / Tot ziens
Afscheid (informeel) Bye! / See you! / Later! Dag! / Tot ziens!
Kennismaking Nice to meet you Aangenaam kennis te maken
Bedanken Thank you / Thanks Dank je / Bedankt
Sorry I'm sorry / Excuse me Excuseer / Sorry
Bij een mondelinge opdracht verwacht de examinator dat je een gesprek kunt beginnen, gaande houden én afronden. Oefen deze formules tot ze automatisch gaan!
7

Klank, uitspraak en intonatie

Het mooiste aan Engels is dat je het overal hoort: in liedjes, in games, in films en in filmpjes op je telefoon. En precies daarom is het zo leuk om je uitspraak een beetje te verzorgen — dan klink je al snel als de mensen die je elke dag hoort. Je hoeft niet perfect te klinken; je hoeft alleen maar te durven nadoen wat je hoort.

In het Engels schrijf je vaak iets anders dan je zegt. De letters en de klanken kloppen niet altijd met elkaar — en dat is normaal. Luister daarom altijd goed naar hoe een woord echt klinkt, en zeg het hardop na.

Schrift en klank lopen niet altijd gelijk

Dezelfde lettercombinatie kan op verschillende manieren klinken. Spreek de voorbeelden hieronder eens hardop uit en luister naar het verschil.

name — cake — day De “a” klinkt hier als “ee” (een lange klank).
cat — bag — happy Hier is de “a” kort en open, ergens tussen “a” en “e” in.
this — the — brother De “th” maak je met je tong net achter je tanden — geen “d” of “z”.

Woordklemtoon (stress)

In een woord met meer dan één lettergreep zeg je één deel een tikje luider en langer. Dat heet de klemtoon. Als je de klemtoon op de juiste plaats legt, klinkt je Engels meteen veel natuurlijker.

Waar ligt de klemtoon?

Woord Klemtoon (dik gedrukt) Betekenis
familyFA-mi-lyfamilie
nationalityna-tio-NA-li-tynationaliteit
SeptemberSep-TEM-berseptember
thirteenthir-TEENdertien
sisterSIS-terzus
Klop met je vinger op tafel terwijl je een woord zegt: op de klemtoon klop je het hardst. Zo voel je vanzelf waar de nadruk ligt.

Intonatie: de melodie van je stem

Je stem gaat tijdens het spreken omhoog en omlaag, net als een melodietje. Die melodie noemen we intonatie. Ze helpt de luisteraar te begrijpen of je iets vertelt of iets vraagt.

You are from Ghent. ↘ Een gewone mededeling: je stem zakt aan het einde.
Are you from Ghent? ↗ Een ja/nee-vraag: je stem gaat aan het einde omhoog.
What's your name? ↘ Bij een vraag met een vraagwoord (what, where, how) zakt je stem juist weer.

Ritme: niet elk woord even zwaar

Het Engels heeft een eigen ritme. De belangrijke woorden (zoals zelfstandige naamwoorden en werkwoorden) zeg je iets langer en duidelijker; kleine woordjes als a, the, is en and zeg je vlug en zacht. Probeer onderstaande zin eens op het ritme van een liedje te zeggen, met nadruk op de dikgedrukte woorden.

My SISter is a STUdent at my SCHOOL. Mijn zus is een leerling op mijn school.
Kies een Engels liedje dat je leuk vindt en zing een stukje mee. Door mee te zingen oefen je tegelijk klemtoon, ritme en intonatie — en het is nog leuk ook.

Oefeningen

Oefening 1

To be invullen

Vul in met am, is of are:

  1. I ___ Tom.
  2. She ___ my sister.
  3. We ___ from Belgium.
  4. ___ you thirteen?

Oefening 2

To be in eigen zinnen

Schrijf 5 zinnen over jezelf met to be. Gebruik minstens 2 ontkenningen.

Tip: gebruik de volledige vorm én de verkorting in je zinnen (bijv. I am & I'm).

Oefening 3

Persoonlijke voornaamwoorden

Vervang de onderstreepte woorden door een persoonlijk voornaamwoord:

  1. "Tom is my friend. Tom is funny." → "___ is my friend. ___ is funny."
  2. "Anna and I are in class 1A. Anna and I like English." → "___ are in class 1A. ___ like English."

Oefening 4

Lidwoorden kiezen

Kies het juiste lidwoord (a, an of the):

  1. I have ___ apple.
  2. She is ___ engineer.
  3. The school is near ___ station.
  4. He has ___ brother and ___ sister.
  5. ___ teacher is very kind.

Oefening 5

Schrijfopdracht: mijn familie

Schrijf een korte tekst (50–70 woorden) over je familie. Vermeld namen, leeftijden en relaties.

Gebruik to be, bezittelijke voornaamwoorden en de woordenschat uit secties 1 en 2.

Oefening 6

Spreekopdracht: jezelf voorstellen

Oefendialoog: stel jezelf voor aan een nieuwe klasgenoot. Gebruik de formules uit sectie 6. Zorg dat je gesprek een begin, een midden en een afsluiting heeft.

Tip: schrijf je dialoog eerst uit en oefen daarna zonder aantekeningen.

Samenvatting