In deze sectie leer je de basiswoordenschat om over jezelf te praten: wie je bent, waar je woont en hoe anderen je kunnen bereiken.
Familie is een belangrijk gespreksonderwerp. Leer de namen van familieleden zodat je over je thuis kunt vertellen.
To be is het meest fundamentele werkwoord in het Engels. Het vertaalt zich als “zijn” en wordt gebruikt om te beschrijven wie je bent, hoe je je voelt, waar je vandaan komt en hoe oud je bent. Zonder to be kun je jezelf niet voorstellen.
De vervoeging van to be moet je van buiten kennen — het is de basis van alles wat volgt.
| Persoon | Voluit | Verkorting | Ontkennend | Verkorting |
|---|---|---|---|---|
| I | am | 'm | am not | 'm not |
| You | are | 're | are not | aren't |
| He / She / It | is | 's | is not | isn't |
| We | are | 're | are not | aren't |
| You (pl.) | are | 're | are not | aren't |
| They | are | 're | are not | aren't |
Vragen: Am I…? / Are you…? / Is he/she/it…?
Persoonlijke voornaamwoorden vervangen een zelfstandig naamwoord (een persoon of ding). Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie iets is. Je hebt beide nodig om over mensen en hun bezittingen te spreken.
| Persoon | Persoonlijk vnw. | Bezittelijk vnw. |
|---|---|---|
| eerste persoon enk. | I | my |
| tweede persoon enk. | you | your |
| derde persoon enk. (m) | he | his |
| derde persoon enk. (v) | she | her |
| derde persoon enk. (onzijdig) | it | its |
| eerste persoon mv. | we | our |
| derde persoon mv. | they | their |
In het Engels zijn er drie lidwoorden: a, an en the. Het verschil tussen a en an hangt af van het eerste geluid van het volgende woord; het verschil tussen onbepaald en bepaald hangt af van de context.
| Lidwoord | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| a | onbepaald, voor medeklinker | a book, a friend |
| an | onbepaald, voor klinker | an apple, an email |
| the | bepaald (specifiek) | the teacher, the class |
| — (geen) | meervoud algemeen / ontelbaar | Friends are important. |
Een gesprek in het Engels beginnen hoeft niet moeilijk te zijn. Met een paar vaste formules en de grammatica die je al kent, kun je jezelf vlot voorstellen aan iemand die je nog niet kent. Hieronder zie je een modelgesprek gevolgd door handige uitdrukkingen.
| Situatie | Engelse uitdrukking | Nederlands |
|---|---|---|
| Begroeting (formeel) | Good morning / Good afternoon | Goedemorgen / Goedemiddag |
| Begroeting (informeel) | Hi! / Hey! / Hello! | Hallo! / Hé! |
| Afscheid (formeel) | Goodbye / Farewell | Dag / Tot ziens |
| Afscheid (informeel) | Bye! / See you! / Later! | Dag! / Tot ziens! |
| Kennismaking | Nice to meet you | Aangenaam kennis te maken |
| Bedanken | Thank you / Thanks | Dank je / Bedankt |
| Sorry | I'm sorry / Excuse me | Excuseer / Sorry |
Het mooiste aan Engels is dat je het overal hoort: in liedjes, in games, in films en in filmpjes op je telefoon. En precies daarom is het zo leuk om je uitspraak een beetje te verzorgen — dan klink je al snel als de mensen die je elke dag hoort. Je hoeft niet perfect te klinken; je hoeft alleen maar te durven nadoen wat je hoort.
In het Engels schrijf je vaak iets anders dan je zegt. De letters en de klanken kloppen niet altijd met elkaar — en dat is normaal. Luister daarom altijd goed naar hoe een woord echt klinkt, en zeg het hardop na.
Dezelfde lettercombinatie kan op verschillende manieren klinken. Spreek de voorbeelden hieronder eens hardop uit en luister naar het verschil.
In een woord met meer dan één lettergreep zeg je één deel een tikje luider en langer. Dat heet de klemtoon. Als je de klemtoon op de juiste plaats legt, klinkt je Engels meteen veel natuurlijker.
| Woord | Klemtoon (dik gedrukt) | Betekenis |
|---|---|---|
| family | FA-mi-ly | familie |
| nationality | na-tio-NA-li-ty | nationaliteit |
| September | Sep-TEM-ber | september |
| thirteen | thir-TEEN | dertien |
| sister | SIS-ter | zus |
Je stem gaat tijdens het spreken omhoog en omlaag, net als een melodietje. Die melodie noemen we intonatie. Ze helpt de luisteraar te begrijpen of je iets vertelt of iets vraagt.
Het Engels heeft een eigen ritme. De belangrijke woorden (zoals zelfstandige naamwoorden en werkwoorden) zeg je iets langer en duidelijker; kleine woordjes als a, the, is en and zeg je vlug en zacht. Probeer onderstaande zin eens op het ritme van een liedje te zeggen, met nadruk op de dikgedrukte woorden.
Oefening 1
To be invullen
Vul in met am, is of are:
Oefening 2
To be in eigen zinnen
Schrijf 5 zinnen over jezelf met to be. Gebruik minstens 2 ontkenningen.
Tip: gebruik de volledige vorm én de verkorting in je zinnen (bijv. I am & I'm).
Oefening 3
Persoonlijke voornaamwoorden
Vervang de onderstreepte woorden door een persoonlijk voornaamwoord:
Oefening 4
Lidwoorden kiezen
Kies het juiste lidwoord (a, an of the):
Oefening 5
Schrijfopdracht: mijn familie
Schrijf een korte tekst (50–70 woorden) over je familie. Vermeld namen, leeftijden en relaties.
Gebruik to be, bezittelijke voornaamwoorden en de woordenschat uit secties 1 en 2.
Oefening 6
Spreekopdracht: jezelf voorstellen
Oefendialoog: stel jezelf voor aan een nieuwe klasgenoot. Gebruik de formules uit sectie 6. Zorg dat je gesprek een begin, een midden en een afsluiting heeft.
Tip: schrijf je dialoog eerst uit en oefen daarna zonder aantekeningen.